Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2023-07-11
ECLI:NL:RBOBR:2023:3766
Civiel recht
Wraking
2,722 tokens
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 36 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv)
[verzoekster] ,
wonende te onbekend,
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. V.M. Smits,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
1.1
Verzoekster is belanghebbende in de zaak met zaaknummer C/01/393721 JE RK 23-775. In deze zaak gaat het om de beslissing om de schriftelijke aanwijzing betreffende het minderjarige kind van verzoekster te bekrachtigen.
1.2
De mondelinge behandeling van deze zaak (zitting) is gepland op 12 juli 2023. Op 7 juli 2023 heeft verzoekster haar wrakingsverzoek ingediend.
Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop
2.1
Verzoekster schrijft in haar wrakingsverzoek dat er voor de uithuisplaatsing op 12 oktober 2022 geen enkele deugdelijke grond was. De machtiging hiervoor had nooit afgegeven mogen worden. Op de zitting van 11 april 2023 heeft de rechter aangegeven dat deze fout niet meer ter discussie gesteld mag worden, waardoor een behoorlijke rechtsbedeling volkomen illusoir is, aldus verzoekster. Verzoekster is van mening dat haar rechten (en die van haar minderjarig kind) grovelijk zijn geschonden en dat hun belangen ernstig zijn geschaad. Uit dit handelen maakt verzoekster op dat bij de rechter sprake is van het vermoeden van een schijn van partijdigheid.
2.2
In haar reactie van 10 juli 2023 op het wrakingsverzoek geeft de rechter aan dat zij tijdens de zitting van 11 april 2023 heeft uitgelegd dat tegen de beslissingen waar verzoekster het niet mee eens is, rechtsmiddelen open hebben gestaan. Als verzoekster het met de beslissingen niet eens was, had zij hiertegen in hoger beroep kunnen gaan. De rechter is van mening dat zij zich, door het geven van deze uitleg, niet vooringenomen of partijdig heeft opgesteld.
Beoordeling
3.1
Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen, op verzoek
van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de
rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Hieruit volgt dat een
wrakingsverzoek alleen kan worden ingediend tegen een individuele rechter die de
(hoofd)zaak behandelt. De hoofdzaak wordt in dit geval behandeld door de rechter.
3.2
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang.
3.3
De wrakingskamer kan het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting aanstonds ongegrond verklaren indien het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is (artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant). De wrakingskamer oordeelt dat die situatie zich hier voordoet en overweegt daarbij het volgende.
3.4
Verzoeker vindt de rechter vooringenomen, omdat deze een onjuiste beslissing heeft genomen in een eerdere procedure. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt echter mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing (in een eerdere procedure) nooit grond kan vormen voor wraking. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).
3.5
Gelet op voorgaande overwegingen is de wrakingskamer van oordeel dat er geen grond is voor wraking. Bij het wrakingsverzoek zijn geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden. Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.
3.6
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
Dictum
De rechtbank:
- Wijst het verzoek tot wraking van de rechter af.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.O.Y. Elagab, voorzitter, mr. J.H.L.M. Snijders en
mr. N. Flikkenschild, leden, in tegenwoordigheid van, mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 11 juli 2023.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39, vijfde lid, Rv).
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 36 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv)
[verzoekster] ,
wonende te onbekend,
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. V.M. Smits,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
1.1
Verzoekster is belanghebbende in de zaak met zaaknummer C/01/393721 JE RK 23-775. In deze zaak gaat het om de beslissing om de schriftelijke aanwijzing betreffende het minderjarige kind van verzoekster te bekrachtigen.
1.2
De mondelinge behandeling van deze zaak (zitting) is gepland op 12 juli 2023. Op 7 juli 2023 heeft verzoekster haar wrakingsverzoek ingediend.
Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop
2.1
Verzoekster schrijft in haar wrakingsverzoek dat er voor de uithuisplaatsing op 12 oktober 2022 geen enkele deugdelijke grond was. De machtiging hiervoor had nooit afgegeven mogen worden. Op de zitting van 11 april 2023 heeft de rechter aangegeven dat deze fout niet meer ter discussie gesteld mag worden, waardoor een behoorlijke rechtsbedeling volkomen illusoir is, aldus verzoekster. Verzoekster is van mening dat haar rechten (en die van haar minderjarig kind) grovelijk zijn geschonden en dat hun belangen ernstig zijn geschaad. Uit dit handelen maakt verzoekster op dat bij de rechter sprake is van het vermoeden van een schijn van partijdigheid.
2.2
In haar reactie van 10 juli 2023 op het wrakingsverzoek geeft de rechter aan dat zij tijdens de zitting van 11 april 2023 heeft uitgelegd dat tegen de beslissingen waar verzoekster het niet mee eens is, rechtsmiddelen open hebben gestaan. Als verzoekster het met de beslissingen niet eens was, had zij hiertegen in hoger beroep kunnen gaan. De rechter is van mening dat zij zich, door het geven van deze uitleg, niet vooringenomen of partijdig heeft opgesteld.
Beoordeling
3.1
Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen, op verzoek
van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de
rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Hieruit volgt dat een
wrakingsverzoek alleen kan worden ingediend tegen een individuele rechter die de
(hoofd)zaak behandelt. De hoofdzaak wordt in dit geval behandeld door de rechter.
3.2
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang.
3.3
De wrakingskamer kan het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting aanstonds ongegrond verklaren indien het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is (artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant). De wrakingskamer oordeelt dat die situatie zich hier voordoet en overweegt daarbij het volgende.
3.4
Verzoeker vindt de rechter vooringenomen, omdat deze een onjuiste beslissing heeft genomen in een eerdere procedure. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt echter mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing (in een eerdere procedure) nooit grond kan vormen voor wraking. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).
3.5
Gelet op voorgaande overwegingen is de wrakingskamer van oordeel dat er geen grond is voor wraking. Bij het wrakingsverzoek zijn geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden. Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.
3.6
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
Dictum
De rechtbank:
- Wijst het verzoek tot wraking van de rechter af.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.O.Y. Elagab, voorzitter, mr. J.H.L.M. Snijders en
mr. N. Flikkenschild, leden, in tegenwoordigheid van, mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 11 juli 2023.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 39, vijfde lid, Rv).