Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-01-18
ECLI:NL:RBOBR:2024:516
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,776 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Familierecht
Zaakgegevens: C/01/387237 / FA RK 22-4944 (echtscheiding)
C/01/388355 / FA RK 22-5576 (huwelijksvermogensrecht)
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking van 18 januari 2024
in de zaak van:
[naam] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. R. van Coolwijk,
en
[naam] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. K.G.L. Bovens.
Procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de vrouw met bijlagen 1 tot en met 3, binnengekomen op 7 november 2022;
het verweerschrift van de man met zelfstandige tegenverzoeken met bijlage 1;
het verweerschrift van de vrouw op de zelfstandige verzoeken van de man;
het bericht namens de vrouw van 9 november 2023 met een brief en bijlage;
het bericht namens de man van 21 november 2023 met een brief en bijlagen 2 tot en met 8, en
het bericht namens de vrouw van 23 november 2023 met een brief en bijlagen 3 tot en met 8,
het bericht namens de man van 22 december 2023.
1.2.
De verzoeken en verweren zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling op4 december 2023. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn via videobellen gehoord:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
2Waar gaat het over?
wat staat vast?
2.1.
Partijen zijn op [datum] in de gemeente [plaats] met elkaar getrouwd.
2.2.
Zij zijn de ouders van de meerderjarige:
[naam]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , en
[naam]
, geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .
2.3.
Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opmaken.
wat ligt voor?
2.4.
De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
tussen partijen de echtscheiding uit te spreken, en
de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen op de wijze zoals omschreven in de brief van haar advocaat van 23 november 2023.
2.5.
De man verzoekt de rechtbank, na aanvulling van zijn verzoek, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;
te bepalen dat partijen in hun onderlinge verhouding gelijkelijk draagplichtig zijn voor de (rest)schuld aan [bedrijf] ;
te bepalen dat de inhoud van de deelovereenkomst, door partijen ondertekend op 7 november 2023, deel zal uitmaken van de ten deze te geven beschikking, en
te bepalen dat de saldi op de bankrekeningen onder i tot en met iv aan de man en de saldi op de bankrekeningen onder v tot en met viii aan de vrouw worden toegedeeld, met verrekening bij helfte van de saldi per peildatum 7 november 2022, alsmede te bepalen dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan het wijzigen van de tenaamstelling van de en/of rekening van partijen (onder i en ii).
2.6.
Partijen hebben in onderling overleg regelingen getroffen inzake een deel van de geschilpunten. Zij hebben deze vastgelegd in een op 7 november 2023 door hen beiden ondertekende convenant. Zij verzoeken de rechtbank om te beslissen op de nog bestaande geschilpunten, en voor het overige het convenant aan te hechten.
Beoordeling
echtscheiding
3.1.
De rechtbank zal op verzoek van beide partijen de echtscheiding uitspreken. In de wet staat dat je mag scheiden als je huwelijk duurzaam is ontwricht. Daarvan is sprake als het niet meer mogelijk is om met elkaar samen te leven en dat het er niet naar uitziet dat het beter wordt. Partijen hebben gezegd dat dit zo is.
de verdeling van de gemeenschap van goederen
3.2.
Tussen partijen bestaat nog verschil van mening over de afwikkeling van a) de saldi op de bankrekeningen van partijen en b) de schuld van de man aan [bedrijf] . De rechtbank zal hierna ieder discussiepunt afzonderlijk bespreken.
de saldi op de bankrekeningen
3.3.
Partijen zijn het niet eens over hoe moet worden omgegaan met de verdeling van de saldi op de bankrekeningen als genoemd onder punt 4.12 van het convenant.
3.4.
De vrouw stelt dat de saldi moeten worden verdeeld per de datum van verdeling (en niet eerder) en dat de saldi dienen te worden aangewend voor de aflossing van de schuld aan [bedrijf] , de ex-werkgever van de man. De man is het daar niet mee eens. Hij stelt dat de saldi per de datum van de indiening van het verzoekschrift bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld en dat die saldi dienen te worden gebruikt voor de aflossing van de schuld aan [bedrijf] .
3.5.
De rechtbank stelt voorop dat de huwelijksgemeenschap van partijen door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding van rechtswege is ontbonden op 7 november 2022. Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die (peil)datum hadden moeten worden verdeeld. Als peildatum voor de waardering van de verschillende bestanddelen geldt in beginsel het moment van feitelijke verdeling. Voor wat betreft een bankrekening met een positief (credit-)saldo is evenwel sprake van een vordering op de bank. Een dergelijke vordering dient in de verdeling te worden betrokken voor de waarde daarvan op het moment van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de saldi op de tot de gemeenschap behorende bankrekeningen per de datum dat de gemeenschap is ontbonden moeten worden verdeeld. Dit neemt niet weg dat de man ter zitting heeft toegezegd dat hij al het geld dat hij heeft (zoveel mogelijk) zal aanwenden voor de aflossing van de schuld aan [bedrijf] .
de schuld aan [bedrijf] .
3.6.
De man heeft een schuld aan (zijn voormalige werkgever) [bedrijf] , waar de man werkzaam was op de financiële afdeling. Vast is komen te staan dat de man in de periode januari 2006 tot september 2019 zonder toestemming van [bedrijf] bedragen vanaf de bankrekening van [bedrijf] heeft overgemaakt naar zijn eigen creditcardrekening. Bij (tussen)beschikking van 23 februari 2023 heeft deze rechtbank voor recht verklaard dat de man met de door hem gepleegde handelingen – namelijk het wegsluizen van geldbedragen – onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [bedrijf] . De man is daarom aansprakelijk voor alle als gevolg hiervan door [bedrijf] geleden en nog te lijden schade. Gebleken is dat de man betalingen aan zichzelf heeft verricht voor een bedrag van in totaal € [bedrag] . Op dit moment is de man in afwachting van de beslissing van de rechtbank inzake de vordering van [bedrijf] met betrekking tot de vermogensschade die [bedrijf] heeft geleden en de wettelijke rente.
3.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat de schuld aan [bedrijf] in de huwelijksgemeenschap valt. Omdat er nog een civiele procedure loopt tussen [bedrijf] en de man, is de exacte hoogte van de schuld nog niet bekend.
3.8.
De vrouw stelt dat de verkoopopbrengst van de vermogensbestanddelen, te weten de woning, auto en caravan, samen met de liquide middelen, niet voldoende zal zijn om de schuld aan [bedrijf] geheel af te lossen. In dat geval is de gemeenschap dus ontoereikend om de gemeenschapsschulden te voldoen waardoor er een restschuld zal zijn. Partijen zijn het niet eens over de interne draagplicht voor die restschuld. De vrouw stelt dat de man de restschuld volledig moet dragen en de man stelt dat de restschuld voor rekening van partijen (ieder voor de helft) moet komen.
3.9.
De rechtbank stelt voorop dat uitgangspunt is dat echtgenoten een gelijk aandeel hebben in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden. Voor schulden die in de huwelijksgemeenschap vallen houdt dit in dat echtgenoten daarvoor voor de helft draagplichtig zijn. Mocht echter bij de ontbinding van de gemeenschap de boedel niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, dan kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere draagplicht rechtvaardigen. De stelplicht daarvoor ligt hier bij de vrouw.
3.10.
Ter onderbouwing van haar stelling dat in dit geval moet worden afgeweken van de gelijke draagplicht heeft de vrouw de navolgende feiten en omstandigheden aangevoerd. De vrouw stelt dat de man veel schulden is aangegaan zonder haar medeweten en om onverantwoorde uitgaven te doen. Pas nadat [bedrijf] de man heeft geconfronteerd met de fraude, heeft de vrouw van de man vernomen over de situatie. Tot die tijd wist de vrouw niet dat de man fraudeerde en had zij ook geen enkel vermoeden. De man pleegde de fraude met behulp van zijn ANWB-Visacard die enkel op zijn naam stond. De vrouw verkeerde in de veronderstelling dat die alleen voor vakanties werd gebruikt, te weten voor de tolheffing. Zij stelt nooit afschriften of transacties te hebben gezien, zodat de geldstroom volledig buiten haar om ging. De bedragen afkomstig van [bedrijf] werden voor eigen gebruik gepind. Omdat de man altijd contant geld bij zich had, was dit voor de vrouw niet meer dan normaal. Partijen hebben nooit buitensporige uitgaven gedaan en gingen verantwoord met hun geld om. Dat de man op een gegeven moment de hypotheekschuld op de woning wilde aflossen, was in de visie van de vrouw dan ook (financieel) mogelijk vanwege het normale uitgavepatroon dat partijen hadden. De hypotheek is daardoor volledig afgelost. Verder hadden partijen hun eigen bankrekening van voor het huwelijk. Partijen hadden geen inzicht in elkaars rekening en deden ieder de eigen uitgaven. De man zorgde voor de belastingaangifte en betaalde de meeste rekeningen zoals gas, water en licht. De kinderbijslag werd op de rekening van de man gestort. Omdat partijen iedere maand geld overhielden op hun rekening, heeft de vrouw zich nooit zorgen gemaakt om geld. Zij heeft wel een aantal keren aan de man gevraagd “kan dit allemaal wel?”, maar de man heeft nooit aangegeven dat dit niet het geval was. De vrouw betwist niet dat de gemeenschap van de verduisterde gelden heeft geprofiteerd.
3.11.
De man stelt dat partijen in hun onderlinge verhouding gelijkelijk draagplichtig zijn voor de schuld aan [bedrijf] . De man erkent dat hij fraude heeft gepleegd, maar betwist nadrukkelijk dat hij schulden is aangegaan met als doel om onverantwoorde uitgaven te doen. De bedragen die hij onrechtmatig heeft verkregen zijn altijd besteed aan het gezin van partijen, zoals aan vakanties die contant werden betaald. Feitelijk hebben partijen van de verduisterde gelden geleefd. Het klopt dat de man altijd contant geld bij zich had. Dit werd gebruikt om de kosten van het gezin (de kosten van de gemeenschappelijke huishouding en de kosten van de kinderen) van te betalen. Vanuit de gezamenlijke bankrekening van partijen werden enkel vaste lasten voldaan. Partijen stortten daarnaast bedragen op de opbouwspaarrekening voor de hypothecaire lasten.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, die met elkaar gehuwd zijn op [datum] in de gemeente [plaats] ;
4.2.
bepaalt dat het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte convenant deel uitmaakt van deze beschikking, en verklaart deze beschikking voor dit gedeelte uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
bepaalt dat de saldi van alle bankrekeningen per 7 november 2022 dienen te worden verdeeld;
4.4.
bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan [bedrijf] voor zover die schuld kan worden voldaan uit de goederen van de gemeenschap, en dat indien en voor zover de goederen van de gemeenschap ontoereikend zijn om deze schuld volledig te voldoen, de man voor 100% draagplichtig is voor het meerdere;
4.5.
wijst de verzoeken voor het overige af.
Dit is de beslissing van rechter mr. C. Koopman, tot stand gekomen in samenwerking met griffier mr. N. Kum. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2024 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in ‘s-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Artikel 1:99 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek
Artikel 1:100 lid 1 BW
Artikel 1:100 lid 2 BW