Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-03-14
ECLI:NL:RBOBR:2024:1037
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,573 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 23/1146 en SHE 23/1556
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 maart 2024 in de zaken tussen
[naam] , uit [woonplaats] , eiser 1,
(gemachtigde: mr. dr. J.J.J. de Rooij),
[naam] , [naam] en [naam], eisers 2, uit [woonplaats]
(gemachtigde: mr. dr. J.J.J. de Rooij),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk, het college,
(gemachtigden: mr. M. van Moorsel en mr. J. van der Velden).
Inleiding
1.1
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers 1 en 2 tegen het besluit van 16 maart 2023 waarbij het college de aan eiser 1 verleende omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en e, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor een intensieve veehouderij aan de [adres] (de projectlocatie) heeft ingetrokken omdat gedurende drie jaar geen gebruik is gemaakt van deze vergunningen.
1.2
Eiser 1 en eisers 2 hebben hiertegen afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep van eiser 1 is geregistreerd onder zaaknummer SHE 23/1146, dat van eisers 2 onder zaaknummer SHE 23/1556.
1.3
Het college heeft een verweerschrift overgelegd.
1.4
De rechtbank heeft de beroepen op 20 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers 1 en 2, alsmede eiser 1, [naam] en [naam] namens eisers 2 en de gemachtigden van het college.
Beoordeling
2. De rechtbank geeft eerst een uitgebreid overzicht van de feiten en de positie van eisers 2 en beoordeelt vervolgens de rechtmatigheid het besluit tot intrekking van de aan eiser 1 verleende omgevingsvergunningen voor de activiteiten “bouwen” en “milieu” aan de hand van de beroepsgronden van eisers.2.1 De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De voor de beoordeling van de beroepen van belang zijnde wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Feiten
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
Op 1 juni 2001 en op 9 november 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Sint Anthonis op basis van de Wet milieubeheer voor de inrichting op de projectlocatie aan eiser 1 een revisievergunning respectievelijk een veranderingsvergunning verleend. Dit zijn thans omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder 1, onder e, onder 3°, van de Wabo.
Op 12 maart 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Sint Anthonis op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en e, onder 2° en 3°, van de Wabo voor de inrichting aan eiser 1 een omgevingsvergunning voor de activiteiten “milieu” (veranderen) en “bouwen” verleend voor een loods, drie luchtwassers en een luchtkanaal.
Op 21 mei 2015 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan eiser 1 een vergunning verleend op basis van de Natuurbeschermingswet 1998 (oud) voor het uitbreiden/wijzigen van de veehouderij.
Bij besluit van 12 mei 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Sint Anthonis eiser 1 een last onder dwangsom opgelegd om het aanvoeren en opslaan van mest van derden te staken en gestaakt te houden.
Bij besluit van 27 februari 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Sint Anthonis besloten tot invordering van een bedrag van € 60.000,00 aan verbeurde dwangsommen. Het hiertegen gerichte bezwaar van eiser 1 is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het hiertegen door eiser 1 ingestelde beroep in de uitspraak van deze rechtbank van 10 oktober 2019 gegrond verklaard omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de op 12 mei 2017 opgelegde last onder dwangsom is overtreden. Deze uitspraak is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 mei 2021. Zowel de rechtbank als de Afdeling hebben vastgesteld dat de inrichting al enige tijd niet meer in bedrijf was. De Afdeling heeft daarbij (onder meer) van belang geacht dat over de hoofdlijn van de herkomst van mest dan wel vloeistoffen in de stallen niet wisselend is verklaard. Die hoofdlijn luidt dat de mest niet afkomstig is van derden maar van het eigen perceel en is overgepompt in het kader van opknap- en schoonmaakwerkzaamheden in de stallen.
Eiser 1 is bij e-mailbericht van 13 september 2021 medegedeeld dat een ontwerp-beschikking tot intrekking wordt voorbereid.
Op 28 september 2021 heeft de gemeente Sint Anthonis een ontwerpbesluit tot intrekking van de omgevingsvergunningen van 1 juni 2001, 9 november 2009 en 12 maart 2015 voor de activiteiten “bouw” en “milieu” aan eiser 1 toegezonden. Eiser 1 heeft zienswijzen ingediend.
Op 10 december 2021 hebben eiser 1 en eisers 2 een intentieverklaring getekend over de projectlocatie.
Bij besluit van 14 december 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Sint Anthonis besloten uiterlijk 21 december 2021 kennis te nemen van de ondertekende overeenkomst tussen eiser 1 en eisers 2 en dan de intentieovereenkomst tussen de gemeente Sint Anthonis en eiser 1 te ondertekenen. Ter zitting heeft het college desgevraagd aangegeven dat ervan mag worden uitgegaan dat deze ondertekening daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Het college heeft een anterieure overeenkomst, gedateerd 2 mei 2022, met als partijen de gemeente Land van Cuijk en eiser 1 opgesteld.
Op 25 mei 2022 hebben eisers 2 een “Kennisgeving milieueffectrapportage wijziging varkenshouderij” voor de projectlocatie opgesteld.
Bij brief van 25 juli 2022 heeft het college eiser 1 geattendeerd op de voortgang van het traject inzake verplaatsing van het varkensbedrijf van eisers 2 van een andere locatie naar de projectlocatie. Daarbij is aangegeven dat uiterlijk voor het einde van het jaar 2022 een concreet plan in procedure moet zijn gebracht. Het eerder genomen besluit met betrekking tot de intrekking van de vergunning voor de projectlocatie blijft gehandhaafd.
Op 12 oktober 2022 heeft een toezichthouder een controle uitgevoerd, waarbij is geconstateerd dat er op de projectlocatie geen dieren aanwezig zijn. De staat van de gebouwen is als vervallen te beschouwen. Tijdens de controle is ook geconstateerd dat de mestkelder onder de loods gevuld was met een dunne vloeistof. Op 18 januari 2023 heeft ter plaatse een hernieuwde controle plaatsgevonden. De toezichthouders hebben geconcludeerd dat de staat van de gebouwen onveranderd was ten opzichte van de voorgaande controle (oktober 2022). Er vonden geen bouwwerkzaamheden plaats en er was geen nieuwe loods, luchtwasser en/of luchtkanaal gebouwd. Tijdens de controle is geconstateerd dat de kelder onder de loods gevuld was met een vloeistof. De Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) heeft monsters genomen om na te gaan te gaan of het dunne fractie betreft. Op 8 februari 2023 heeft de NVWA aangegeven dat de waardes zo laag zijn dat de vloeistof niet als mest wordt beschouwd. Waarschijnlijk betreft het regenwater met oude mestresten die in de put zijn achtergebleven.
Op 21 november 2022 heeft eiser 1 het college per e-mail bericht dat is gestart met de vergunde bouwwerkzaamheden op de projectlocatie.
Het college heeft tot op de dag van de zitting geen stappen ondernomen of mededelingen gedaan naar aanleiding van de door eisers 2 gedane kennisgeving milieueffectrapportage.
4.1
Met het bestreden besluit heeft het college de volgende vergunningen, op grond van artikel 2.33, tweede lid onder a, van de Wabo, ingetrokken:
- de op 1 juni 2001 op basis van de Wet milieubeheer verleende revisievergunning (omgevingsvergunning voor de activiteit milieu);
- de op 9 november 2009 op basis van de Wet milieubeheer verleende veranderings-vergunning (omgevingsvergunning voor de activiteit milieu);
- de op 12 maart 2015 op basis van de Wabo onder nummer O-13-02211 verleende omgevingsvergunning voor het veranderen van de varkenshouderij en het bouwen van een loods, drie luchtwassers en een luchtkanaal.
De intrekking heeft betrekking op het houden van dieren en op de vergunde - niet gerealiseerde - bebouwing.
4.2
Het bestreden besluit is een besluit genomen op grond van de Wabo. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. Omdat sprake is van een ambtshalve genomen besluit dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 Awb, waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd voor 1 januari 2024, volgt uit artikel 4.4 van de Invoeringswet Omgevingswet dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht.
Positie eisers 2
5. Eisers 2 hebben geen zienswijzen ingediend tegen het ontwerpbesluit. Hun beroep is desondanks ontvankelijk als zij als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Anders dan het college is de rechtbank van oordeel dat eisers 2 een eigen rechtstreeks betrokken belang hebben. Zij hebben op basis van de ingetrokken vergunningen kosten gemaakt voor de kennisgeving milieueffectrapportage voor de wijziging van de varkenshouderij op de projectlocatie en de kennisgeving zelf gedaan. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat eisers 2 schade hebben geleden door het bestreden besluit en ten tijde van het bestreden besluit betrokken waren in een proces tot wijziging van de inrichting. Daarom zijn zij als belanghebbende aan te merken. De omstandigheid dat zij geen eigenaar zijn, of koper van het bedrijf zijn, leidt niet tot een ander oordeel.
Beroepsgronden
6.1
Eisers hebben gesteld dat de inrichting in gebruik is voor de opslag van mest van dieren. Zij erkennen dat er sinds lange tijd geen dieren meer binnen de inrichting worden gehouden, maar stellen dat de milieuvergunning - die mestopslag toestaat - nog wel degelijk is benut.
Conclusie
10. De beroepen zijn ongegrond. Eiser 1 en eisers 2 krijgen daarom het griffierecht niet terug. Er is geen aanleiding voor toekenning van een vergoeding van de gemaakte proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, mr. D.J. de Lange en mr. J. Heijerman, leden, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2024.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Invoeringswet Omgevingswet
Artikel 4.4 (ambtshalve besluit met toepassing van afdeling 3.4 Awb)
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, blijft het oude recht van toepassing:
a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt,
b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:2
1.Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (oud)
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
b. t/m d. (..),
e.
1°.het oprichten,
2°.het veranderen of veranderen van de werking of
3°.het in werking hebben
van een inrichting of mijnbouwwerk,
f. t/m i. (..).
Artikel 2.33
1. (..).
2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover:
a. gedurende drie jaar, dan wel indien de vergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a onderscheidenlijk b of g, gedurende 26 weken onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;
b. + c. (..);
d. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, indien:
1°.dit in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen nodig is;
2°.de inrichting of het mijnbouwwerk geheel of gedeeltelijk is verwoest;
e. t/m h. (..).
Zaaknummer SHE 18/2358
ECLI:NL:RVS:2021:1127
ECLI:NL:RVS:2017:465
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, (ECLI:NL:RVS:2022:1892)
Feiten
6.2
Het college stelt dat de opslag van mest (van derden) in dit geval niet is toegestaan op basis van de geldende omgevingsvergunningen (voorschrift 1.12.2 van de revisievergunning van 1 juni 2001). Volgens het college wordt geen mest opgeslagen, maar is aannemelijk dat onder de stallen slechts regenwater in de putten zit, vermengd met resten mest.
6.3
In voorschrift 1.12.2 van de revisievergunning van 1 juni 2001 staat: “De mestkelders van niet meer in gebruik zijnde stallen moeten worden geledigd.”
6.4
Vast staat dat de stallen niet meer in gebruik zijn sinds 2016. Als er geen vee wordt gehouden, is géén sprake van een veehouderij. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat een handeling in strijd met een vergunningvoorschrift in beginsel niet kan worden aangemerkt als een handeling met gebruikmaking van een omgevingsvergunning. Op basis van voorschrift 1.12.2 hadden de mestkelders, bij het niet meer gebruiken van stallen, leeg moeten worden gemaakt. Er zit iets in de mestkelders, dus wordt niet aan dat voorschrift voldaan. De rechtbank acht het tot slot onwaarschijnlijk dat mest wordt opgeslagen in de mestkelders. Het college heeft op basis van de rapporten van de NVWA mogen aannemen dat geen mest wordt opgeslagen. Eisers hebben dit onvoldoende weersproken. De aanwezigheid van de vloeistof in de kelders onder de stallen maakt niet dat het college niet bevoegd was om tot intrekking over te gaan.
7.1
Eiser 1 voert aan dat hij al in 2021 aanstalten heeft gemaakt om tot modernisering van de bewuste stallen over te gaan door een complete stalinrichting te kopen en een andere inventaris, waaronder een luchtwasser. Nadat de onderhandelingen met de gemeente waren misgelopen, heeft eiser 1 vanaf november 2022 tot de intrekking van de vergunningen in maart 2023 de nodige stappen ondernomen om de inrichting weer volwaardig in gebruik te nemen. Zo heeft hij onder andere een luchtkanaal voor een luchtwasser geïnstalleerd en de luchtwasser gerenoveerd.
7.2
Het college kan uit de door eiser 1 overgelegde factuur uit 2021 voor “een vleesvarkensstal inclusief inrichting” niet opmaken dat de goederen voor de projectlocatie zijn bestemd. Het college heeft niet op foto’s of tijdens de controle van 18 januari 2023 geconstateerd dat bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden.
7.3
De rechtbank kan op basis van de factuur uit 2021 ook niet opmaken dat de daarin vermelde goederen voor de inrichting zijn bestemd. Deze goederen zijn in ieder geval niet ter plekke opgeslagen en aangetroffen. Eisers hebben dit niet weerlegd. Bovendien was in 2021 de 3-jaars termijn als bedoeld in artikel 2.33, tweede lid onder a, van de Wabo al ruim verstreken. De rechtbank ziet ook geen enkele aanwijzing dat begonnen is met de bouw van een loods, luchtwassers of een luchtkanaal. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat voor het nemen van het bestreden besluit een aanvang is genomen met de vergunde verbouwingen. De rechtbank hecht hierbij meer waarde aan de constateringen in de controlerapporten dan aan de opmerking van eiser 1 ter zitting dat het luchtkanaal in een andere stal is gerealiseerd. Overigens sluit de enkele omstandigheid dat vergunde activiteiten zijn uitgevoerd, intrekking van de desbetreffende vergunning niet uit, mits daarvoor gronden bestaan (zie de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2017).
8.1
Eisers vinden dat onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen. Zij erkennen dat er enige tijd geen dieren zijn gehouden in de stallen, maar benadrukken dat gesprekken hebben plaatsgevonden met het college om de locatie in te zetten ten behoeve van de hervestiging van de veehouderij van eisers 2. Eisers 2 hebben in dit verband ook de kennisgeving milieueffectrapportage ingediend. Het college heeft hier actief aan deelgenomen en zo zelf het stilliggen van het bedrijf in de hand gewerkt. Eisers hebben geen finale overeenstemming bereikt omdat eisers 2 onvoldoende financiën hadden om de verplaatsing van hun bedrijf naar de projectlocatie rond te krijgen. Eisers verwijten het college dat toezeggingen in onvoldoende mate zijn nagekomen. Zij betwisten ook dat een fatale datum, waarna tot intrekking zou worden overgegaan, in beeld is gekomen en benadrukken dat de onderhandelingen ver waren gevorderd. Door het intrekken van de vergunningen beschikt de inrichting op de projectlocatie niet meer over bestaande rechten en is een herstart van de inrichting door eisers 2 (en dus ook een overeenkomst tussen eiser 1 en eisers 2) niet meer reëel.
8.2
Het college stelt dat het wel degelijk de belangen van eiser 1 in voldoende mate heeft meegenomen bij het besluit tot intrekking. Het college heeft na het ontwerpbesluit tot intrekking gewacht met het nemen van een definitief besluit. In de loop van 2021 zijn er met eiser 1 gesprekken gevoerd om te verkennen of het mogelijk is om de locatie in te zetten in samenhang met de herontwikkeling van de veehouderij van eisers 2 en verplaatsing van deze veehouderij naar de projectlocatie. Het college meent duidelijk genoeg te hebben aangegeven dat er tussen eiser 1 en eisers 2 een definitieve overeenstemming moet komen over verplaatsing en dat hiertoe aanvragen hadden moeten worden ingediend voor een bepaalde datum. Eind 2022 is geconcludeerd dat dit niet is gelukt waarna het bestreden besluit is genomen. Het college ziet onder deze omstandigheden ook niet de relevantie van de overgelegde kennisgeving milieueffectrapportage. Er is immers geen definitieve overeenkomst waaruit volgt dat eisers 2 hun bedrijf daadwerkelijk gaan verplaatsen naar de projectlocatie.
8.3
De rechtbank maakt uit de gedingstukken (waaronder de door eiser 1 overgelegde intentieverklaring tussen eiser 1 en het college, de anterieure overeenkomst van 2 mei 2022 tussen eiser 1 en het college en de ambtelijke memo van 24 mei 2022 aan eiser 1 en eisers 2) op dat het partijen volstrekt duidelijk was dat het besluit tot definitieve intrekking van de omgevingsvergunning van eiser 1 was opgeschort naar aanleiding van een intentieovereenkomst tussen eiser 1 en eisers 2 tot eind 2022. Dit is bevestigd in de e-mail van 31 augustus 2022 van een ambtenaar van de gemeente aan eisers waarin wordt aangegeven dat wel een overeenkomst tussen eiser 1 en eisers 2 moet zijn gesloten. In deze e-mail staat letterlijk: “Het is een formele stap maar nodig om bovenstaand proces te kunnen starten zonder belemmeringen. Zonder deze stap vervallen we in eerder gemaakte besluiten (zoals intrekken vergunning) en daar kan nu geen sprake van zijn, dat zou nadelig zijn voor iedereen. Voordeel is dan wel als de afspraken vast liggen dat deze deadline niet meer relevant is.”
8.4
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de gedingstukken verder dat het college eiser 1 en eisers 2 een duidelijke (fatale) termijn heeft geboden om overeenstemming te bereiken. Door deze handelwijze heeft het college naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden met de wens van partijen om tot een verplaatsing van het bedrijf van eisers 2 naar de projectlocatie te komen. Het college heeft in de gevoerde onderhandelingen geen aanleiding hoeven zien om af te zien van intrekking van de vergunningen, nadat duidelijk was geworden dat deze onderhandelingen niet tot het gewenste resultaat hadden geleid. Daarbij acht de rechtbank het niet relevant aan wiens schuld het is te wijten dat deze onderhandelingen niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Het college kon volstaan met het bieden van een termijn om te onderhandelen, maar was niet gehouden om deze termijn te verlengen.
9.1
Eiser 1 stelt dat hij door de intrekking van de vergunningen financieel zwaar wordt getroffen, omdat zijn locatie dan in feite niets meer waard is en bovendien niet meer gebruikt kan worden voor het doel dat de verschillende betrokken partijen (eerst) voor ogen heeft gestaan.