Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2023-06-05
ECLI:NL:RBOBR:2023:2759
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
5,593 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 23/1173
SHE 22/2716
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juni 2023 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[eiser] en [eiser] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. M.B. de Jong),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught
(gemachtigde: mr. J. Geers).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam] en [naam] uit [woonplaats] ,(gemachtigde: mr. E.G. Grigorjan).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van eisers inzake de bouw van een aanbouw op het adres [adres] . Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eisers daartegen. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2. Het college heeft de aanvraag om een omgevingsvergunning voor genoemd bouwplan met het besluit van 15 maart 2022 (het primaire besluit) buiten behandeling gelaten, omdat volgens het college voor het bouwplan geen omgevingsvergunning is vereist. Met het bestreden besluit van 4 oktober 2022 op het bezwaar van eisers is het college na heroverweging en (gedeeltelijke) gegrondverklaring van de bezwaren bij het besluit van 15 maart 2022 gebleven.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, vergezeld door [naam] , de gemachtigde van het college, derde-partij, vergezeld door [naam] en [naam] , en de gemachtigde van derde-partij.
Relevante wet- en regelgeving
4. De voor deze zaak relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die deel van deze uitspraak uitmaakt.
Totstandkoming van het besluit
5. Op 10 februari 2022 heeft het college de aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning ontvangen voor het bouwen van een aanbouw op het perceel [adres] . Op de bij de bouwaanvraag ingediende bouwtekening is een aanbouw getekend met woonkamer, slaapkamer, keuken en badkamer. Bij brief van 24 februari 2022 heeft het college aan derde-partij gevraagd om in het kader van het aspect externe veiligheid een verantwoording te geven ten aanzien van het groepsrisico, omdat aan het perceel waarop het bouwplan is voorzien de aanduidingen ‘veiligheidszone – vervoer gevaarlijke stoffen’ en ‘vrijwaringszone – weg’ zijn toegekend. Hier heeft derde-partij bij brief van 3 maart 2022 op gereageerd.
Bij besluit van 6 juli 2022 heeft het college met toepassing van artikel 21.3, onder b, van het bestemmingsplan een ontheffing verleend van het in artikel 21.3, onder a, van de planregels neergelegde verbod om te bouwen in de zone “vrijwaringszone – weg”.
6. Bij het primaire besluit heeft het college gesteld dat het bouwplan voldoet aan de regels van het bestemmingsplan en die van artikel 3, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Omdat hierom voor het bouwplan geen omgevingsvergunning is vereist, heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld. Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.
7. Tijdens de bezwaarfase heeft het college geconstateerd dat met de realisering van het bouwplan een tweede zelfstandige wooneenheid wordt gerealiseerd wat in strijd is met het bestemmingsplan. Daarop heeft derde-partij gewijzigde bestektekeningen aangeleverd waarop de woonvoorzieningen zijn verwijderd.
8. Bij het bestreden besluit heeft het college in zijn heroverweging het bouwplan opnieuw beoordeeld aan de hand van de nieuwe bouwtekeningen waarbij de woonvoorzieningen zoals een badkamer en een keuken zijn weggelaten. Het college heeft daarbij zijn standpunt dat er sprake is van een vergunningvrij bouwwerk gehandhaafd.
Beoordeling
9. De voorzieningenrechter beoordeelt of het bouwplan zonder omgevingsvergunning mag worden gerealiseerd. Hij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
10. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
11. Eisers voeren aan dat voor het realiseren van het bouwplan wel degelijk een omgevingsvergunning is vereist. Het bestreden besluit is volgens hen in strijd met artikel 21.1 van het ten tijde van het bestreden besluit ter plaatse geldende bestemmingsplan “ Taalstraat/Loyolalaan ”, omdat uit de stukken op geen enkele wijze is gebleken dat het college aan zijn verantwoordingsplicht heeft voldaan wat betreft het groepsrisico. Evenmin is gebleken dat advies is ingewonnen bij de regionale veiligheidsrisico. Verder blijkt uit de door derde-partij overgelegde verantwoording dat er sprake is van een toename van het groepsrisico en dat er veiligheidsverhogende maatregelen zijn genomen om de aanbouw te realiseren, maar hoe dit is ingevuld wordt op geen enkele wijze onderbouwd.
12. Het college heeft hierover verklaard dat de door derde-partij op 3 maart 2022 gegeven verantwoording is voorgelegd aan een medewerker Risicobeheersing van de Brandweer Brabant-Noord en de Veiligheidsregio Brabant-Noord. Geoordeeld is dat een aanbouw bij een bestaande woning niet leidt tot een toe- of afname van het groepsrisico. De uitbreiding van een bestaande woning is niet aan te merken als een nieuw (beperkt) kwetsbaar object in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen en het Besluit externe veiligheid transportroutes. Het aantal mensen binnen de zone en tevens het groepsrisico neemt door het realiseren van een aanbouw aan een bestaande woning niet toe. Nader verantwoorden en berekenen van de risico’s kan volgens de Veiligheidsregio bij het uitbreiden van een bestaande woning dan ook buiten beschouwing worden gelaten. Het college stelt verder dat het naast dit advies heeft laten meewegen dat, gelet op de Regeling Basisnet, de desbetreffende spoorlijn ’s-Hertogenbosch-Tilburg geen 10-6 plaatsgebonden risicocontour heeft. De hoogte van het groepsrisico van de spoorlijn bevindt zich onder 10% van de oriëntatiewaarde. De aanbouw bij een bestaande woning verandert de oriëntatiewaarde niet. Het college is daarom van mening dat het besluit niet in strijd is met artikel 21.1 van het bestemmingsplan.
13. De voorzieningenrechter stelt met betrekking tot het bouwverbod op de gronden met de aanduiding 'vrijwaringszone – weg', zoals reeds vermeld, vast dat een onherroepelijk geworden ontheffing is verleend. Voor zover gebouwd wordt op gronden met de aanduiding ‘veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen’ constateert de voorzieningenrechter dat er op grond van het bepaalde in artikel 21.1 van de planregels geen ontheffingsplicht geldt. Voor zover in dat artikel is bepaald dat er alleen gebouwd mag worden conform de nota 'risico-normering vervoer gevaarlijke stoffen' van het ministerie van VROM stelt de voorzieningenrechter vast dat deze nota is vervallen. Verder is de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden dat het standpunt van het college dat een aanbouw bij een bestaande woning niet leidt tot een toe- of afname van het groepsrisico en de spoorlijn ’s-Hertogenbosch-Tilburg geen 10-6 plaatsgebonden risicocontour heeft onjuist is. Dat maakt dat artikel 5, derde lid, onder b, van bijlage II van het Bor aan het vergunningvrij realiseren van het bouwplan niet in de weg staat en het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 21.1 van de planregels. Dat het verantwoorden van het groepsrisico volgens eisers op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes een taak van het college is, betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat, nu derde-partij deze verantwoording heeft gegeven en deze vervolgens door het college is beoordeeld, het bestreden besluit daarom in strijd zou zijn met artikel 21.1. Ook het feit dat in de door derde-partij overgelegde verantwoording niet wordt vermeld welke veiligheidsverhogende maatregelen worden genomen om de aanbouw te realiseren, maakt niet, gelet op wat hiervoor is overwogen, dat het bestreden besluit daarom in strijd is met artikel 21.1 van het bestemmingsplan. Dit betoog slaagt niet.
14. Eisers brengen verder naar voren dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 16.2.3 van het bestemmingsplan, nu er geen sprake is van een bijgebouw als bedoeld in artikel 1.24 van het bestemmingsplan. Het bouwplan heeft een eigen voordeur die toegang geeft tot de garage van het oorspronkelijke hoofdgebouw en voorziet verder in een eigen woonkamer, een eigen badkamer en een eigen slaapkamer. Daarmee ontstaat volgens eisers een extra hoofdgebouw.
15. Het college stelt dat er sprake is van een aanbouw, omdat deze in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Daarbij wijst het college erop dat de aanbouw en het hoofdgebouw niet constructief met elkaar zijn verbonden. Verder bestaat de aanbouw uit slechts één bouwlaag en is de aanbouw voorzien van een geheel andere gevelbekleding dan het hoofdgebouw.
16. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt er voldaan aan het begrip bijgebouw zoals opgenomen in artikel 1.24 van de bestemmingsregels. Dat er sprake is van een tweede woning met een eigen voordeur zoals eisers betogen volgt de voorzieningenrechter niet. In de eerste plaats voorziet het bouwplan niet (langer) in een badkamer. Verder maakt het feit dat in de garage een deur is voorzien die toegang geeft naar de aanbouw en een deur die toegang geeft naar het hoofdgebouw, dat zelf een eigen voordeur heeft, niet dat op grond van het bestemmingsplan niet langer over een bijgebouw gesproken kan worden. De aanbouw is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in bouwkundig opzicht ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Het heeft anders dan het hoofdgebouw maar één bouwlaag en een plat dak, terwijl het hoofdgebouw twee bouwlagen heeft en een schuine dakhelling. Dat de aanbouw gebruikt wordt voor bewoning is gezien artikel 1.24 van de planregels niet relevant, temeer niet nu daarin is bepaald dat de functie niet meer van belang is bij de beoordeling of er sprake is van een bijgebouw. In dit verband wijst de voorzieningenrechter op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 mei 2023. Dit betoog faalt.
17. Eisers betogen verder dat het bestreden besluit ook in strijd is met artikel 16.2.3 van het bestemmingsplan, omdat het bijgebouw niet is gelegen op hetzelfde bouwperceel als het hoofdgebouw. Hierdoor wordt niet voldaan aan de definitie van een bijgebouw. Daarbij wijzen eisers erop dat in dit geval sprake is van twee kadastrale percelen, te weten perceel [nummer] en perceel [nummer] . Op perceel [nummer] is het oorspronkelijke hoofdgebouw gerealiseerd. Op perceel [nummer] , waar alleen bijgebouwen zijn toegestaan, is het bouwplan voorzien. Anders dan op perceel [nummer] is op perceel [nummer] geen zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing toegestaan, zodat niet kan worden gesteld dat sprake is van een aaneengesloten stuk grond waarop ingevolge de regel een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
18. Het college heeft hierover gesteld dat de kadastrale percelen tezamen kunnen worden beschouwd als één bouwperceel in de zin van het bestemmingsplan. Het bouwvlak waarbinnen het hoofdgebouw gerealiseerd dient te worden is deels gelegen binnen het kadastrale perceel [nummer] en deels binnen het kadastrale perceel [nummer] . Op beide percelen is het mogelijk om een bijgebouw te realiseren behorende bij de woning. De aanbouw wordt voor het overgrote gedeelte gerealiseerd binnen het kadastrale perceel [nummer] en voor een klein deel binnen het perceel [nummer] . Volgens het college is de kadastrale inrichting niet doorslaggevend voor de vraag of het één bouwperceel betreft, maar is bepalend wat de feitelijke actuele situatie is.
19.
Conclusie
25. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het standpunt van het college dat voor de aanbouw geen omgevingsvergunning is vereist voor juist moet worden gehouden en derde-partij de aanbouw mag bouwen. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Meiden, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
BIJLAGE
Bestemmingsplan “Taalstraat/Loyolalaan”
1.24
bijgebouw (aangebouwd en vrijstaand):
aan- en uitbouw, dan wel vrijstaand gebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw;
ter verduidelijking:
niet meer van belang is de eenheid van vorm en functie van een bijgebouw.
1.29
bouwperceel:een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
16.2.1
Algemeen Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:a. vrijstaande, geschakelde en aaneengesloten woningen, tot een maximum aantal woningen per bouwvlak, ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden';b. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' twee aaneengesloten woningen (halfvrijstaand);c. meergezinswoningen/gestapelde woningen, ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld';bijgebouwen;en de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zonder dat sprake is van woningsplitsing.
16.2.3
Regels ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' a. Ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' mogen uitsluitend bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.b. Ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' mag het vlak worden bebouwd:1. bij vrijstaande woningen: tot een oppervlakte van ten hoogste 100% van het binnen hetzelfde bouwperceel gelegen bouwvlak, echter tot niet meer dan 300 m², dan wel tot niet meer dan 50% van het bij de woning behorende vlak;2. bij geschakelde en aaneengesloten woningen: tot een oppervlakte van ten hoogste 125% van het binnen hetzelfde bouwperceel gelegen bouwvlak, echter tot niet meer dan 300 m², dan wel tot niet meer dan 50% van het bij de woning behorende vlak.
(…).
21.1
veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen
Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen' leidt de aanwezigheid van het spoor tot inachtname van een onderzoekszone van 0-50 m voor individueel risico, waarbinnen alleen gebouwd mag worden conform de nota 'risico-normering vervoer gevaarlijke stoffen' van het ministerie van VROM en een aandachtsgebied van 0-200 m voor groepsrisico, uit de as van het dichtst bijzijnde spoor.
21.3
vrijwaringszone - weg
a. Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone – weg' (50,00 meter uit de kant van het asfalt van rijkswegen) mag ongeacht het bepaalde in de bestemmingsregels geen bebouwing worden opgericht anders dan ten behoeve van verkeersdoeleinden.
b. Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord Rijkswaterstaat, ontheffing verlenen van het bepaalde in 21.1 onder a, voor het oprichten van bebouwing op de gronden gelegen binnen de bouwgrens verkeersdoeleinden overeenkomstig het bepaalde in de bestemmingsregels, mits:
1. dit toekomstige infrastructurele uitbreidingen niet onmogelijk maakt;
2.
Dictum
dit niet leidt tot uit milieuhygiënisch en/of veiligheidsoogpunt onaanvaardbare situaties.
Bijlage II Besluit omgevingsrecht
Artikel 2Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:1.gewoon onderhoud van een bouwwerk, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van dat bouwwerk niet wijzigen;2.werkzaamheden ingevolge een besluit als bedoeld in artikel 13, 13a of 13b van de Woningwet;3.een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:a.voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:1°.5 m,2°.0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en3°.het hoofdgebouw,b.voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:1°.indien hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule:maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3;2°.functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het betreft huisvesting in verband met mantelzorg,c.op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn,d.de ligging van een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag,e.niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte,f.de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:1°.in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied,2°.in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2,3°.in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2,g.niet aan of bij:1°.een woonwagen,2°.een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning aangegeven termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand hersteld te hebben,3°.een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden;(…).
Artikel 3Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet is niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op:1.een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:a.niet hoger dan 5 m,b.op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn,c.de ligging van een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag, end.niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;(…).
Artikel 51. Bij de toepassing van de artikelen 2, 3 en 4 blijft het aantal woningen gelijk. Deze eis is niet van toepassing op de gevallen, bedoeld in:a.de artikelen 2, onderdelen 3 en 22, en 3, onderdeel 1, voor zover het betreft huisvesting in verband met mantelzorg,b.artikel 4, onderdeel 1, voor zover het betreft huisvesting in verband met mantelzorg,c.artikel 4, onderdelen 9 en 11.2.De artikelen 2 en 3 zijn niet van toepassing op een activiteit die plaatsvindt in, aan, op of bij een bouwwerk dat in strijd met artikel 2.1 van de wet is gebouwd of wordt gebruikt.3.Artikel 2, onderdelen 3 en 22, is evenmin van toepassing op een activiteit die plaatsvindt in:a.een in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een inrichting voor activiteiten met ontplofbare stoffen;b.een gebied waarin die activiteit op grond van het bestemmingsplan of de beheersverordening niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een inrichting, transportroute of buisleiding dan wel vanwege de ligging in een belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van een buisleiding;(…).
ECLI:NL:RVS:2023:1852.
Zie daartoe de uitspraken van de Afdeling van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3790 en van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2293.