Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2021-09-17
ECLI:NL:RBOBR:2021:4919
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,833 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 20/834
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. P.D. Koren),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: A.G. Lavrijsen).
Procesverloop
In het besluit van 29 oktober 2019 staat dat eiseres vanaf 29 juli 2019 recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).
In het besluit van 7 november 2019 (het primaire besluit) staat dat eiseres vanaf 31 oktober 2019 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering, omdat het UWV vindt dat zij weer arbeidsgeschikt is voor haar eigen werk.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In het besluit van 10 februari 2020 (het bestreden besluit) staat dat het UWV het bezwaar ongegrond heeft verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 21 september 2020. De gemachtigde van het UWV was aanwezig. Eiseres en haar gemachtigde hebben de rechtbank laten weten dat zij niet aanwezig zouden zijn.
In de tussenuitspraak van 2 november 2020 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit gebrekkig tot stand is gekomen en heeft zij het UWV in de gelegenheid gesteld het in de tussenuitspraak genoemde gebrek te herstellen.
Het UWV heeft aangegeven van deze gelegenheid gebruik te willen maken en heeft met de brief van 1 december 2020 (met onderliggende stukken) een inhoudelijke reactie gegeven.
Hierop is door eiseres gereageerd met de brief van 22 december 2020.
De nadere zitting was op 10 augustus 2021. De gemachtigde van het UWV was aanwezig. Eiseres en haar gemachtigde hebben de rechtbank laten weten dat zij niet aanwezig zouden zijn.
Overwegingen
1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.
1.1.
Voor zover eiseres met haar schriftelijke reactie van 1 december 2020 nieuwe beroepsgronden wil aanvoeren, wijst de rechtbank erop dat het aanvoeren van nieuwe beroepsgronden na de tussenuitspraak in beginsel in strijd met de goede procesorde is (zoals ook in overweging 15. van de tussenuitspraak staat). Gelet op dat uitgangspunt ligt het op de weg van eiseres om, voor zover zij nieuwe beroepsgronden wil aanvoeren, toe te lichten waarom zich dat met de goede procesorde verdraagt. Die toelichting ontbreekt. Dit betekent dat de rechtbank na de tussenuitspraak aangevoerde nieuwe beroepsgronden buiten beschouwing laat, omdat het aanvoeren daarvan in strijd is met de goede procesorde.
1.2.
Eiseres heeft in haar schriftelijke reactie ook een aantal gronden naar voren gebracht die zich richten tegen een aantal in een tussenuitspraak zonder voorbehoud gegeven oordelen, zoals de oordelen over de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de vastgestelde belastbaarheid van eiseres. Het is vaste rechtspraak dat een rechtbank slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mag terugkomen van een in een tussenuitspraak zonder voorbehoud gegeven oordeel. Eiseres heeft niets aangevoerd dat tot de conclusie moet leiden dat zo’n zeer uitzonderlijk geval zich hier voordoet en de rechtbank ziet ambtshalve evenmin aanleiding om tot dat oordeel te komen. Deze gronden slagen daarom niet.
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat het UWV een onjuiste maatstaf arbeid heeft gehanteerd. Om het gebrek te herstellen, moet het UWV onderzoeken of eiseres in staat is het werk van sociaal raadsvrouw zoals zij dat feitelijk deed voordat zij op non-actief werd gesteld te verrichten in combinatie met haar werk van sociaal raadsvrouw bij [naam] en of haar belastbaarheid daarbij niet wordt overschreden. Met andere woorden, het UWV moet dus onderzoeken of eiseres geschikt is voor de maatgevende functie als de bijzonder verlichtende omstandigheden wel buiten beschouwing worden gelaten. Als de combinatie van de functies ertoe leidt dat de medisch gemaximeerde urenomvang van 8 uren per dag en 40 uren per week wordt overschreden, zal het UWV goed moeten motiveren of dit past binnen de belastbaarheid van eiseres.
2.1.
In reactie op de tussenuitspraak heeft het UWV in zijn brief van 1 december 2020, met als bijlage een rapportage van de arbeidsdeskundige Bezwaar en Beroep (B&B) van 10 november 2020, aangegeven welke werkzaamheden van belang zijn voor de maatstaf arbeid. De arbeidsdeskundige B&B heeft verder overwogen dat eiseres op 15 juni 2016 voor 8 uren per week bij de [naam] in dienst is getreden als sociaal raadsvrouw. Per 1 december 2016 wordt de arbeidsomvang op 24 uren gesteld, maar dat aantal uren wordt maar een paar weken feitelijk gewerkt. Daarna wordt er als gevolg van een arbeidsconflict niet meer feitelijk gewerkt. Dat laatste wordt niet anders als op papier per 1 februari 2017 de arbeidsomvang op 16 uren per week wordt gesteld tot einde dienstverband per 31 december 2017. De arbeidsdeskundige B&B komt tot de conclusie dat in dit geval de maatstaf arbeid sociaal raadsvrouw bij de [naam] voor 8 uren per week betreft. De enkele weken waarin eiseres 24 uren per week heeft gewerkt is zo klein dat daaraan geen betekenis kan toekomen. Aangezien eiseres verder voor 26 uren per week werkzaam is bij [naam] en voor 40 uren per week belastbaar is, wordt al met al de belastbaarheid van eiseres niet overschreden en is zij geschikt voor haar arbeid.
2.2.
Eiseres voert in haar brief van 22 december 2020 een aantal gronden aan. Voor zover die niet op wat hiervoor onder 1.1. en 1.2. is overwogen afstuiten, stelt eiseres dat het UWV er niet in is geslaagd om het bestreden besluit deugdelijk te motiveren. Eiseres vindt namelijk dat de rapportage van 10 november 2020 van arbeidsdeskundige B&B niets meer behelst dan een herhaling van zijn rapportage van 10 augustus 2020 die de rechtbank er eerder niet van weerhield te oordelen dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd.
3. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
In artikel 19, vijfde lid, eerste zin, van de ZW heeft de wetgever regels gegeven hoe de maatstaf arbeid moet worden bepaald van een verzekerde die geen werkgever heeft, zoals eiseres in dit geval. Het gaat dan om het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor haar arbeid zijn. De tweede zin van artikel 19, vijfde lid is in dit geval niet van toepassing omdat niet is voldaan aan het daarin gehanteerde uitgangspunt dat eiseres arbeidsgeschikt was voor het andere werk dat ten minste zes maanden werd verricht.
3.2.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat voor de maatstaf arbeid de werkzaamheden van de sociaal raadsvrouw gelden zoals eiseres die tot 1 februari 2017 bij de [naam] verrichtte en dat de non-activiteit buiten beschouwing moet blijven.
3.2.1.
De arbeidsdeskundige B&B heeft gemotiveerd dat daarvan uitgaande nog altijd geen sprake is van een overschrijding. Aan die conclusie heeft de arbeidsdeskundige B&B mede ten grondslag gelegd dat voor de bepaling van de maatstaf arbeid moet worden uitgegaan van een arbeidsduur van 8 uren per week met de hiervoor onder 2.1. weergegeven motivering. Hierin kan het UWV niet worden gevolgd. Aan eiseres is namelijk met het besluit van 15 januari 2018 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend op basis van 16 uren per week. Vanuit dit WW-recht heeft eiseres zich per 29 juli 2019 ziekgemeld, zodat dit als arbeidsduur moet worden aangehouden.
3.2.2.
Op de nadere zitting heeft het UWV gewezen op het rapport van psychiater dr. C.C. Kan van 19 maart 2018. Daarin staat (op pagina 5) dat eiseres de psychiater vertelt dat zij omstreeks januari 2017 in verband met een arbeidsconflict op non-actief is gesteld en dat zij vervolgens opnieuw op zoek is gegaan naar ander werk. Dat andere werk heeft eiseres gevonden bij [naam] waar zij op het moment van het schrijven van het rapport 27 uren per week zou werken. Met de daaropvolgende vraag van het UWV of de dienstbetrekking bij [naam] niet in de plaats is gekomen van de dienstbetrekking bij de [naam] , wordt de juistheid ter discussie gesteld van het eerdergenoemde besluit van 15 januari 2018 waarbij aan eiseres het WW-recht is toegekend. Dat kan in deze procedure niet aan de orde komen.
3.3.
Uit de medische rapportage ZW van 1 november 2019 volgt dat eiseres per 16 januari 2017 voor 24 uren per week als sociaal raadsvrouw werkzaam is bij [naam] en dat dit urenaantal op dat moment recent is uitgebreid tot 26 uren. Per de datum in geding (van 31 oktober 2019) moet dan ook van laatstgenoemd urenaantal worden uitgegaan. Dit betekent dat de belasting in de maatstaf gedurende 16 uren per week in samenloop met de belasting in de werkzaamheden bij [naam] gedurende 26 uren per week, resulteert in een gecombineerde belasting gedurende 42 uren per week. Eiseres wordt volgens de Functionele Mogelijkhedenlijst van 27 mei 2020 in staat geacht gedurende 40 uren per week te kunnen werken. Daarmee is er op dit punt sprake van een overschrijding. Wel is de rechtbank van oordeel dat de arbeidsdeskundige B&B voor het overige voldoende heeft gemotiveerd waarom de voor eiseres vastgestelde belastbaarheid niet wordt overschreden. Dat kan echter niet afdoen aan het oordeel dat op het punt van de arbeidsduur per week sprake is van een overschrijding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.122;
draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 48 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Burg, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 17 september 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
CRvB 9 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7433, CRvB 2 november 2012, ECLI:CRVB:2012:BY2116), en CRvB 8 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4390.
Vgl. CRvB 6 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2550.