Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2016-03-01
ECLI:NL:RBOBR:2016:1723
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Mondelinge uitspraak
2,708 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 15/6696 T
proces-verbaal van de mondelinge tussenuitspraak van de meervoudige kamer van1 maart 2016 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cuijk, verweerder
(gemachtigden: C.M.A.P. Burgman-Linssen, W.A.M. Rijkers en P. Broekmans).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghoudster] ,
te [plaats] , vergunninghoudster, gemachtigde: [gemachtigde vergunninghoudster] .
Procesverloop
Bij besluit van 26 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder een projectbesluit genomen als bedoeld in artikel 3.10 (oud) van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en aan vergunninghoudster een bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een bedrijfshal bij de nertsenhouderij aan de [adres] .
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2016.
Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank:
stelt verweerder tot en met 15 april 2016 in de gelegenheid het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Overwegingen
1.1
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Vergunninghoudster exploiteert aan de [adres] een nertsenhouderij met 5.000 fokteven. Voor deze inrichting zijn op 1 april 2008, 29 maart 2011 en 31 oktober 2013 milieuvergunningen verleend. Een melding als bedoeld in artikel 8.19 van de Wet milieubeheer (oud), waarbij de beoogde bedrijfshal is aangegeven op de inrichtingstekening, is door verweerder geaccepteerd bij besluit van 19 augustus 2008. Op 27 juli 2009 heeft vergunninghoudster bij verweerder een reguliere bouwaanvraag eerste fase ingediend voor het oprichten van de bedrijfshal bij de bestaande nertsenhouderij. De bedrijfshal heeft een oppervlakte van ongeveer 1.065 m² en zal worden gebruikt als pels- en droogruimte en opslagruimte. Er zullen geen dieren in de bedrijfshal worden gehuisvest. De bedrijfshal zal worden opgericht aan de oostkant van de huidige bedrijfsbebouwing.
1.2
Het perceel waarop de aanvraag ziet is gelegen in een gebied waarvoor het bestemmingsplan “Buitengebied 2010” geldt. Op het perceel rust de bestemming “Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden” en dubbelbestemming “Waarden - archeologie 5”. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat het bouwwerk is gesitueerd buiten het op de plankaart aangewezen bouwvlak. Om realisering van het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft verweerder krachtens artikel 3.10, eerste lid, van de Wro (oud) een projectbesluit genomen. Het ontwerpbesluit heeft van 24 juni 2015 tot en met 4 augustus 2015 ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn heeft eiseres, die woont ten westen van de nertsenhouderij, een zienswijze ingediend.
2. De rechtbank stelt voorop dat op 1 oktober 2010 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking is getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een bouwvergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend.
3.1
Eiseres heeft gewezen op de Wet verbod pelsdierhouderij (Wvp). Zij denkt (kort samengevat) dat verweerder mogelijk een andere beslissing zou hebben genomen, als het besluit zou zijn genomen na de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 10 november 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:3025). Uitbreiding van het bedrijf past volgens haar niet bij de doelstelling van de Wvp. Bovendien zou de provincie hebben toegezegd vergunningen in te trekken als de Wvp weer van kracht zou worden. Tot slot leidt het bestreden besluit ertoe dat de afkoopsom voor het bedrijf onder de Wvp alleen maar hoger wordt, aldus eiseres.
3.2
De rechtbank is van oordeel dat de Wvp kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van eiseres. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat aan de Wvp geen ruimtelijke ordeningsmotieven ten grondslag liggen maar overwegingen van dierenwelzijn en ethiek. Deze hebben geen betrekking op de bescherming van de omgeving. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding inhoudelijk in te gaan op deze beroepsgronden, omdat deze gronden ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
4.1
Eiseres merkt voorts op dat aan de voorwaarde in artikel 5 van de planregels voor het vergroten van het bouwblok van een intensieve veehouderij niet is voldaan.
4.2
Verweerder heeft hierover opgemerkt dat de vergunde bedrijfshal na de beëindiging van de nertsenhouderij ook goed bruikbaar is ten behoeve van een andere vorm van intensieve veehouderij, mede gelet op de hoogte van de bedrijfshal.
4.3
Weliswaar is sprake van een projectbesluit en niet van een binnenplanse ontheffing of wijziging, maar dit neemt niet weg dat de onderliggende motieven voor de voorwaarde in artikel 5.7.2 onder c, van de planregels (zuinig ruimtegebruik en een ruimtelijk-economische noodzaak voor de lange termijn) ruimtelijk relevante aspecten zijn die verweerder bij zijn besluitvorming moet betrekken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat ook op langere termijn de vergunde bedrijfshal voor agrarische bedrijfsvoering kan worden aangewend. Verweerder heeft in de genoemde onderliggende motieven geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag te weigeren.
5.1
Eiseres merkt voorts op dat “beschermd groen” wordt opgeofferd voor een bedrijf dat weg moet. Voorts heeft zij gewezen op de geurhinder van de nertsenhouderij. Daar heeft ze al jarenlang last van. Ter zitting heeft zij verwezen naar de Verordening Ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (VR 2014) en naar de voorgeschreven afstand in de Circulaire Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (Circulaire).
5.2
Verweerder erkent dat niet wordt voldaan aan de richtafstand in de Circulaire, maar ter motivering van de afwijking van de Circulaire heeft verweerder opgemerkt dat in de bedrijfshal geen dieren worden gehouden en dat wordt voldaan aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Verweerder heeft pas ter zitting gesteld dat het beoogde gebruik van de bedrijfshal als pels- en droogruimte al is geaccepteerd bij het besluit van 20 augustus 2008 op de melding en dat hierdoor vaststaat dat er geen sprake is van nadelige (geur)hinder voor de omgeving. In het bestreden besluit had verweerder overigens nog aangegeven dat voor het gebruik van de bedrijfshal als pels- en opslagruimte nog geen aanvraag omgevingsvergunning was ingediend. De ruimtelijke onderbouwing bevat ook een landschappelijk inpassingsplan en maakt deel uit van het bestreden besluit.
5.3
De derde-partij heeft aangegeven dat er onderzoek is verricht naar de geurhinder vanwege het pelzen (eigenlijk: ontpelzen) en drogen, alsmede naar de hoogte van de achtergrondbelasting in het gebied inclusief de bijdrage van de nertsenhouderij.
5.4
In artikel 1.79 van de VR 2014 wordt onder uitbreiding verstaan: de vergroting van een bestaand bouwperceel of bestaand bestemmingsvlak.
Ingevolge artikel 7.3 van de VR 2014 kan een bestemmingsplan (en ook een projectbesluit) voorzien in een uitbreiding van een veehouderij, mits:
a. is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan;
b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;
c. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving;
d. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
e. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 μg/m3;
f. de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat;
g. de toelichting een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.
5.5
In het bestreden besluit is niet aangegeven wat de achtergrondbelasting is in het gebied. Daarom kan niet worden vastgesteld of wordt voldaan aan de voorwaarde in artikel 7.3, eerste lid onder d, van de VR 2014. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.
Procesverloop
9. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, voorzitter, en mr. M.J.H.M. Verhoeven en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2016.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.