Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-03-06
ECLI:NL:RBOBR:2025:1294
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,872 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/3604 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. D.M. Gijzen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de WIA-uitkering van eiseres. Het UWV heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd van 80-100% naar 53,41%. Daar is eiseres het niet mee eens en ze voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het wijzigen van het arbeidsongeschiktheidspercentage.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van het UWV
een gebrek bevat. Het UWV heeft namelijk niet goed gemotiveerd waarom eiseres vanwege haar therapieën niet minder uren per week beschikbaar is voor arbeid. De rechtbank doet daarom een tussenuitspraak en stelt het UWV in de gelegenheid om dat gebrek te herstellen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 4 oktober 2023 heeft het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres met ingang van 4 oktober 2023 gewijzigd naar 45,77%. Het door eiseres daartegen gemaakte bezwaar heeft het UWV gegrond verklaard met het besluit van 7 oktober 2024 en daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 48,24%.
2.1.
Eiseres heeft tegen het besluit van 7 oktober 2024 beroep ingesteld. Het UWV heeft op 29 januari 2025 een nieuw besluit genomen en daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres met ingang van 4 oktober 2023 vastgesteld op 53,41%. Het beroep van eiseres richt zich ook tegen dat besluit.
2.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft beroep op 19 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling
Relevante feiten en achtergronden
3. Eiseres heeft zich op 28 april 2021 vanuit de Werkloosheidswet ziek gemeld in verband met psychische klachten. Met ingang van 28 april 2021 kreeg ze een WIA-uitkering. Daarbij heeft het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres vastgesteld op 80 tot 100%. Daarna heeft de besluitvorming plaatsgehad zoals opgenomen onder punt 2 van deze uitspraak.
Het beroep tegen het besluit van 7 oktober 2024
4. Op grond van artikel 6:19 eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) richt een beroep zich van rechtswege ook tegen een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Met het besluit van 29 januari 2025 heeft het UWV ten opzichte van het besluit van 7 oktober 2024 een hogere mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres vastgesteld. Gesteld noch gebleken is dat eiseres nog een procesbelang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van 7 oktober 2024. Het beroep gericht tegen dat besluit wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep tegen het besluit van 29 januari 2025
Standpunt eiseres
5. Eiseres voert aan dat haar bezwaar niet zorgvuldig is getoetst omdat de beoordeling niet is gedaan door een verzekeringsarts B&B. Ze vindt dat er alsnog een beoordeling moet worden gedaan door een bevoegd verzekeringsarts B&B. Verder zal de urenbeperking van 6 uur per dag en vijf dagen per week nieuwe beperkingen opleveren. Eiseres voert daarnaast ook nog enkele arbeidskundige argumenten aan.
Was het onderzoek onzorgvuldig?
6. In de primaire fase is eiseres gezien op een spreekuur door een geregistreerd verzekeringsarts. In de bezwaarfase heeft een arts Bezwaar & Beroep (B&B) de hoorzitting bijgewoond, die aansluitend aan de hoorzitting medisch onderzoek heeft verricht bij eiseres. Het rapport van de arts B&B is mede ondertekend door een geregistreerd verzekeringsarts B&B. Deze manier van handelen is niet onzorgvuldig. De vaste rechtspraak op dit punt schrijft voor dat als in de primaire fase geen sprake is geweest van een spreekuurcontact met een geregistreerde verzekeringsarts, als uitgangspunt geldt dat in de bezwaarfase wél een spreekuurcontact met een verzekeringsarts B&B moet plaatsvinden. Die situatie doet zich hier niet voor; in de primaire fase is immers wel sprake geweest van een spreekuurcontact met een geregistreerde verzekeringsarts. Dat hiermee, zoals namens eiseres tijdens de zitting is betoogd, sprake is van een aan de jurisprudentie spiegelbeeldige situatie, is niet van belang. Het gaat er immers om dat eiseres gezien is door een geregistreerde verzekeringsarts, en dat is hier – in de primaire fase – gebeurd. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Is het besluit voldoende gemotiveerd?
7.1.
De verzekeringsarts heeft in de rapportage van 26 september 2023 als volgt melding gemaakt van de therapieën die eiseres volgde:
“GGZ Momentum, (...) psycholoog
2x in de week, mogelijk daarna nog bewegingstherapie
Verwacht traject van 2 jaar: oa EMDR, traumaverwerking en schematherapie.
Vaste tijden voor therapie:
- Ma 10-11 uur
- Di 10-11 uur
Mogelijk dat de bewegingstherapie wordt ingepland op vrijdag, óf en wanneer is nog niet bekend.”
In verband met deze therapieën heeft de verzekeringsarts in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgenomen dat eiseres twee dagen per week niet beschikbaar is. De belastbaarheid is bepaald op drie dagen per week, acht uur per dag.
7.2.
In de bezwaarfase heeft de arts B&B die belastbaarheid bepaald op vijf dagen per week, zes uur per dag. De arts B&B schrijft het niet eens te zijn met de twee dagen onbeschikbaarheid waar de verzekeringsarts van uit was gegaan, omdat het niet gaat om langdurige behandelingen en eiseres die behandelingen na werktijd had kunnen plannen, zeker als ze de 6 uur werkte die nu in de FML zijn opgenomen.
7.3.
Deze motivering overtuigt de rechtbank niet. Tijdens de zitting heeft eiseres gezegd dat de verschillende vormen van therapie die zij ten tijde van de datum in geding volgde (EMDR, schematherapie en emotieregulatietherapie) erg zwaar voor haar waren en dat zij daarna steeds recuperatietijd nodig had. Op dinsdag had ze twee therapieën en op donderdag één. Eén sessie duurde ongeveer 1,5 uur dus in totaal had ze wekelijks 4,5 uur therapie. Ze was er steeds een hele dag mee bezig, omdat ze ervan moest herstellen. In reactie hierop heeft de gemachtigde van het UWV tijdens de zitting gezegd dat twee dagen niet werken logischer lijkt dan deze therapieën na het werk te volgen. De rechtbank stelt vast dat daarmee het standpunt van de arts B&B door de gemachtigde van het UWV niet wordt gehuldigd en de rechtbank kan dat ook volgen. Dat standpunt is namelijk – populair gezegd – nogal kort door de bocht, omdat het er geen blijk van geeft dat er een oordeel is gegeven over de mogelijkheid dat de therapieën veel energie van eiseres vragen en zij recuperatietijd nodig heeft. Deze beroepsgrond slaagt dus.
Conclusie
8.1.
Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het besluit van 29 januari 2025 niet deugdelijk is gemotiveerd.
8.2.
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.
8.3.
De rechtbank zal het UWV in de gelegenheid stellen om het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering, of met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het besluit van 29 januari 2025. Om het gebrek te herstellen, zal het UWV opnieuw moeten kijken naar de therapieën die eiseres rondom de datum in geding volgde en beoordelen in hoeverre die leiden tot een (uren)beperking wegens behandeling en verminderde beschikbaarheid.
8.4.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak. Mocht het UWV niet in staat zijn om binnen de daarvoor gestelde termijn gebruik te maken van de hiervoor genoemde herstelmogelijkheden, dan zal het UWV binnen die termijn een concreet en gemotiveerd verzoek voor verlenging daarvan moeten indienen bij de rechtbank. De rechtbank merkt daarbij op dat zij alleen in bijzondere gevallen een verzoek om verlenging van de termijn toewijst.
8.5.
Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het UWV gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken na de herstelpoging van het UWV daarop te reageren. In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
8.6.
Procesverloop
8.7.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de arbeidskundige beroepsgronden, de proceskosten, het griffierecht en het verzoek om schadevergoeding nu nog geen beslissing neemt.
Dictum
De rechtbank:
- draagt het UWV op om binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het UWV in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, rechter, in aanwezigheid van E.H.J.M.T. van der Steen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen