Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-04-22
ECLI:NL:RBOBR:2025:2374
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,861 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/414
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. T.P.M. Kouwenaar)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. A.P.J. Mijs).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de door het UWV vastgestelde mate van haar arbeidsongeschiktheid, in het kader van haar WIA-uitkering.
1.1.
Eiseres heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 5 september 2023 heeft het UWV de aanvraag van eiseres toegekend. Daarbij heeft het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 42,54%.
1.2.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit van 14 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd naar 36,27%.
1.3.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.4.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en mr. [naam] namens het UWV.
Feiten
2. Eiseres was werkzaam als service support medewerker bij [naam bedrijf] B.V., voor gemiddeld ongeveer 32 uur per week. Op 6 april 2021 heeft zij zich ziekgemeld. Per 8 maart 2022 is eiseres ziek uit dienst gegaan bij [naam bedrijf] B.V. en is aan haar een Ziektewetuitkering toegekend. Na het doorlopen van de wachttijd heeft eiseres op 3 april 2023 een WIA-uitkering aangevraagd. Dat heeft geleid tot de besluitvorming die onder ‘inleiding’ is weergegeven.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres op juiste gronden heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Standpunten van partijen
4. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres, met haar beperkingen, in staat moet worden geacht drie geselecteerde voorbeeldfuncties uit te voeren. Vergelijking van het inkomen dat eiseres in deze functies kan verdienen met het inkomen dat zij eerder verdiende, leidt tot de conclusie dat eiseres 36,27% arbeidsongeschikt is.
5. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij vindt dat zij volledig arbeidsongeschikt is. Allereerst verwijst eiseres naar wat zij in bezwaar al heeft aangevoerd. Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat de verzekeringsartsen van het UWV ten onrechte geen redenen zien om haar te beperken in haar cognitieve functioneren. Uit de rapporten van de neuroloog blijkt namelijk dat hier wel sprake van is, zelfs als sprake is geweest van onderpresteren bij het neuropsychologisch onderzoek (NPO). Daarnaast stelt eiseres dat er ten onrechte geen forsere urenbeperking is opgenomen. Met de door eiseres bepleite aanvullende beperkingen zijn de geselecteerde voorbeeldfuncties niet passend.
De redenen voor de beslissing van de rechtbank
De zorgvuldigheid van het onderzoek
6. De rechtbank heeft geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek van het UWV onvoldoende zorgvuldig is geweest. Eiseres stelt dat niet, en de rechtbank heeft ook geen tegenstrijdigheden aangetroffen in de rapportages van de verzekeringsartsen. Ook vloeien hun conclusies logisch voort uit hun bevindingen.
Wapengelijkheid
7. Eiseres heeft op de zitting gesteld dat zij het gevoel heeft met 10-0 achter te staan omdat zij geen behandelaar of specialist heeft kunnen vinden die kan vertellen wat er precies met haar aan de hand is. Voor zover eiseres daarmee bepleit dat er geen eerlijk evenwicht is tussen haar mogelijkheden en die van het UWV om standpunten te onderbouwen en dus van wapenongelijkheid (equality of arms) als bedoeld in het Korosec-arrest, volgt de rechtbank dat niet.
7.1.
De rechtbank is namelijk van oordeel dat zowel eiseres als het UWV voldoende in de gelegenheid zijn geweest om bewijsmateriaal te leveren. Eiseres heeft daarvan ook gebruik gemaakt door in bezwaar onder andere stukken van de neuroloog, ergotherapeut en fysiotherapeut in te leveren. Daar komt bij dat het UWV in de bezwaarfase een onafhankelijke derde (een neuropsycholoog van WPEX) heeft ingeschakeld om een NPO te verrichten.
7.2.
Dat eiseres het niet eens is met de medische beoordeling door de neuropsycholoog en vindt dat de rapporten van haar behandelaars onvoldoende recht doen aan de door haar ervaren beperkingen maakt het voorgaande niet anders. Het zijn immers medische stukken die naar hun aard geschikt zijn om twijfel te zaaien over de beoordeling van de verzekeringsartsen van het UWV. Bovendien heeft eiseres op de zitting weliswaar gesteld dat zij diverse specialisten heeft geraadpleegd die haar niet verder hebben kunnen helpen en geen passende diagnose hebben kunnen bieden, maar dat heeft eiseres op geen enkele wijze onderbouwd.
7.3.
Partijen zijn wat betreft de wapengelijkheid naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende in balans en de rechtbank ziet hierin geen aanleiding om een deskundige te benoemen.
De medisch inhoudelijke beoordeling
8. De rechtbank beoordeelt of eiseres met wat zij heeft aangevoerd twijfel heeft doen ontstaan aan de juistheid van de besluitvorming door het UWV. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.
9. Het UWV is ermee bekend dat eiseres lichamelijke en psychische klachten heeft als gevolg van een ongeval (een zeer ongelukkige val). Om die reden zijn diverse beperkingen opgenomen in alle rubrieken van de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 12 december 2024. In hun rapporten hebben de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) uitgelegd waarom zij van oordeel zijn dat er geen sprake is van een situatie van ‘geen benutbare mogelijkheden’ (GBM). Verder hebben zij uitgelegd dat zij in de uitkomst van het NPO geen aanleiding zien voor meer of forsere beperkingen. De verzekeringsarts B&B daarover toegelicht dat de uitkomst van het NPO onbetrouwbaar is omdat er aanwijzingen van onderpresteren zijn.
10. Eiseres stelt dat zij volledig arbeidsongeschikt is. Op de zitting heeft eiseres desgevraagd toegelicht dat zij daarmee niet bedoelt dat er bij haar sprake is van een situatie van GBM. De rechtbank houdt het er daarom voor dat eiseres met ‘volledig arbeidsongeschikt’ bedoelt dat zij forser beperkt is dan de verzekeringsartsen van het UWV in de FML hebben aangegeven, en dat zij met de door haar voorgestane beperkingen niet in staat is om de geselecteerde voorbeeldfuncties uit te voeren. Op de door eiseres bepleite aanvullende beperkingen zal de rechtbank hieronder ingaan.
11. Eiseres stelt dat er ten onrechte geen cognitieve beperkingen zijn opgenomen in de FML. Zij baseert dat op de door haar ervaren beperkingen en op de uitkomst van het NPO.
11.1.
Over het NPO overweegt de rechtbank het volgende. De door eiseres behaalde score was laag, maar de conclusie van de neuropsycholoog was dat het NPO geen cognitieve beperkingen kan objectiveren omdat de uitkomst van het NPO onbetrouwbaar is. Eiseres betwist dat zij ondergepresteerd heeft. De door haar behaalde score was laag, maar dat is dan kennelijk het niveau waarop zij cognitief presteert. Deze stelling vindt de rechtbank onvoldoende om aan het NPO de waarde toe te kennen die eiseres eraan wenst te hechten. Uit de symptoomvaliditeitstest kwamen immers aanwijzingen van onderpresteren. Daarnaast heeft de neuropsycholoog aangegeven dat er ook een forse discrepantie was tussen de tijdens het NPO verrichte observaties en de door eiseres behaalde resultaten. De neuropsycholoog heeft in het rapport opgeschreven dat deze twee punten voldoende aanleiding geven om het NPO onbetrouwbaar te achten. De rechtbank hecht meer waarde aan deze conclusie van de (onafhankelijke) neuropsycholoog dan aan de niet nader onderbouwde stelling van eiseres dat zij niet ondergepresteerd heeft.
11.2.
Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt vervolgens dat een verzekeringsarts voorbij mag gaan aan de resultaten van een NPO als deze onbetrouwbaar blijkt te zijn. Daarom heeft de verzekeringsarts B&B op juiste gronden geen cognitieve beperkingen opgenomen vanwege het NPO.
11.3.
Daar komt bij dat uit het schrijven van de neuroloog blijkt dat er bij eiseres sprake is van commotio cerebri (vrij vertaald: een hersenschudding) na de val, en niet van het ernstigere niet-aangeboren hersenletsel. Ook hebben de primaire arts en de verzekeringsarts B&B bij eigen onderzoek vastgesteld dat eiseres een indruk maakte die niet direct aanleiding gaf tot het opnemen van cognitieve beperkingen. Ook op basis daarvan twijfelt de rechtbank dus niet over de juistheid van het niet-opnemen van cognitieve beperkingen.
11.4.
Wel is het de rechtbank duidelijk dat eiseres forsere (cognitieve) klachten ervaart dan de verzekeringsartsen hebben opgenomen in de FML. De (subjectieve) klachtbeleving van eiseres zelf is bij een beoordeling als deze, in het kader van een WIA-uitkering, echter onvoldoende om beperkingen aan te kunnen nemen. Daarvoor moet worden gekeken naar dat wat objectief medisch is vast te stellen.
Conclusie
14. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep van eiseres ongegrond is. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten. Ook krijgt zij het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.L. Burg, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 22 april 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Zie bijvoorbeeld de uitwerking daarvan in de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2020:303 en ECLI:NL:CRVB:2019:12