Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2021-04-28
ECLI:NL:RBOBR:2021:2138
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,228 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 20/225
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2021 in de zaak tussen
Het Groene Hart , te Den Dungen , eiseres
(gemachtigde: [naam 1] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel, verweerder
(gemachtigde: V. van Hees).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 2] , te [woonplaats] .
Procesverloop
Bij besluit van 2 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een parapluhooiberg op het perceel [adres] .
Bij besluit van 9 december 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De zaak is behandeld op de zitting van 1 maart 2021, gelijktijdig met een aantal andere beroepzaken over parapluhooibergen. De gemachtigde van eiseres heeft online deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook de derde-partij is verschenen.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
De derde-partij woont op het perceel [adres] te [woonplaats] en heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een zogenoemde parapluhooiberg (de bouwtekening is als bijlage 1 aan de uitspraak gehecht).
Op het perceel was op dat moment het bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Michielsgestel 2e actualisatie” (bestemmingsplan) van toepassing.
Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad van Sint-Michielsgestel vastgesteld op 14 juni 2018. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening hadden onder meer betrekking op het onderdeel van het bestemmingsplan dat de bouw van nieuwe parapluhooibergen mogelijk maakt.
In de uitspraak van 21 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:559) heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen..
In het primaire besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)) verleend.
In de tussenuitspraak van 30 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:317) heeft de Afdeling het volgende geoordeeld: “Het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende stukken bieden geen inzicht in hoe de raad tot dit aantal mogelijke nieuwe hooibergen is gekomen. Waarom dit aantal vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is, heeft de raad dan ook niet draagkrachtig gemotiveerd. Dat nieuwe parapluhooibergen bij wijze van proef in het plan zijn voorzien, leidt niet tot een ander oordeel. Voorts betoogt de Vereniging terecht dat gebruiksregels voor parapluhooibergen ontbreken in het plan. Daarmee is het gebruik van parapluhooibergen onbegrensd en wordt daarmee ook gebruik toegestaan dat in strijd is met gemeentelijk of provinciaal beleid. Dit klemt temeer nu de maximale bouwhoogte van 8 meter en een maximale oppervlakte van 49 m² een verscheidenheid aan gebruiksmogelijkheden biedt. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt dat elke vorm van gebruik - zoals een bed & breakfast of vakantiewoning - uit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is. Gelet hierop heeft de raad ook onvoldoende gemotiveerd waarom gebruiksregels voor parapluhooibergen kunnen worden gemist. Het betoog slaagt.” De Afdeling heeft de gemeenteraad van Sint-Michielsgestel de gelegenheid geboden het gebrek te herstellen.
Op 16 juni 2020 heeft de gemeenteraad van Sint-Michielsgestel het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld (verder: het herstelplan).
2. Het bestreden besluit is genomen vóór de tussenuitspraak van de Afdeling. Overeenkomstig het advies van de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.
3.1
Eiseres wijst in de eerste plaats op de tussenuitspraak van de Afdeling van 30 januari 2020 over het bestemmingsplan waarin de locatie van de bestreden omgevingsvergunning valt.
3.2
Ten tijde van het bestreden besluit was het bestemmingsplan in werking getreden maar nog niet onherroepelijk. Uit de tussenuitspraak van de Afdeling volgt dat het bestemmingsplan ten aanzien van nieuwe parapluhooibergen voor vernietiging in aanmerking komt. In de tussenuitspraak van de Afdeling heeft de Afdeling geen voorlopige voorziening getroffen ten aanzien van dit planonderdeel. Het betreffende planonderdeel is ook niet vernietigd in de tussenuitspraak.
3.3
In de uitspraak van 21 december 1999 (ECLI:NL:RVS:1999:AA4296) aanvaardde de Afdeling een uitzondering op de hoofdregel dat de vernietiging van een bestemmingsplan terugwerkende kracht heeft. Deze rechtspraak is iets genuanceerd in de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:92) maar geldt onverkort in zaken zoals deze zaak (zie de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:626).
3.4
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit de bouwaanvraag heeft moeten toetsen aan het bestemmingsplan dat gold ten tijde van de aanvraag, ongeacht de omstandigheid dat een hoger beroep tegen de vaststelling van dit bestemmingsplan was ingesteld en dat het bestemmingsplan ten tijde van het bestreden besluit nog niet onherroepelijk was. Dit betekent echter niet dat verweerder zonder meer moet uitgaan van de rechtmatigheid van het bestemmingsplan. Eiseres heeft in het bezwaarschrift gewezen op de lopende procedure bij de Afdeling en specifiek op het ontbreken van afdwingbare gebruiksregels voor parapluhooibergen. Verweerder had zich, in kader van de volledige heroverweging van het primaire besluit, moeten afvragen of het bezwaarschrift aanleiding zou moeten geven om het bestemmingsplan buiten toepassing te laten. Dat heeft verweerder niet gedaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aanleiding had moeten zien om het bestemmingsplan (zoals dat was vastgesteld in 2018) buiten toepassing te laten voor zover het bestemmingsplan de bouw van nieuwe parapluhooibergen mogelijk maakt omdat het bestemmingsplan in strijd is met provinciaal beleid, meer in het bijzonder met de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV). In artikel 3.73 van de IOV is de nieuwvestiging van niet agrarische functies in het buitengebied slechts onder bepaalde voorwaarden toegestaan. In de toelichting op het bestemmingsplan is niet inzichtelijk gemaakt dat aan deze voorwaarden is voldaan. In de planregels zijn geen voorwaarden gesteld aan het gebruik van parapluhooibergen.
3.5
De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel onvoldoende is gemotiveerd. Het bestreden besluit komt reeds daarom voor vernietiging in aanmerking.
3.6
Inmiddels is het herstelplan vastgesteld. Hierin zijn wel gebruiksregels voor parapluhooibergen opgenomen. In artikel 3.5 onder f van de planregels is het gebruik van een parapluhooiberg als verblijfsruimte verboden. Met deze planregel wordt deels tegemoet gekomen aan de tussenuitspraak van de Afdeling. Het beroep van eiseres bij de Afdeling ziet op het aantal parapluhooibergen maar niet op een specifieke parapluhooiberg. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet heeft onderbouwd waarom deze parapluhooiberg op deze plek niet ruimtelijk aanvaardbaar is. De rechtbank ziet hierin aanleiding om te beoordelen of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in de procedure inzake het bestemmingsplan nog een zitting zal worden gehouden door de Afdeling en dat een einduitspraak van de Afdeling, naar verwachting nog enige tijd op zich zal laten wachten.
4.1
Eiseres is van mening dat een parapluhooiberg een dragende paal moet hebben.
4.2
In het herstelplan is het begrip ‘parapluhooiberg’ als volgt gedefinieerd: “een vrijstaand bouwwerk, niet zijnde een verblijfsruimte, dat bestaat uit één (dragende) paal in het midden, eventueel omsloten door wanden van maximaal 3 meter hoogte, en een houten dakconstructie, met daarop riet, stro of metalen golfplaten als dakbedekking, dat in sommige gevallen langs de paal op en neer kan bewegen”.
4.3
De rechtbank is van oordeel dat het door de derde-partij aangevraagde bouwwerk voldoet aan deze definitie. Deze beroepsgrond van eiseres mist feitelijke grondslag en faalt.
5.1
Eiseres vreest dat de begane grond van het vergunde bouwwerk zal worden gebruikt als verblijfsruimte en niet voor opslag van landbouwproducten is bedoeld. De duiding door verweerder valt ook niet te verenigen met cultuurhistorische hersteldoelstelling die aan het bestemmingsplan ten grondslag ligt.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de bezwaren van eiseres tegen dit bouwplan ongegrond zijn verklaard;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde (gedeelte van het) bestreden besluit in stand blijven;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,00 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 28 april 2021.
griffier rechter
De rechter is verhinderd dezeuitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bijlage 1
Bijlage 2, Relevante bepalingen uit het herstelplan
1.96
parapluhooiberg
een vrijstaand bouwwerk, niet zijnde een verblijfsruimte, dat bestaat uit één (dragende) paal in het midden, eventueel omsloten door wanden van maximaal 3 meter hoogte, en een houten dakconstructie, met daarop riet, stro of metalen golfplaten als dakbedekking, dat in sommige gevallen langs de paal op en neer kan bewegen;
3.1
Bestemmingsomschrijving
De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor: (…)ter plaatse van de aanduiding ‘specifiek vorm van agrarisch – parapluhooiberg’ een paraplu hooiberg.
3.2.5
Bouwwerken buiten het bouwvlak
Voor het bouwen van bouwwerken buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen:
Buiten het bouwvlak zijn uitsluitend parapluhooibergen , erf- en perceelsafscheidingen toegestaan;
Parapluhooibergen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – parapluhooiberg’, met dien verstande dat:
de goothoogte niet meer mag bedragen dan 5 meter;
de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 8 meter;
in afwijking van het bepaalde onder 2 de bouwhoogte met maximaal 2 meter mag worden overschreden ten behoeve van de paal;
de maximale oppervlakte niet meer mag bedragen dan 49 m2;
aan- en uitbouwen niet zijn toegestaan.
de bouwhoogte van de wanden maximaal 3 meter mag bedragen;
tussen de wanden en de goothoogte minimaal 2 meter vrij van wanden en/of muren dient te zijn.
het niet is toegestaan de wanden volledig af te dekken met een plafond.
3.5
Specifieke gebruiksregels
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: het gebruik van parapluhooibergen ten behoeve van een verblijfsruimte;