Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2023-01-24
ECLI:NL:RBOBR:2023:358
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
5,288 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 22/2227 en SHE 22/1526
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 januari 2023 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster,
(gemachtigde: mr. M.J.A. Verhagen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (het college)
(gemachtigde: mr. A. Huiswoud).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de intrekking van de aan verzoekster verleende omgevingsvergunning van 3 november 2015 voor de bouw van een kantoor met magazijn aan de [adres] in [woonplaats] (het perceel). Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 13 januari 2022 ingetrokken. Met het bestreden besluit van 31 mei 2022 op het bezwaar van verzoekster is het college bij deze intrekking gebleven. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoekster daartegen. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
1.2.
Het college heeft op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ten aanzien van het intrekkingsbesluit, samen met het verzoek om voorlopige voorziening (SHE 22/2215) van verzoekster tegen de last onder dwangsom voor het bouwen zonder omgevingsvergunning op het perceel, op10 januari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar echtgenoot [naam] ( [naam] ), de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam] en [naam] .
Beoordeling
2. In deze uitspraak zet de voorzieningenrechter eerst de feiten op een rij. Daarna beoordeelt zij of het college bij afweging van de betrokken belangen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid om de omgevingsvergunning van 3 november 2015 met betrekking tot het bouwen van een kantoor met magazijn op het perceel in te trekken. Zij doet dat aan de hand van wat verzoekster in het beroepschrift heeft aangevoerd.
3. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Verzoekster is eigenaresse van het perceel. Op 10 juli 2003 heeft het college aan verzoekster een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een kantoor met magazijn op het perceel. Op 3 november 2015 heeft zij een omgevingsvergunning (zaaknummer 00/0310) gekregen voor een wijziging van de omgevingsvergunning. De oorspronkelijke omgevingsvergunning uit 2003 en de wijzigingsvergunning uit 2015 zijn na de verlening daarvan onherroepelijk geworden.Verzoekster en [naam] hebben op enig moment een aanvang gemaakt met de bouwwerkzaamheden voor het kantoor met magazijn. Zij hebben een fundatie gemaakt en ter plaatse van de zijdelingse perceelsgrenzen een gedeelte van de stalen constructie (stalen kolommen met wat tussenliggers) van de nieuwbouw gemonteerd.
4.1.
Op 16 oktober 2019 heeft een bouwkundig toezichthouder van de gemeente een inspectie uitgevoerd op het perceel. In het daarvan opgemaakte TPO-rapport staat dat tot dusver een fundatie is gemaakt en een deel van de staalconstructie is gemonteerd. Daarnaast is in het rapport opgenomen dat de aangetroffen situatie al meer dan vijf jaar bestaat, dat er niet verder wordt gebouwd en dat de vergunning al meerdere keren is verlengd. De toezichthouder heeft verder waargenomen dat de gemonteerde staalconstructie scheefstaat en dat er geen teken is dat de bouw wordt herstart. Er is wel meer materiaal opgeslagen op het perceel.Op 28 oktober 2019 heeft het college een brief gestuurd aan verzoekster, waarin naar aanleiding van de inspectie is medegedeeld dat zij tot 15 april 2020 uitstel krijgt om de bouwwerkzaamheden te hervatten en dat, als de bouwwerkzaamheden dan niet zijn hervat, de vergunning zal worden ingetrokken.
4.2.
Op 17 juni 2020 heeft opnieuw een inspectie plaatsgevonden, waarbij volgens het daarvan opgemaakte TPO-rapport is geconstateerd dat de bouw niet is hervat en aan de stalen constructie niets is gebeurd. Op 1 juli 2020 heeft het college een voornemen tot intrekking van de omgevingsvergunning aan verzoekster verzonden, omdat zij volgens de constateringen van de toezichthouder nog altijd geen aanvang heeft gemaakt met het hervatten van de bouwwerkzaamheden. Verzoekster en [naam] hebben hiertegen op 29 juli 2020 een zienswijze ingediend.
4.3.
Vervolgens heeft het college op 10 december 2021 een brief gestuurd aan verzoekster, waarin de op 8 december 2021 telefonisch gemaakte afspraken met verzoekster over de voortgang van de bouwwerkzaamheden zijn bevestigd. In deze brief staat dat in de aanstaande week 50 zou moeten worden gestart met het verder opbouwen van de staalconstructie en vervolgens direct aansluitend de rest van de bouw moet volgen en dat, indien in week 50 (van 2021) wordt geconstateerd dat geen aanvang is gemaakt met de werkzaamheden, wordt overwogen de vergunning in te trekken. Op 22 december 2021 is wederom een inspectie uitgevoerd op het perceel. In het daarvan opgemaakte rapport staat dat het perceel gevuld is met bouwmaterialen en materieel (heftruck) en dat de vergunninghouder samen met de zoon materialen aan het afvoeren was van het perceel om ruimte te maken, wat nodig is om de stalen constructie te kunnen stabiliseren en af te bouwen.
Besluitvorming
5. In het besluit van 13 januari 2022 heeft het college de omgevingsvergunning van 3 november 2015 (00/031) voor het bouwen van een magazijn met kantoor op het perceel ingetrokken op grond van artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), omdat de bouwwerkzaamheden waarmee ooit een aanvang is gemaakt langer dan 26 weken hebben stilgelegen. Volgens het college is niet aannemelijk geworden dat de bouw op korte termijn zal worden hervat.Verder is de gedeeltelijk aangebrachte staalconstructie niet stabiel, wat in samenhang met de omvang van de constructie en de omstandigheid dat er geen bouwactiviteiten plaatsvinden, maakt dat inmiddels sprake is van een onveilige situatie op de bouwplaats die door verloop van tijd alleen nog maar onveiliger wordt. Het belang van de veiligheid voor gebouwen en eventueel aanwezigen in de directe nabijheid van de constructie weegt volgens het college in dit geval zwaarder dan de belangen van verzoekster bij de instandlating van de vergunning.
5.1.
Met het bestreden besluit heeft het college het intrekkingsbesluit in stand gelaten.
5.2.
Het college heeft daarna nog in een besluit van 11 oktober 2022 een last onder dwangsom opgelegd aan verzoekster, omdat de stalen constructie volgens het college nu zonder omgevingsvergunning voor bouwen op het perceel staat. Over het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster tegen de last onder dwangsom (SHE 22/2252) wordt, gelijktijdig met deze zaak, afzonderlijk uitspraak gedaan.
De beroepsgronden
6. Verzoekster verwijst voor haar standpunt onder meer naar wat zij in de zienswijze en het bezwaarschrift reeds heeft aangevoerd.
6.1.
Inmiddels hebben rechtbanken in Nederland en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) al in diverse uitspraken geoordeeld dat het in het beroepschrift als "herhaald en ingelast" beschouwen van wat in een eerder stadium is aangevoerd, geen gevolgen kan hebben voor het bestreden besluit. Als een bestuursorgaan in een besluit op bezwaar gemotiveerd op het aangevoerde is ingegaan en het beroepschrift geen redenen bevat waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden en argumenten in het besluit op bezwaar onjuist of onvolledig zou zijn, kan het simpelweg herhalen van die gronden niet leiden tot vernietiging van het besluit op bezwaar. De rechtbank zal daarom in deze uitspraak alleen die beroepsgronden bespreken, die betrekking hebben op het bestreden besluit. 7. Verzoekster betoogt dat het college de omgevingsvergunning niet heeft kunnen intrekken, met name niet gezien de afspraken die zij met tussenkomst van de toezichthouder eind 2021 heeft gemaakt over de realisering van de bouw. Volgens de brief van 10 december 2021 zou zij in week 50 van 2021 starten met het verder opbouwen van de stalen constructie, direct aansluitend de rest van het bouwwerk realiseren en dan binnen een termijn van 1 tot 1,5 jaar ervoor zorgen dat het project conform de verleende vergunning is opgeleverd. Dat zij toen daadwerkelijk met de werkzaamheden is begonnen, blijkt uit het TPO-rapport van 22 december 2021. Daarin staat dat zij in week 50 van 2021 doende was met het afvoeren van materialen van het perceel om ruimte te creëren, wat nodig is om de bouw te kunnen hervatten. Ook had het college rekening moeten houden met uiteenlopende persoonlijke omstandigheden, waardoor het haar niet is gelukt om de bouw te realiseren. Het college zag kennelijk tot begin 2022 geen enkele aanleiding om tot intrekking over te gaan. Van een onveilige situatie op het perceel, zoals het college stelt, is geen sprake. Ter zitting heeft zij hieraan toegevoegd dat de bestaande stalen constructie geen gevaar oplevert voor de aangrenzende terreinen, omdat deze tegen de zijmuren van vier meter hoog staat en daardoor niet op het terrein van de buren kan vallen. Verder is zij samen met haar echtgenoot en zoon in staat om de bedrijfshal binnen de eerder afgesproken periode te realiseren. Ter zitting heeft zij nog verklaard dat dit zou kunnen binnen een tijdsbestek van drie maanden, al dan niet met de hulp van een persoon die heeft aangegeven het perceel te willen kopen. Zij vindt dat haar de mogelijkheid moet worden geboden om de bouw te hervatten, gezien de verstrekkende (materiële) gevolgen van de intrekking en omdat er geen belangen zijn die zich tegen ongedaan making van de intrekking verzetten.
7.2.
Het college heeft hierover gesteld dat ná de vergunningverlening op 3 november 2015 toezicht is gehouden op de voortgang van de bouwwerkzaamheden en dat hierover met verzoekster is gecommuniceerd.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het college de omgevingsvergunning van 3 november 2015 heeft mogen intrekken en deze intrekking in stand heeft mogen laten.
9.1.
Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.G.M. Willems, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2023.
de griffier is verhinderd te tekenen
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Zie onder meer de uitspraken van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1215 en van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:110.
Zie de uitspraak van 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3980.
Feiten
Verzoekster heeft via een op 3 augustus 2018 retour ontvangen antwoordkaart aangegeven dat de werkzaamheden stil lagen en verzocht om een jaar uitstel van de bouw wegens rugklachten. Zij heeft toen een jaar uitstel gekregen. Vervolgens is, conform afspraak met verzoekster en ná een melding over een gevaarlijke situatie, op 16 oktober 2019 een bouwcontrole uitgevoerd. Daarbij is geconstateerd dat tot dusver enkel een deel van de stalen constructie is gemonteerd en een fundatie is gemaakt. Naar aanleiding van deze controle is aan verzoekster met de brief van 28 oktober 2019 een termijn van zes maanden gegeven om handelingen te verrichten met gebruikmaking van de omgevingsvergunning. Er is toen ook al gesproken over intrekking van de vergunning. Op 17 juni 2020 is bij een hercontrole geconstateerd dat de bouwwerkzaamheden niet waren hervat, waarna een vooraankondiging tot intrekking van de vergunning is gestuurd. Vervolgens is na een telefonisch onderhoud op 8 december 2021 nogmaals afgesproken dat in week 50 van 2021 een aanvang gemaakt zou worden met de werkzaamheden en, mocht dit niet gebeuren, zou worden overwogen de omgevingsvergunning in te trekken. Bij de hercontrole op 22 december 2021 is vastgesteld dat de bouwwerkzaamheden nog steeds niet zijn gestart. Het afvoeren van bouwmaterialen kan niet als zodanig worden aangemerkt. In de brief van 28 oktober 2019, de vooraankondiging, het telefonisch onderhoud en bij de hercontrole is duidelijk aangegeven wat de gevolgen zijn van het niet hervatten van de bouwwerkzaamheden.
8. Op grond van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geheel of gedeeltelijk intrekken voor zover gedurende 26 weken geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.
8.1.
De ingetrokken omgevingsvergunning van 3 november 2015 (zaaknummer 00/0310) is verleend voor een wijziging van de omgevingsvergunning uit 2003 voor de bouw van een magazijn met kantoor op het perceel. Uit de cyclomedia straat- en luchtfoto’s uit de periode 2003 tot 2008 in het dossier valt op te maken dat op enig moment in die periode een stalen constructie is gebouwd ter hoogte van de zijwanden op het perceel. Dat daarná nog bouwwerkzaamheden van enige betekenis zijn verricht voor de nieuwbouw, is niet zichtbaar op de luchtfoto’s van 2012, 2013, 2015, 2017, 2019, 2020, 2021 en 2022. Het blijkt ook niet uit de foto’s bij de TPO-rapporten van 16 oktober 2019, 17 juni 2020 en 22 december 2021. Op de betreffende (lucht)foto’s is alleen te zien dat de opslag van materialen op het perceel zelf in de loop der jaren is toegenomen. Dat door [naam] en zijn zoon tijdens de controle van 22 december 2021 materialen werden afgevoerd wat nodig was om de bouwwerkzaamheden te kunnen hervatten, is onvoldoende om te kunnen spreken van een handeling ter uitvoering van de omgevingsvergunning voor het bouwen van het kantoor en magazijn van 3 november 2015.
8.2.
Hieruit volgt dat het college bevoegd was om de omgevingsvergunning van 3 november 2015 op grond van artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wabo in te trekken, nu in de periode ná de vergunningverlening tot het nemen van intrekkingsbesluit gedurende 26 weken geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoekster de bevoegdheid van het college niet heeft betwist en verder ook geen nadere gegevens heeft verschaft die aanleiding geven voor een ander oordeel. Vervolgens dient te worden nagegaan of het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de mogelijkheid tot intrekking, zoals neergelegd in artikel 2.33 van de Wabo, onder meer is bedoeld om onzekere situaties voor de omgeving en de doorkruising van nieuwe wet- en regelgeving en nieuwe ontwikkelingen voor een bepaald gebied te voorkomen.
8.3.
Bij de beslissing over intrekking van een omgevingsvergunning moeten volgens vaste rechtspraak van de Afdeling alle in aanmerking te nemen belangen worden betrokken en tegen elkaar worden afgewogen. Daartoe behoren naast de belangen van het bestuursorgaan, waaronder de bescherming van planologische inzichten, ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder. Daarbij mag in aanmerking worden genomen of het niet tijdig gebruik van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. Ook heeft de Afdeling geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat de houder van een omgevingsvergunning voor bouwen niet aannemelijk weet te maken dat hij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten, voldoende is om de intrekking van een ongebruikte omgevingsvergunning te rechtvaardigen.
8.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college de omgevingsvergunning van 3 november 2015 voor een wijziging van de omgevingsvergunning uit 2003 voor de bouw van een magazijn met kantoor op het perceel in redelijkheid heeft mogen intrekken. Niet gebleken is dat ná de montage van de stalen constructie in de periode 2003-2008 nog substantiële bouwwerkzaamheden zijn uitgevoerd. Met betrekking tot het standpunt van verzoekster dat het niet tijdig hervatten van de bouwwerkzaamheden haar niet was toe te rekenen, overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster sinds de vergunningverlening van 3 november 2015 tot aan het moment van de intrekking op 13 januari 2022 voldoende tijd heeft gehad om de vergunning uit te (laten) voeren. Het is haar eigen keuze geweest om werkzaamheden zelf te willen verrichten en de bouw niet door iemand anders te laten uitvoeren. Daarnaast heeft het college rekening gehouden met uiteenlopende persoonlijke omstandigheden (ziektes en de impact van de coronapandemie en de ontruiming van een tijdelijk gehuurd opslagterrein), waardoor het haar niet is gelukt om de bouw (zelf) te hervatten. Het college heeft meerdere keren uitstel gegeven om de bouwwerkzaamheden te hervatten (in 2018 met één jaar vanwege rugklachten, op 24 oktober 2019 met zes maanden en laatstelijk nog bij brief van 10 december 2021 tot week 50 van 2021), waarbij duidelijk is gewezen op de mogelijkheid van intrekking. Ná de bekendmaking van het voornemen tot intrekking, zijn er naar aanleiding van een telefoongesprek met verzoekster in de brief van 10 december 2021 concrete afspraken met verzoekster vastgelegd. Dit betekent dat er vanuit moet worden gegaan dat verzoekster op de hoogte was, althans had kunnen zijn, van het feit dat zij uiterlijk in week 50 van 2021 conform de afspraak in de brief van 10 december 2021 moest starten met het verder opbouwen van de staalconstructie en direct aansluitend de rest van de bouw moest realiseren, al dan niet met de hulp van iemand anders. Door dit niet te doen, heeft zij zich blootgesteld aan het risico dat de vergunning zou worden ingetrokken. Niet valt in te zien waarom het college haar naar aanleiding van de controle op 22 december 2021 vanwege persoonlijke omstandigheden verder uitstel had moeten verlenen om de bouw te hervatten, zoals verzoekster ter zitting heeft gesteld, temeer niet nu sinds 2003-2008 nauwelijks nog werkzaamheden van enige betekenis zijn uitgevoerd ten behoeve van de bouw van het kantoor met magazijn en verzoekster twee weken daarvoor heeft afgesproken dat zij in week 50 zou starten met het verder opbouwen van de staalconstructie. 8.5. Verder heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat zij ten tijde van de in het besluit van 31 mei 2022 gehandhaafde intrekking, alsnog binnen korte tijd van de omgevingsvergunning gebruik zou gaan maken. Zij stelt weliswaar dat er eind 2021 hoofdleggers en spanten voor montage gereed lagen op het perceel, die [naam] volgens eigen zeggen op de zitting vanaf 2020 in gedeelten ter plekke zou hebben gemaakt, maar heeft hiervan geen bewijsmateriaal, zoals foto’s, ingediend. Dat er daadwerkelijk hoofdleggers en spanten op het perceel lagen, blijkt niet uit het TPO-rapport van 22 december 2021.