Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-03-26
ECLI:NL:RBOBR:2025:1855
Civiel recht
Bodemzaak
2,097 tokens
Inleiding
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/411598 / HA ZA 25-45
Vonnis in incident van 26 maart 2025
in de zaak van
STICHTING DEBITROOM,
te Nieuwkuijk,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: DebitRoom,
advocaat: mr. W. Meijs,
tegen
[gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] ,
advocaat: mr. J.W. Janssens.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 december 2024- de incidentele conclusie tot onbevoegdheid van [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] van 29 januari 2025- de conclusie van antwoord in het incident tot onbevoegdverklaring van DebitRoom van 12 februari 2025- de akte houdende uitlating producties van [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] van 26 februari 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
Geschil
Een korte schets van de hoofdzaak:
2.1.
In de hoofdzaak speelt – samengevat en alleen voor zover van belang in het kader van dit incident – het volgende.
DebitRoom stelt dat zij met de onderneming Omnius Juristen B.V. een overeenkomst van geldlening heeft gesloten. Volgens DebitRoom heeft [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] zich als borg aan die overeenkomst gebonden. Omnius Juristen B.V. is als gevolg van haar faillissement in mei 2024 haar betalingsverplichtingen jegens DebitRoom niet meer nagekomen. DebitRoom heeft daarom [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] als borg aangesproken en vordert in de hoofdzaak van [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] nakoming van zijn betalingsverplichting zoals die voortvloeit uit de (door [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] ondertekende) geldlenings- en borgtochtovereenkomst.
Met betrekking tot de bevoegdheid van deze rechtbank, beroept DebitRoom zich op een forumkeuzebeding in haar algemene voorwaarden, die op de geldlenings- en borgtochtovereenkomst van toepassing zijn.
[gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] heeft nog niet geantwoord in de hoofdzaak.
De vordering en de standpunten van partijen in deze incidentele procedure:
2.2.
[gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van het geschil kennis te nemen, met veroordeling van DebitRoom in de proceskosten.
2.3.
[gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] legt in de kern aan deze vordering ten grondslag, dat hij geen overeenkomst van borgtocht met DebitRoom heeft gesloten. [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] heeft die overeenkomst nooit gezien en dus nooit kunnen ondertekenen. Nu [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] geen borgtochtovereenkomst met DebitRoom heeft gesloten, is het forumkeuzebeding in de aan die overeenkomst verbonden algemene voorwaarden van DebitRoom niet van toepassing. De rechtbank Oost-Brabant is dan niet bevoegd. [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] woont immers in [woonplaats] , wat de rechtbank Zeeland-West-Brabant tot de (relatief) bevoegde rechtbank maakt.
2.4.
DebitRoom voert hiertegen verweer. Zij merkt op dat [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] tracht een voorschot te nemen op de bodemprocedure en de procedure versneld af te doen aan de hand van het standpunt dat de borgtocht ongeldig is, nu die niet door hemzelf is ondertekend.
DebitRoom meent dat [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] ten onrechte stelt dat de borgtocht voor hem een compleet nieuw document is en stelt zich op het standpunt dat de handtekening onder de borgtochtovereenkomst wel degelijk van [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] zelf is. De borgtochtovereenkomst is volgens DebitRoom rechtsgeldig tot stand gekomen. Op grond van het forumkeuzebeding in de algemene voorwaarden is deze rechtbank dus bevoegd, aldus DebitRoom.
Beoordeling
2.5.
De rechtbank overweegt als volgt.
Een incidentele vordering kan worden ingesteld als de vordering een processueel verweer bevat dan wel een processuele aangelegenheid aan de orde stelt zónder dat de rechter daarbij aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil toekomt.
[gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] grondt zijn beroep op de relatieve onbevoegdheid van deze rechtbank op de betwisting dat partijen een borgtochtovereenkomst zijn overeengekomen. Naar het oordeel van de rechtbank betreft de discussie tussen partijen over het al dan niet bestaan van de borgtochtovereenkomst niet een processueel verweer of een processuele aangelegenheid in voormelde zin. De stelling van [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] dat tussen partijen geen borgtochtovereenkomst geldt en wat daarvan de (processuele) gevolgen zijn, behoeft een inhoudelijke beoordeling. Die beoordeling moet in de hoofdzaak plaatsvinden.
Hierbij is verder van belang dat [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] niet heeft betwist dat als hij wél partij zou zijn bij de door DebitRoom gestelde borgtochtovereenkomst, daarop de algemene voorwaarden van DebitRoom van toepassing zijn (met daarin het forumkeuzebeding dat de rechtbank Oost-Brabant als bevoegde rechter aanwijst).
De rechtbank acht zich daarom bevoegd om van de hoofdzaak kennis te nemen.
De proceskosten in het incident:
2.6.
De incidentele vordering van [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] wordt daarom afgewezen. [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) van het incident worden veroordeeld. De proceskosten van DebitRoom worden begroot op:
- salaris advocaat
€
614,00
(1,00 punten × € 614,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
792,00
Dictum
De rechtbank,
in het incident:
3.1.
wijst de incidentele vordering af;
3.2.
veroordeelt [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] in de kosten van het incident, aan de zijde van DebitRoom tot op heden begroot op € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak:
3.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 7 mei 2025 voor antwoord aan de zijde van [gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident] ,
3.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2025.