Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-09-09
ECLI:NL:RBOBR:2024:4165
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
6,112 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 24/2730 en SHE 24/2703
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 september 2024 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R. Janssen),
en
de burgemeester van de gemeente Helmond, de burgemeester
(gemachtigde: mr. M. van Dam - Benders en mr. F.A. Pommers).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: woningbouwvereniging [naam] uit [vestigingsplaats] (derde-partij).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het bestreden besluit van de burgemeester om de woning aan de [adres] in [woonplaats] (de woning) en de daarbij behorende erven te sluiten voor de duur van vier maanden. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoekster daartegen. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
1.1.
Met het bestreden besluit van 1 juli 2024 op het bezwaar van verzoekster is de burgemeester bij besluit gebleven tot sluiting van de woning en de bijbehorende erven voor een termijn van vier maanden.
1.2.
Bij e-mail van 22 juli 2024 heeft de burgemeester laten weten dat hij bereid is om te wachten met de uitvoering van het bestreden besluit tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.
1.3.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van de burgemeester.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. De woning is eigendom van derde-partij die de woning verhuurt aan verzoekster. Verzoekster woont in de woning met haar drie minderjarige kinderen [naam] , geboren op [geboortedatum] 2018, [naam] , geboren op [geboortedatum] 2020 en [naam] geboren op [geboortedatum] 2023.
3. Naar aanleiding van informatie aan de wijkagent binnenstad [woonplaats] en een Misdaad Melding Anoniem melding aan de politie Peelland over handel in drugs vanuit de woning, is Teamrecherche Peelland een onderzoek gestart. Op 1 februari 2024 heeft de politie waargenomen dat twee ambtshalve bekende harddrugsgebruikers via de achterpoort het perceel van de woning betraden en dit korte tijd later weer verlieten. Op
1 februari 2024 is de politie de woning binnengetreden. In de woning werd [naam] , de partner van verzoekster, aangetroffen die via de achterzijde van de woning probeerde te vluchten. [naam] droeg een nektasje waarin het volgende werd aangetroffen:
140,49 gram cocaïne;
7,49 gram base cocaïne;
24 gram heroïne;
8,08 gram hennep.
Ook zijn drie (drugs)telefoons aangetroffen.
Aansluitend werd de woning doorzocht. In totaal heeft de politie in en rond de woning de volgende verdovende middelen aangetroffen:
902,98 gram cocaïne;
24 gram heroïne;
14,70 gram hennep.
Verder werd in de woning € 15.510,- aan contant geld, verpakkingsmaterialen en cocaïneresten aangetroffen. Van deze bevindingen is een bestuurlijke rapportage opgemaakt.
4. Op 12 februari 2024 heeft de burgemeester aan verzoekster de vooraankondiging bekendgemaakt om de woning voor de duur van vier maanden te sluiten. Verzoekster heeft op 15 februari 2024 gereageerd met een zienswijze.
5. Met het primaire besluit van 27 februari 2024 heeft de burgemeester besloten om de woning met daarbij behorende erven voor de duur van vier maanden te sluiten met ingang van 13 maart 2024 op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De burgemeester vindt dat hij bevoegd is om de woning te sluiten, omdat in de woning en de bijbehorende erven een handelshoeveelheid drugs is aangetroffen en er indicaties zijn voor professionele handel in drugs vanuit de woning. Verder vindt de burgemeester dat de woningsluiting noodzakelijk en evenredig is waarbij hij alle betrokken belangen heeft afgewogen. Er zijn volgens de burgemeester geen bijzondere omstandigheden om op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht van zijn beleid af te wijken en van de woningsluiting af te zien.
6. Verzoekster heeft bezwaar ingediend tegen het primaire besluit en ook de voorzieningenrechter verzocht om het primaire besluit te schorsen.
7. De voorzieningenrechter heeft dat verzoek behandeld op 19 maart 2024 en het primaire besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
8. Op 16 mei 2024 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. De bezwaarschriftencommissie heeft de burgemeester geadviseerd dat het primaire besluit in stand kan blijven, mits de burgemeester bij de beslissing op bezwaar duidelijk toelicht waar verzoekster en haar kinderen tijdens de woningsluiting zullen verblijven en daarbij motiveert waarom dit een passende en veilige plek is voor hen.
9. De burgemeester heeft daarop het bestreden besluit genomen, waarin de sluiting wordt gehandhaafd voor een duur van vier maanden. De burgemeester heeft er wel op gewezen dat hij een inspanningsverplichting heeft en geen resultaatsverplichting ten aanzien van de vervangende woonruimte en daarom in zoverre het advies van de bezwaarschriftencommissie niet overneemt. Wel doet de burgemeester in het bestreden besluit de toezegging dat er tijdens de woningsluiting een passende en veilige verblijfplaats voor verzoekster en haar kinderen in [woonplaats] zal zijn.
Beoordeling
10. De voorzieningenrechter beoordeelt of de burgemeester heeft mogen besluiten om de woning en de daarbij behorende erven te sluiten voor de duur van vier maanden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
11. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
12. De voorzieningenrechter beoordeelt deze zaak in het licht van de uitspraken van de Afdeling van 28 augustus 2019 (de zogenoemde overzichtsuitspraak), 2 februari 2022 en 6 juli 2022.
Bevoegdheid van de burgemeester
13. Verzoekster heeft op de zitting laten weten dat zij de bevoegdheid van de burgemeester om de woning te sluiten betwist. Desgevraagd verwijst ze voor de motivering van deze betwisting naar het beroepschrift en zegt ze zich te refereren aan het oordeel van de voorzieningenrechter.
14. De voorzieningenrechter ziet in het beroepschrift geen duidelijke gronden die zien op de betwisting van de bevoegdheid van de burgemeester, anders dan dat wordt aangevoerd dat er niet vanuit de woning werd gehandeld. Waar de drugs dan wel voor waren, wordt niet toegelicht door verzoekster. Verzoekster voert niets concreets aan waaruit kan worden opgemaakt dat de drugs niet voor de handel bestemd zouden zijn. De enkele ontkenning dat er vanuit de woning werd gehandeld, is onvoldoende om niet uit te gaan van drugs bestemd voor de handel gelet op de informatie die is opgenomen in de bestuurlijke rapportage over wat er is gevonden en geconstateerd door de politie. De hoeveelheid drugs die in de woning is gevonden, moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden aangemerkt als een handelshoeveelheid. De burgemeester is daarom op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd om de woning te sluiten.
Is de sluiting evenredig?
15. Verzoekster vindt dat het voor de openbare orde en veiligheid niet nodig is om de woning te sluiten en zeker niet voor een termijn van vier maanden. Verzoekster stelt in dit verband dat buurtbewoners nooit overlast hebben ervaren, dat de drugs niet in de woning zijn aangetroffen en dat niet is aangetoond dat er vanuit de woning is gedeald. Verzoekster stelt verder dat zij niet wist van de aanwezigheid van de drugs in de schuur.
Noodzakelijkheid van de sluiting
16. Bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting is de vraag aan de orde of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet worden beoordeeld of sluiting van een pand noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Voor de beoordeling van de ernst en omvang van de overtreding is van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld. Met een sluiting wordt de bekendheid van de woning als drugspand weggenomen en wordt de "loop" naar de woning eruit gehaald. Daarmee wordt beoogd om de woning aan het drugscircuit te onttrekken. Dat drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit de woning, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit de woning zoals gripzakjes, ponypacks en/of een (grammen)weegschaal. Als aanwijzingen dat drugs in of vanuit de woning werden verhandeld afwezig zijn, en ook andere omstandigheden ontbreken die volgens de overzichtsuitspraak bij de beoordeling van de noodzaak van de sluiting van belang zijn, zoals de omstandigheid dat het gaat om harddrugs, een recidivesituatie en de ligging van een pand in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk, kan dit ertoe leiden dat er geen noodzaak bestaat om de woning te sluiten.
17. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de sluiting van de woning noodzakelijk is gelet op de ernst en omvang van de overtreding. Bij de politie zijn meldingen gekomen van verdenking van drugshandel in en vanuit de woning door de partner van verzoekster. In de op ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportage staat dat door de rapporteur (inspecteur van de politie) is waargenomen dat ten minste twee ambtshalve bekende harddrugsgebruikers via de achterpoort het perceel van de woning betraden en dit korte tijd later weer verlieten. Anders dan door verzoekster is betoogd, is er geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van wat er in de rapportage is opgeschreven. De enkele stelling van verzoekster dat zij de politie niet gelooft, is onvoldoende. Dit temeer gezien in het licht van het aantreffen van de partner in de woning met om zijn nek een tasje met daarin drugs en drie telefoons en het feit dat de partner daarmee probeerde te vluchten. Bovendien zijn er verpakkingsmaterialen en een grote hoeveelheid contant geld in de woning aangetroffen. Er waren dus meerdere aanwijzingen dat in of vanuit de woning drugs werd verhandeld. Daarmee vervulde de woning een rol binnen de keten van drugshandel, wat op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert. Daarbij komt dat het in dit geval gaat over een zeer ruime hoeveelheid harddrugs die de gebruikershoeveelheid ver overschrijdt en ligt de woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk die in 2019 is aangewezen geweest als veiligheidsrisicogebied. Op de zitting heeft de burgemeester toegelicht dat er in de periode van 2014 tot nu al 14 woningen zijn gesloten op grond van de Opiumwet. Gelet op die omstandigheden volgt de voorzieningenrechter de burgemeester in zijn standpunt dat er geen minder belastende maatregel is om hetzelfde doel te bereiken, namelijk het voorkomen van herhaling, het afgeven van een duidelijk signaal van daadkrachtig optreden tegen overtredingen van de Opiumwet en het zichtbaar onttrekken van het pand met bijbehorende erven als schakel in de drugsketen.
18. De voorzieningenrechter volgt verzoekster niet in haar stelling dat de burgemeester had moeten volstaan met een waarschuwing en dat direct sluiten in strijd is met de Opiumwet. Bij dat oordeel betrekt de voorzieningenrechter de hiervoor aangegeven ernst en de omvang van de overtreding en met inachtneming van de geschiedenis van de totstandkoming van de Opiumwet. Zoals volgt uit eerdere uitspraken van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 24 mei 2017 is in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet namelijk in algemene zin vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Maar dit moet worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken. Omdat zoals overwogen in dit geval sprake is van een ernstig geval, wordt verder niet toegekomen aan een toetsing van het beleid van de burgemeester.
Evenwichtigheid van de sluiting
19. Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van de woning noodzakelijk is, dient hij zich ervan te vergewissen dat de duur van de sluiting evenwichtig is, ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel. In de overzichtsuitspraak is overwogen dat bij de beoordeling van de evenwichtigheid verschillende omstandigheden van belang zijn, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met de woning, de mogelijkheid om weer in de woning terug te keren, of de overtreder door sluiting van de woning op een zwarte lijst komt te staan bij een woningbouwcorporatie als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio en of er minderjarige kinderen in de woning wonen.
Conclusie
28. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de burgemeester de woning mag sluiten. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Bos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. V.A.C.M. Vonk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
9 september 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2019:2912.
ECLI:NL:RVS:2022:285.
ECLI:NL:RVS:2022:1911.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2444.
ECLI:NL:RVS:2017:1362.
Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8 en Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van ECLI:NL:RVS:2023:1142, onder 5.4.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3402, onder 7.3.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2106.
ECLI:NL:RVS:2023:1142, r.o. 7.6.1.
Beoordeling
De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. Inherent aan de sluiting van de woning is dat de bewoner de woning moet verlaten. Dat is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid.
Mate van verwijtbaarheid
20. In de woning is een ruime hoeveelheid harddrugs aangetroffen die de maximaal toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik ver overschrijdt, namelijk met wel ruim 1800 keer. De burgemeester mag van verzoekster als (hoofd)bewoonster van de woning verlangen dat zij toezicht uitoefent op wat er gebeurt in de woning. Verzoekster moest en kon redelijkerwijs op de hoogte zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat verzoekster zelf heeft gewezen op een plek in de woning waar veel contant geld lag. De stelling dat zij niet wist van de aanwezigheid van drugs is niet aannemelijk. De drugs zijn op meerdere plekken gevonden. Niet alleen in de berging, maar ook in de serre in een la van een tafeltje zijn resten cocaïne gevonden. Dat verzoekster daar niet op heeft gelet, komt voor haar eigen risico. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat verzoekster in haar beroepschrift het volgende heeft opgenomen.
“[eiseres] wilde en wil niet dat de heer [naam] permanent bij haar inwoont. De heer [naam] heeft een crimineel verleden en heeft zijn eigen ouders in het verleden ernstig in de problemen gebracht met die criminele activiteiten en dat wilde [eiseres] voorkomen. […]”.
Dit heeft zij op de zitting zelf ook met zoveel woorden herhaald. Het feit dat verzoekster op de hoogte was van het criminele (drugs)verleden van haar partner en dat dit eerder heeft geleid tot een sluiting van de woning zijn ouders, maakt dat haar valt te verwijten dat zij haar partner geen nadere vragen heeft gesteld over de aanwezigheid van de (grote) hoeveelheid geld die hij in haar woning bewaarde en niet in zijn eigen woning of andere vragen over zijn doen en laten in en rond haar woning. Niet valt in te zien dat wanneer het buurtbewoners wel opvalt dat vanuit de woning wordt gedeald en de rapporteur in korte tijd twee mensen voor korte tijd het perceel van de verzoeksters woning zien opgaan, verzoekster dit alles niet zou hebben gemerkt. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat verzoekster ten tijde van de meldingen van buurtbewoners nog niet aan het werk was. Er is dan ook geen sprake van een situatie, waarbij iedere betrokkenheid van verzoekster bij de overtreding ontbreekt.
De huurovereenkomst met derde-partij en de plaatsing op een zwarte lijst
21. Verzoekster stelt dat de woningbouwvereniging de huurovereenkomst gaat ontbinden en dat zij op een zogenoemde zwarte lijst wordt geplaatst als de woning wordt gesloten.
22. Op de zitting heeft verzoekster toegelicht dat sprake is van een signaleringslijst. Wanneer men uit een woning wordt gezet, kan men drie jaar lang geen woning huren bij dertien woningcorporaties in Zuidoost-Brabant. Verzoekster heeft verder verklaard al op deze lijst te staan, omdat zij woningruil heeft geprobeerd maar te horen kreeg dat dat niet kon, omdat zij al gesignaleerd staat.
23. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de stukken volgt (en door partijen op zitting is bevestigd), dat de derde-partij al een gerechtelijke procedure is gestart om de huurovereenkomst met verzoekster te ontbinden. Ook heeft verzoekster verklaard dat ze al op de signaleringslijst staat. Dat betekent dat dit handelen van de derde-partij los staat van de sluiting van de woning door de burgemeester. De gerechtelijke ontbinding en de plaatsing op de signaleringslijst zijn geen gevolgen die voortvloeien uit het besluit van de burgemeester. De burgemeester heeft deze gevolgen benoemd in het besluit, maar heeft daaraan in zijn besluitvorming geen zwaarder gewicht hoeven toe te kennen dan dat hij daaraan heeft toegekend.
De belangen van de minderjarige kinderen
24. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de overzichtsuitspraak is de aanwezigheid van minderjarige kinderen in een woning op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de burgemeester van een sluiting moet afzien. Wel kan de aanwezigheid van minderjarige kinderen tezamen met andere omstandigheden maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Zo is het in het licht van artikel 8 van het EVRM en het Verdrag inzake de rechten van het kind wel van belang dat de burgemeester zich voldoende rekenschap geeft van het feit dat in een woning minderjarige kinderen wonen. In beginsel zijn de ouders van minderjarige kinderen zelf verantwoordelijk voor het vinden van vervangende woonruimte. Echter ook hier geldt dat de burgemeester zich dient te informeren over geschikte opvang, waarbij gekeken moet worden in hoeverre het kind of de betrokken ouders of verzorgers zelf in staat zijn om iets te regelen.
25. De burgemeester wijst er naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op dat dit laatste gaat om een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting, zoals ook volgt uit rechtspraak van de Afdeling. De burgemeester heeft daarbij ook verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, waaruit volgt dat het in de eerste plaats aan verzoekster is om een vervangende verblijfsplaats te vinden en zij ook zal moeten onderbouwen waarom zij daartoe niet in staat is.
26. Verzoekster heeft desgevraagd op de zitting verklaard dat zij haar moeder heeft gevraagd, maar daar niet terecht kan. Verzoekster heeft nog een vriendin, maar daar zou ze ook niet terecht kunnen met haar drie kinderen omdat die woning te klein is. Nadat een medewerker van Sociale Teams Helmond verzoekster heeft laten weten niets te kunnen vinden, heeft verzoekster niet meer verder gezocht.
27. De voorzieningenrechter vindt dat verzoekster onvoldoende heeft aangetoond dat zij al het mogelijke heeft onderzocht en nergens terecht kan. Van bovengenoemde pogingen zijn geen stukken overgelegd. De burgemeester heeft er terecht op gewezen dat uit het dossier blijkt dat verzoekster haar moeder pas wil vragen als zij zeker weet dat zij niet in haar eigen woning mag blijven. Ook heeft de burgemeester mogen meewegen dat verzoekster heeft verklaard spaargeld te hebben en dat zij daarmee tijdelijk verblijf elders zou moeten kunnen bekostigen. De burgemeester heeft verzoekster een vangnet geboden en heeft toegezegd dat als verzoekster echt nergens terecht kan tijdens de sluiting van de woning, er plek voor haar en haar kinderen is in de buurt van de woning, zodat de kinderen tijdens de woningsluiting niet naar een andere school hoeven en niet uit hun vertrouwde sociale omgeving weg hoeven. Verzoekster heeft geen bijzondere binding met de woning zelf. Dat verzoekster mogelijk na de sluiting niet meer terug kan keren in de woning, is – zoals onder 22 overwogen - geen gevolg van de besluitvorming van de burgemeester. De burgemeester heeft daarom daaraan ten aanzien van de kinderen geen groot gewicht hoeven toekennen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester zich voldoende rekenschap gegeven van het feit dat in de woning minderjarige kinderen wonen en heeft hij met het voorgaande ruimschoots voldaan aan de inspanningsverplichting die op hem rust.