Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-10-09
ECLI:NL:RBOBR:2024:4622
Strafrecht
Raadkamer
1,507 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
[parketnummer]
Raadkamernummer: 24-022479
Beschikking bezwaarschrift dagvaarding
Deze beschikking betreft een blijkens daarvan opgemaakte akte, op 11 september 2024 ter griffie van deze rechtbank ingediend bezwaarschrift als bedoeld in artikel 262 van het Wetboek van Strafvordering.
Het bezwaarschrift is ingediend door:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1966] ,
wonende te [adres] .
en gericht tegen de haar in de zaak met voormeld parketnummer vanwege de officier van justitie op 6 september 2024 betekende dagvaarding om te verschijnen op de terechtzitting van de meervoudige kamer van 25 september 2024, teneinde terecht te staan ter zake van het haar in die dagvaarding ten laste gelegde.
Inleiding.
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafdossier met bovenstaand parketnummer.
In gesloten raadkamer van 25 september 2024 heeft de rechtbank de officier van justitie en de verdachte en de raadsvrouw, mr. [raadsvrouw] , gehoord.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om verdachte ten aanzien van de gehele tenlastelegging buiten vervolging te stellen. In het bezwaarschrift is, kort samengevat, gemotiveerd gesteld dat er onvoldoende aanwijzing is voor de schuld van verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde. De raadsvrouw heeft ten aanzien van het primair ten laste aangevoerd dat uit de feiten niet kan blijken van een vooropgezet plan tot moord, in welke beraming verdachte een substantiële rol zou hebben gespeeld. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte gelet op haar toestand van bedwelming met drugs, medicatie en alcohol, niet geacht kan worden hulp en steun te hebben verleend bij de moord en de ondergrens van medeplichtigheid dus niet is bereikt. Tot slot heeft de raadsvrouw zich ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat verdachte niet geacht kan worden een aanmerkelijke schuld – in de zin van het welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s te nemen met als gevolg de dood van het slachtoffer – te hebben gehad, omdat zij in een toestand van laag bewustzijn was door de bedwelming met onder meer medicatie, alcohol en drugs. Bovendien is de omschrijving van de culpa in de tenlastelegging niet op feiten van [verdachte] gebaseerd. Daarnaast kan de zelfstandig te beoordelen schuld onder druk komen staan door de schuld van anderen aan hetzelfde gevolg. De raadsvrouw stelt dat die schuld ook kan vervliegen door de schuld van een ander.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift tegen de dagvaarding ongegrond moet worden verklaard. Daartoe is aangevoerd dat het in deze zaak niet hoogst onaannemelijk is dat een later oordelende strafrechter geheel of ten dele tot een bewezenverklaring zal komen. De officier van justitie ziet voldoende aanwijzingen dat er bij verdachte sprake is van schuld en heeft verder aangevoerd dat de discussie over de kwalificatie van het handelen van verdachte op een inhoudelijke zitting dient te worden gevoerd.
Beoordeling
Het bezwaarschrift is tijdig ingediend, immers vijf dagen na betekening van de onderhavige dagvaarding.
De raadkamer stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een bezwaarschrift tegen de dagvaarding een summier karakter draagt, waarbij niet vooruit moet worden gelopen op het onderzoek ter terechtzitting. De vraag die voorligt, is of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter door de voor hem geleverde bewijsvoering het tenlastegelegde geheel of gedeeltelijk bewezen zal verklaren. Ook de doeltreffendheid van verweren moet met inachtneming van dit beperkte karakter van het uit te voeren onderzoek beoordeeld worden.
De raadkamer overweegt ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen. In het dossier zijn onvoldoende aanknopingspunten om tot een veroordeling van het medeplegen van moord, dan wel doodslag, te komen. De door de officier van justitie aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2013:BZ2942) is niet vergelijkbaar met onderhavige zaak. De raadkamer zal het bezwaarschrift op dit onderdeel dan ook gegrond verklaren.
Ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde is de raadkamer van oordeel dat, gelet op de inhoud van het dossier en de verklaringen van verdachte, de dagvaarding de afstandelijke toets kan doorstaan en zal wat in het bezwaarschrift naar voren is gebracht tijdens het onderzoek ter terechtzitting verder moeten worden onderzocht. Het tot op heden voorhanden zijnde bewijsmateriaal is op dit moment van dien aard, dat niet gezegd kan worden dat er vooralsnog onvoldoende aanwijzing van schuld aanwezig is in de zin van artikel 262, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Gelet op het vorenstaande zal de raadkamer daarom beslissen als volgt:
BESCHIKKING
De rechtbank:
- verklaart het bezwaarschrift gegrond ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit;
- verklaart het bezwaarschrift ongegrond ten aanzien van de subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feiten.
Deze beschikking is gegeven in raadkamer op 9 oktober 2024 door:
mr. C.M. Zandbergen, voorzitter,
mr. C.A. Mandemakers en mr. M. Lochs, leden,
in tegenwoordigheid van mr. G.H.P. van den Berkmortel, griffier.
De voorzitter De griffier