Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-02-05
ECLI:NL:RBOBR:2024:1443
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,592 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK OOST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer : C/01/400874 / FA RK 24-288
Uitspraak : 5 februari 2024
Beschikking opvolgende rechterlijke machtiging
naar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een opvolgende machtiging voor de duur van een jaar als bedoeld in artikel 24 e.v. van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
[naam betrokkene]
geboren op [geboortedatum] , te [geboorteplaats],
wonende te [postcode] [woonplaats], [adres],
verblijvende [naam instelling], [adres instelling], [postcode] [plaats],
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. P-P.F. Tummers.
Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 23 januari 2024.
Bij het verzoekschrift zijn diversen bijlagen gevoegd, waaronder de medische verklaring van 28 december 2023.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 5 februari 2024, in de voornoemde verblijfplaats, De rechtbank heeft de volgende personen gehoord:
betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
mevrouw [naam], zorgverantwoordelijke;
[naam], arts.
Beoordeling
Op 30 augustus 2023 is door de rechtbank een machtiging opname en verblijf verleend tot en met 29 februari 2024.
Tijdens de mondelinge behandeling verzoekt de advocaat van betrokkene om het CIZ niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het zorgplan gedateerd is en niet ondertekend is. De rechtbank is van oordeel dat het CIZ ontvankelijk is in het verzoek, ondanks dat het zorgplan niet is ondertekend. Er is op 13 december 2023 nog een aantekening gemaakt in de rapportages waarmee het zorgplan is aangevuld, waardoor de rechtbank van oordeel is dat de stukken zijn gebaseerd op actuele informatie. Het is geen wettelijk vereiste dat het zorgplan ondertekend dient te zijn, hetgeen ander is dan bij de medische verklaring.
Uit de overgelegde stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening. Betrokkene kampt met dementie, waarschijnlijk mengbeeld M. Alzheimer en vasculair.
Deze psychogeriatrische aandoening leidt tot ernstig nadeel, gelegen in: ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang, de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept.
Betrokkene kan niet meer adequaat omgaan met haar diabetes. Ook is er kans op valgevaar. Betrokkene rookt veel, wat voor gevaarlijke situaties kan zorgen. Betrokkene is snel angstig en kan niet goed alleen zijn. Zij heeft, toen zij nog thuiswonend was, vijf weken doorgebracht bij haar buurman. Zij toont claimend gedrag doordat zij niet graag alleen wil zijn.
De voortzetting van het verblijf is noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene heeft 24 uur zorg per dag nodig. Binnen de accommodatie kan betrokkene de zorg krijgen die zij nodig heeft. Er kan een veilige en gestructureerde omgeving worden gecreëerd.
Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Het is niet gelukt om het ernstig nadeel te verminderen met de ingezette zorg in de thuissituatie. Het mantelzorgsysteem was overbelast geraakt.
De advocaat verzoekt subsidiair om het verzoek af te wijzen, omdat er geen sprake is van verzet. Het verbaal verzet van betrokkene is niet consistent genoeg om het verzoek toe te wijzen. Daarbij beroept hij zich op de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 maart 2023 (ECLI:NL:RBGEL:2023:1611). De rechtbank is anders dan de advocaat van oordeel dat gebleken is dat betrokkene zich verzet tegen de voortzetting van het verblijf. Betrokkene geeft, net als in de door de advocaat aangehaalde uitspraak, consistent verbaal aan dat zij naar huis toe wil en dat zij niet bij de accommodatie wil verblijven. Volgens de zorgverantwoordelijke geeft betrokkene meerdere keren per dag aan dat zij naar huis toe wil en dat zij niet bij de accommodatie wil verblijven. Ook tijdens de zitting gaf betrokkene herhaaldelijk aan naar huis te willen en niet te willen blijven. Dat betrokkene geen aanstalten maakt om naar huis te gaan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan haar duidelijke en consistente wens om naar huis te willen. Het is immers duidelijk dat betrokkene niet instemt met de voortzetting van het verblijf.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een opvolgende rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf als bedoeld in de Wzd. De machtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van een jaar, en geldt dus tot en met 5 februari 2025.
Dictum
De rechtbank:
verleent een opvolgende machtiging tot voortzetting van het verblijf ten aanzien van: [naam betrokkene], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 5 februari 2025.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.C.M. de Klerk, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2024 in aanwezigheid van de griffier.
Conc: HNvd(G
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.