Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2023-06-06
ECLI:NL:RBOBR:2023:3010
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,688 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK OOST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer : C/01/387523 / FA RK 22-5110
Uitspraak : 6 juni 2023
Beschikking van de meervoudige kamer over adoptie in de zaak van
[naam verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
advocaat mr. E.P.J. Appelman.
Het verzoekschrift strekt tot adoptie van de meerderjarige:
[naam meerderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , hierna te noemen: [meerderjarige] ,
wonende te ’s-Hertogenbosch.
Procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift van verzoekster, ontvangen bij de griffie op 10 november 2022.
1.2.
De zaak is mondeling behandeld op 25 april 2023. Verschenen zijn verzoekster, met mr. Appelman, en [meerderjarige] .
Verder heeft de rechtbank bijzondere toegang verleend aan de heer [zoon 1] , zoon van verzoekster, de heer [zoon 2] , zoon van verzoekster, en de heer [partner] , partner van verzoekster, om als toehoorder bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn.
Feiten
2.1.
[meerderjarige] is op [geboortedatum] geboren uit [naam moeder] , hierna te noemen: de moeder. De biologische vader van [meerderjarige] heeft haar niet erkend. Zijn naam is in deze procedure niet bekend.
2.2.
[meerderjarige] is tot [datum] 2008 opgegroeid bij de moeder en twee oudere halfzussen, [halfzus 1] , geboren op [geboortedatum] , hierna te noemen: [halfzus 1] , en [halfzus 2] , geboren op [geboortedatum] , hierna te noemen: [halfzus 2] .
2.3.
In [datum] 2008 zijn [meerderjarige] , [halfzus 1] en [halfzus 2] onder toezicht gesteld. In [datum] 2008 zijn [meerderjarige] , [halfzus 1] en [halfzus 2] met een daartoe strekkende machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. Tot [datum] 2009 heeft [meerderjarige] verbleven bij een leefgroep in [plaats] . In [datum] 2009 is zij geplaatst in het pleeggezin van verzoekster en haar echtgenoot, de heer [naam echtgenoot] , hierna te noemen: de pleegvader. In het gezin woonden ook de twee eigen kinderen van verzoekster en de pleegvader, [kind 1] ( [geboortejaar] ) en [kind 2] ( [geboortejaar] ) [achternaam] .
2.4.
[meerderjarige] heeft onafgebroken in het pleeggezin van verzoekster en de pleegvader gewoond tot [datum] 2013.
2.5.
De pleegvader is in [datum] 2014 overleden.
2.6.
Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van
7 november 2013 is de moeder ontheven van het gezag over [meerderjarige] en is de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg benoemd tot voogd over haar.
2.7.
In [datum] 2013 is [meerderjarige] geplaatst bij de [naam] groep van [instelling] te [plaats] voor diagnostiek en behandeling. Na deze behandelplek heeft zij vanaf 2015 in een pleeggezin ( [naam] ) verbleven en vervolgens in een gastgezin. Daarna is zij in [datum] 2019 begeleid gaan wonen in [plaats] . Sinds [datum] 2020 woont [meerderjarige] daar zelfstandig.
2.8.
Verzoekster is na de plaatsing van [meerderjarige] buiten het pleeggezin steeds een rol blijven spelen in het leven van [meerderjarige] . Tijdens de behandeling bij [instelling] hield dit in eerste instantie in dat er regelmatig telefonisch contact was. In een latere fase van het verblijf van [meerderjarige] bij de behandelgroep, ging [meerderjarige] eenmaal per twee weken op bezoek bij verzoekster. Na afronding van de behandeling, te weten vanaf het moment dat [meerderjarige] in een gezinshuis woonde, logeerde zij regelmatig bij verzoekster en ging zij ook mee op familiebezoek.
2.9.
Na de uithuisplaatsing in 2008 tot de ontheffing van de moeder van het gezag, was er een contactregeling tussen de moeder en [meerderjarige] en er was ook contact tussen [meerderjarige] en haar halfzussen, [halfzus 1] en [halfzus 2] . Na 2013 is het contact tussen [meerderjarige] en de moeder verbroken. [meerderjarige] heeft ook geen contact meer met [halfzus 1] en [halfzus 2] .
2.10.
De moeder is op [datum] overleden.
3Het verzoek
3.1.
Verzoekster verzoekt:
de adoptie uit te spreken van [meerderjarige] door verzoekster;
te verstaan dat de geslachtsnaam van [meerderjarige] met de adoptie zal blijven luiden: [geslachtsnaam] .
3.2.
Op wat verzoekster aan haar verzoek ten grondslag legt en op het standpunt van [meerderjarige] als belanghebbende zal, voor zover nodig, onder de beoordeling worden ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Een verzoek tot adoptie kan op grond van artikel 1:227 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), voor zover hier van belang, worden gedaan door een persoon alleen. Verzoekster kan dus worden ontvangen in haar verzoek tot adoptie van [meerderjarige] . Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
4.2.
De wet bepaalt in artikel 1:227 en 1:228 BW aan welke voorwaarden moet zijn voldaan, wil de rechtbank de adoptie van [meerderjarige] door verzoekster kunnen uitspreken.
4.3.
Voor de beoordeling van het onderhavige verzoek dient onder meer vastgesteld te worden of [meerderjarige] op de dag van het verzoek minderjarig was (artikel 1:228, eerste lid, aanhef en onder a BW). Vast staat dat [meerderjarige] op de dag dat het verzoek werd gedaan meerderjarig was, zodat niet is voldaan aan die voorwaarde. Dit betekent dat een adoptie van [meerderjarige] door verzoekster naar nationaal recht niet mogelijk is.
4.4.
De rechtbank acht van belang daarbij op te merken dat de Hoge Raad strikt de hand houdt aan het minderjarigheidsvereiste (HR 25 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5053). Die uitspraak is weliswaar van enige tijd geleden, maar in 2019 zijn nog Kamervragen gesteld over (de houdbaarheid van) het minderjarigheidsvereiste en uit de antwoorden van de minister voor Rechtsbescherming bleek dat hij niet voornemens was om het minderjarigheidsvereiste te schrappen. Volgens de minister volgt de reden voor het vereiste uit de parlementaire geschiedenis en zou meerderjarigenadoptie kunnen leiden tot “omzeiling van regelingen waarin afstamming een rol speelt, zoals erfrecht, nationaliteits- en migratierecht, maar bijvoorbeeld ook de overdraagbare melkveefosfaatreferentie” (Aanhangsel Handelingen II 2019/20, 218).
4.5.
Het zou de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaan als de rechtbank zou afwijken van het wettelijk minderjarigheidsvereiste en de leeftijdsgrens zou oprekken.
Dat kan alleen als een weigering om de adoptie toe te staan een ongeoorloofde inmenging in het gezins- of familieleven of privéleven van verzoekster en/of [meerderjarige] oplevert, zoals bedoeld in artikel 8, leden 1 en 2, EVRM. In dat geval kan aan het vereiste van minderjarigheid voorbij worden gegaan.
Daarover overweegt de rechtbank als volgt.
4.6.
Hoewel adoptie van origine werd beschouwd als een kinderbeschermingsmaatregel, reiken de effecten daarvan verder en grijpt een adoptie in in het afstammingsrecht, in het bijzonder bij de totstandbrenging van familierechtelijke betrekkingen tussen de adoptiefouders en hun bloed- en aanverwanten enerzijds, en het adoptiefkind en zijn eventuele toekomstige echtgeno(o)t(e) en nakomelingen anderzijds, welke betrekkingen ook na het meerderjarig worden van het kind blijven bestaan en nog kunnen ontstaan. Daarnaast worden de familierechtelijke banden met de bestaande familieleden beëindigd. Betrokkenen kunnen bij het ontstaan van de hiervoor bedoelde familierechtelijke betrekkingen ook tijdens die meerderjarigheid nog belang hebben, ook al kan de adoptie dan wegens de bereikte meerderjarigheid niet meer het karakter van een maatregel van kinderbescherming hebben. De wet voorziet namelijk niet in een (andere) manier waarop die familiebanden na het bereiken van de meerderjarigheid nog zouden kunnen ontstaan.
4.7.
Het is vaste rechtspraak dat aan artikel 8 lid 1 EVRM geen recht op adoptie kan worden ontleend. Het uitgangspunt dat adoptie slechts mogelijk is als wordt voldaan aan de door de nationale wet daaraan gestelde eisen, levert dus op zichzelf bezien geen ongeoorloofde inbreuk op een door artikel 8 lid 1 EVRM beschermd recht op. Aan artikel 8 lid 1 EVRM kan wel het recht op bescherming van het gezinsleven tussen (pleeg)ouders en een door hen in hun gezin opgenomen kind worden ontleend, maar niet het recht om dat kind te adopteren zonder dat wordt voldaan aan de door de wet in de artikelen 1:227 en 1:228 BW aan adoptie gestelde vereisten en voorwaarden (Hoge Raad 30 juni 2000, NJ 2001, 103). Die voorwaarden zijn bovendien van openbare orde. Alleen als sprake is van zeer bijzondere omstandigheden is het gerechtvaardigd om de hiervoor genoemde dwingendrechtelijke (nationale) bepaling ter zijde te stellen.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat de door verzoekster gestelde bijzondere omstandigheden onvoldoende zijn om te rechtvaardigen dat de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 1:228 lid 1, aanhef en onder a, BW terzijde wordt gesteld. De rechtbank legt dit oordeel hierna uit door de gestelde bijzondere omstandigheden te bespreken.
4.9.
Verzoekster heeft als eerste bijzondere omstandigheid gesteld dat zij [meerderjarige] gedurende lange tijd, feitelijk dertien jaar, heeft verzorgd en opgevoed en dat zij zich in alle opzichten hebben gedragen als volwaardige familieleden met de daarbij behorende gezinsrollen.
Voor de rechtbank staat vast dat sprake is geweest van een lange verzorgingstermijn van [meerderjarige] door verzoekster. [meerderjarige] was bijna zeven jaar oud toen zij als pleegkind werd opgenomen in het gezin van verzoekster, de pleegvader en hun twee zonen. Zij heeft daar ruim 4,5 jaar onafgebroken gewoond. Het ging om een perspectief biedende plaatsing en het was dus ieders bedoeling dat [meerderjarige] zou opgroeien in het gezin van verzoekster. Verzoekster heeft voldoende toegelicht waarom het nodig was dat [meerderjarige] in [datum] 2013 bij een behandelgroep werd geplaatst en dat daarna, mede door het onverwachte overlijden van de pleegvader en het daarop volgende lange rouwproces, [meerderjarige] niet meer in het gezin van verzoekster heeft gewoond. Dat [meerderjarige] niet meer is teruggekeerd in het pleeggezin van verzoekster, doet niet af aan de omstandigheid dat verzoekster ook na het vertrek van [meerderjarige] uit het gezin een belangrijke rol is blijven spelen in haar leven. De betrokkenheid van verzoekster en [meerderjarige] op elkaar en de warme band die zij met elkaar ervaren, is gebleven. Maar, die lange verzorgingstermijn en die wederzijdse betrokkenheid vormen naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf geen zeer bijzondere omstandigheid die een afwijking van het minderjarigheidsvereiste rechtvaardigt. Het is immers niet ongebruikelijk dat een pleegouder en een pleegkind (en de andere gezinsleden) een dergelijke verbondenheid en (familie)band ontwikkelen. Die ontwikkeling past bij een perspectief biedende plaatsing.
4.10.
Als tweede bijzondere omstandigheid heeft verzoekster gesteld dat zij eerder een verzoek wilde doen tot adoptie van [meerderjarige] , maar dat dit niet mogelijk was vanwege de relatie tussen verzoekster en [meerderjarige] als pleegouder en pleegkind. Die stelling past naar het oordeel van de rechtbank meer bij een toelichting van de reden voor de overschrijding van de minderjarigheidstermijn en vormt op zichzelf geen zeer bijzondere omstandigheid.
Verzoekster heeft daarbij nog wel opgemerkt dat zij en [meerderjarige] er een zwaarwegend belang bij hebben dat tussen hen een familierechtelijke band tot stand wordt gebracht en dat [meerderjarige] er een zwaarwegend belang bij heeft dat de familierechtelijke band met (de familie van) haar moeder wordt verbroken, omdat zij die band als zeer belastend ervaart. Die stellingen heeft verzoekster in de stukken en bij de mondelinge behandeling echter niet onderbouwd. Voor de rechtbank is op basis van de stukken overigens wel duidelijk geworden dat [meerderjarige] een zeer belaste jeugd heeft gehad totdat zij in het pleeggezin van verzoekster kwam wonen. Duidelijk is ook dat wat [meerderjarige] heeft meegemaakt, een grote impact had op haar ontwikkeling, wat ook blijkt uit de intensieve therapie die zij in haar jeugd nodig heeft gehad om tot verdere ontwikkeling te komen.
Dictum
De rechtbank
5.1.
wijst de verzoeken af;
5.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. E Keijzerwaard, mr. S. ter Braak en mr. F.E. Roll, rechters, tevens kinderrechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 6 juni 2023.
Conc: MKa
Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenboscha. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraakb. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.