Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2023-12-14
ECLI:NL:RBOBR:2023:5842
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,407 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Inloopteam bestuursrecht
zaaknummer: SHE 22/866
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M. Çankaya),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV), verweerder
(gemachtigde: K.R. Groenewoud).
Inleiding
Het UWV heeft de aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen omdat eiseres nu andere gezondheidsklachten heeft dan waarvoor ze eerder een WIA-uitkering toegekend heeft gekregen.
In bezwaar is het UWV bij dit besluit gebleven.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen deze beslissing op bezwaar (het bestreden besluit) van 22 februari 2022.
De rechtbank heeft het beroep op 2 november 2023 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de schoondochter van eiseres.
Wat ging aan deze procedure vooraf
1. Eiseres heeft voor het laatst gewerkt als schoonmaakster voor 23,75 uur per week. Op 13 juli 2009 heeft zij zich ziekgemeld voor dit werk vanwege gezondheidsklachten. Vanaf 9 juli 2012 ontving eiseres een loongerelateerde WIA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
2. Bij besluit van 25 september 2014 heeft het UWV bepaald dat de loongerelateerde WIA-uitkering per 9 december 2014 wordt omgezet in een loonaanvullingsuitkering. De ex-werkgever van eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 12 maart 2015 heeft het UWV het bezwaar gegrond verklaard en bepaald dat eiseres haar WIA-uitkering per 24 april 2015 eindigt omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
3. Op 22 april 2020 vraagt eiseres met ingang van 24 april 2015 dan wel per 4 mei 2017 een IVA- en/of WGA-uitkering aan op grond van artikel 48 respectievelijk artikel 55 van de Wet WIA. Volgens eiseres is er namelijk (in ieder geval) op voornoemde datum/data een verandering van haar gezondheid binnen vijf jaar na de einddatum van haar WIA-uitkering.
4. Het UWV heeft na medisch onderzoek de besluiten genomen die in de inleiding zijn genoemd.
Wat vindt het UWV
5. Het UWV vindt dat eiseres per 24 april 2015 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zij andere gezondheidsklachten heeft dan tijdens de eerdere WIA-uitkering.
6. Het UWV heeft de medische grondslag van het bestreden besluit gebaseerd op het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts B&B) van 10 februari 2022.
Wat vindt eiseres
7. Eiseres is het niet eens met het UWV. Zij verzoekt om hetgeen in bezwaar is ingebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiseres stelt dat het UWV niet ofwel onvoldoende heeft gemotiveerd dat een andere ziekteoorzaak buiten twijfel staat. Zij verwijst hierbij naar het dossier en het ingebrachte rapport van Houberg Advies. Verder is eiseres van mening dat het medisch onderzoek niet voldoet aan het zorgvuldigheids-, vertrouwens- en motiveringsbeginsel. Eiseres verzoekt de rechtbank om een deskundige in te schakelen.
Wat vindt de rechtbank
8. De vraag is of het UWV terecht stelt dat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak dan bij de eerdere WIA-uitkering. De rechtbank moet die vraag beantwoorden aan de hand van wat eiseres daartegen in heeft gebracht. Belangrijk punt is dat het gaat om de medische toestand van eiseres op 24 april 2015 en de vraag welke beperkingen daaruit volgen.
9. De rechtbank vindt dat het UWV terecht heeft beslist dat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak dan bij de eerdere WIA-uitkering. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
10. Voor zover eiseres in haar beroepschrift verwijst naar dat wat zij in bezwaar heeft aangevoerd, overweegt de rechtbank dat het aan eiseres is om in beroep gemotiveerd en specifiek aan te voeren waarom zij het niet eens is met het bestreden besluit. De verwijzing naar het bezwaarschrift wordt niet als zo’n gemotiveerde en specifieke betwisting opgevat. Daarop is immers gereageerd in het bestreden besluit. Eiseres zal dus moeten aanvoeren waarom zij het met die reactie niet eens is. Gelet hierop zal de rechtbank de beoordeling van het beroep plaatsen in het licht van de in beroep nader uitgewerkte gronden en niet in het licht van hetgeen in bezwaar is aangevoerd.
Medische grondslag van het bestreden besluit
11. Eiseres stelt dat het UWV niet ofwel onvoldoende heeft gemotiveerd dat een andere ziekteoorzaak buiten twijfel staat. Zij verwijst hierbij naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) waarin is bepaald ‘dat buiten twijfel dient te staan dat de (toegenomen) arbeidsongeschiktheid moet voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 39a niet van toepassing zijn.’ Eiseres is van mening dat met haar in bezwaar opgeworpen gronden, de ingediende medische stukken en de ingebrachte rapportage van Houberg Advies van 11 november 2021 op zijn minst getwijfeld kan worden of de rechter arm-, schouder-, en handklachten en de rug- en nekklachten een andere ziekteoorzaak hebben dan de oorzaak waarvoor ze eerder een WIA-uitkering heeft ontvangen. Ter zitting stelt eiseres dat het feit dat na 2015 wordt gesproken over een frozen shoulder niet betekent dat er voor 2015 geen sprake was van frozen shoulder. Zij verwijst hierbij naar het advies van Houberg waarin staat dat het zeer aannemelijk is, gezien de aanhoudende klachten aan de schouder en de arm, dat er destijds al meer aan de hand was dan alleen spanningsklachten. Eiseres wijst er ter zitting op dat het advies is geschreven door een arts. Ook stelt eiseres ter zitting dat de verzekeringsarts B&B onvoldoende is ingegaan op de rugklachten.
12. De rechtbank merkt op dat in het rapport van de verzekeringsarts van 20 juni 2012 is gesteld dat er een scala aan lichamelijke klachten is waarbij vooral de rechterschouder-, arm- en handklachten en nek- en rugklachten worden aangegeven. Onderzoek door de huisarts zou geen afwijkingen gegeven hebben en de huisarts verklaart de klachten volgens de verzekeringsarts vanuit de spanningen. Verder zijn er bij de therapie van eiseres ook geen afwijkingen gezien. Ook bij het eigen onderzoek door de verzekeringsarts worden behoudens (spier)pijnklachten, een matige spierstatus zonder atrofie en bewegingsbeperking van vooral de rechterschouder geen evidente functionele afwijkingen gevonden. Het lijkt volgens de verzekeringsarts daarom vooralsnog aannemelijk dat de klachten vooral door spierspanningsklachten en deconditionering bepaald worden. Volgens de verzekeringsarts leidt dit tot beperkingen.
13. De verzekeringsarts B&B stelt in het rapport van 10 februari 2022 dat hij de conclusie van de primaire verzekeringsarts, dat er geen toename is van beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor eiseres tot 24 april 2015 een WIA-uitkering ontving, navolgbaar vindt. Wat betreft de psychische klachten stelt de verzekeringsarts B&B dat er op en na 24 april 2015 geen objectiveerbare toename is van de psychische beperkingen, samenhangend met de ziektebeelden op basis waarvan in 2012 een WIA-uitkering is toegekend. Wat betreft de lichamelijke klachten stelt de verzekeringsarts B&B dat er voor de nekklachten in september 2014 geen somatische oorzaak is gevonden. Wel is er voor de schouderklachten vanaf 4 mei 2017 een nieuwe diagnose gesteld: frozen shoulder (=adhesieve capsulitis) rechts met ulnaropathie rechts en een lichte artrose in het schoudergewricht.
Conclusie
16. Het UWV heeft terecht besloten dat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak dan bij de eerdere WIA-uitkering.
17. Het beroep van eiseres is ongegrond. Dit betekent dat zij geen gelijk krijgt. Omdat eiseres in beroep geen gelijk krijgt, worden de door haar gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht niet vergoed.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 14 december 2023 door mr. M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. J.G.M. Koning, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is verzonden op
en zal binnen een week na deze datum openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
IVA = Inkomensvoorziening volledig en duurzaam arbeidsgeschikten.
WGA = Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.