Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-03-27
ECLI:NL:RBNNE:2026:993
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,070 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:993 text/xml public 2026-03-30T13:00:32 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-27 18/073146-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Assen Strafrecht; Materieel strafrecht Wetboek van Strafrecht 57 Wetboek van Strafrecht 150 Wetboek van Strafrecht 350 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:993 text/html public 2026-03-30T13:00:07 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:993 Rechtbank Noord-Nederland , 27-03-2026 / 18/073146-25 Veroordelingen voor een brandstichting met gevaar voor goederen en levensgevaar en vernielingen in en om een politiecel tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Assen parketnummer 18/073146-25 vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/126772-23 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling ] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 september 2025 en 13 maart 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S.H. Lek, advocaat te Winschoten. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.R. Stoeten. Tenlastelegging Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: hij, op of omstreeks 8 maart 2025 te Emmen, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht door de vlam van een aansteker, althans open vuur in aanraking te brengen met een of meerdere kledingstukken, in ieder geval met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat/die kledingstuk(ken), althans brandbare stof(fen) en/of het slaapverblijf/appartement waarin dat/die kledingstuk(ken), althans brandbare stof(fen) zich bevonden, te weten slaapverblijf/appartement [naam appartement] van het [instelling ] , gelegen aan de [adres] en/of de in dat slaapverblijf/appartement aanwezige goederen, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd slaapverblijf/appartement en/of voor de in dat slaapverblijf/appartement aanwezige inboedel en/of voor (de inboedel van) de aangrenzende appartementen en/of slaapverblijven, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de personen die zich bevonden in de slaapverblijven en/of appartementen gelegen naast en/of nabij voornoemd slaapverblijf/appartement te duchten was; 2. hij, op of omstreeks 10 maart 2025 te Assen, opzettelijk en wederrechtelijk een cel en/of een gang en/of een toilet en/of een camera en/of een kijkgat en/of lakens en/of beddengoed, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Politie Noord-Nederland, toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1 en 2. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Oordeel van de rechtbank Ten aanzien van feit 1 De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Deze opgave luidt als volgt: 1. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 september 2025; 2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 maart 2025, opgenomen op pagina 26 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025063148 d.d. 23 mei 2025, inhoudend de verklaring van [naam 1] ; 3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres] ) d.d. 13 maart 2025, opgenomen op pagina 48 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] . De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 8 maart 2025 opzettelijk brand heeft gesticht in slaapverblijf/appartement [naam appartement] van het [instelling ] te Emmen, alwaar verdachte op dat moment verbleef. De rechtbank is van oordeel dat bij de brandstichting gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Door de brand te stichten heeft verdachte gezien de vaststaande feiten en omstandigheden naar algemene ervaringsregels voorzienbaar gemeen gevaar voor voornoemd slaapverblijf/appartement, de daarin aanwezige inboedel, alsmede (de inboedel van) de aangrenzende slaapverblijven/appartementen veroorzaakt. Dit gevaar heeft zich gedeeltelijk ook daadwerkelijk verwezenlijkt, nu een groot deel van het slaapverblijf/appartement van verdachte is afgebrand. Uit het dossier volgt dat ten tijde van de brandstichting ongeveer 35 bewoners en 3 begeleiders van het [instelling ] in het pand aanwezig waren. Het is een feit van algemene bekendheid dat een brand zich snel kan ontwikkelen en een onbeheersbaar karakter kan aannemen. Uit het dossier volgt ook dat sprake is geweest van een sterk uitslaande brand met hevige rookontwikkeling. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat bij de brandstichting tevens sprake was van naar algemene ervaringsregels voorzienbaar te duchten levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen. De rechtbank acht het ten laste gelegde derhalve bewezen. Ten aanzien van feit 2 de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 september 2025; een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 maart 2025, opgenomen op pagina 92 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [naam 2] . Bewezenverklaring De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: hij op 8 maart 2025 te Emmen opzettelijk brand heeft gesticht door de vlam van een aansteker in aanraking te brengen met kledingstukken, ten gevolge waarvan die kledingstukken, en het slaapverblijf/appartement waarin die kledingstukken zich bevonden, te weten slaapverblijf/appartement [naam appartement] van het [instelling ] , gelegen aan de [adres] en de in dat slaapverblijf/appartement aanwezige goederen, geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd slaapverblijf/appartement en voor de in dat slaapverblijf/appartement aanwezige inboedel en voor (de inboedel van) de aangrenzende appartementen/slaapverblijven, en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de personen die zich bevonden in de slaapverblijven/appartementen gelegen naast en nabij voornoemd slaapverblijf/appartement te duchten was; 2. hij op 10 maart 2025 te Assen opzettelijk en wederrechtelijk een cel, een gang, een toilet, een camera, een kijkgat, lakens en beddengoed, die aan een ander, te weten aan Politie Noord-Nederland, toebehoorden heeft vernield en/of onbruikbaar gemaakt. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en terwijl daarvan levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en onbruikbaar maken. Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Volledig
Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van voorarrest, waarbij het ten laste gelegde volledig aan verdachte wordt toegerekend. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de op te leggen straf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de omtrent verdachte opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 februari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich op 8 maart 2025 schuldig gemaakt aan brandstichting bij het [instelling ] te Emmen, waarbij gevaar voor goederen en levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen is ontstaan. Dit is een zeer ernstig strafbaar feit. Brandstichting betreft een (potentieel) bijzonder destructief en gevaarzettend feit, waarbij voor goederen en/of personen zeer gevaarlijke situaties kunnen ontstaan. Een brand kan snel een grote vorm aannemen en een onbeheersbaar karakter krijgen. Daarnaast kan brandstichting gevoelens van angst en onveiligheid oproepen bij anderen, leiden tot maatschappelijke onrust en aanzienlijke materiële schade tot gevolg hebben. Voorts heeft verdachte zich op 10 maart 2025 schuldig gemaakt aan het vernielen dan wel onbruikbaar maken van zijn cel, een gang, toilet, camera, kijkgat, lakens en beddengoed. De rechtbank vindt dit een zeer vervelend en overlastgevend feit, waarmee verdachte geen enkel respect toont voor de eigendommen van anderen. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 februari 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de omtrent verdachte opgemaakte Pro Justitia rapportages en reclasseringsadviezen. Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan psychologisch onderzoek door GZ-psycholoog N. van der Weegen (rapportages d.d. 25 juni 2025 en 28 januari 2026) en psychiatrisch onderzoek door psychiater N. van de Weg (rapportage d.d. 26 januari 2026). De deskundigen hebben derhalve hebben geen onderzoek kunnen doen naar eventuele stoornissen en de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Verdachte heeft bij de deskundigen aangegeven dat hij geen hulpverlening wil en na afloop van de strafzaak Nederland wil verlaten. De reclassering heeft in haar advies van 9 maart 2026 overwogen dat verdachte niet responsief is voor enige vorm van hulp dan wel reclasseringsinterventies. De reclassering adviseert geen toezicht of bijzondere voorwaarden op te leggen. Ook adviseert zij, mede gelet op het moeizame verloop van het eerder opgelegde reclasseringstoezicht, de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen. Als gevolg van het feit dat verdachte niet heeft meegewerkt aan het Pro Justitia onderzoek, kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten verminderd toerekeningsvatbaar was. De rechtbank zal de feiten volledig aan verdachte toerekenen. Op te leggen straf Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de ernst van het bewezenverklaarde en de persoon van verdachte is de rechtbank van oordeel dat, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie, oplegging aan verdachte van een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. Benadeelde partij Ten aanzien van feit 2 Politie Noord-Nederland heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 341,04 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De gevolmachtigde van Politie Noord-Nederland heeft tijdens de zitting van 12 september 2025 verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, nu de politie te maken heeft met veel vorderingen tot schadevergoeding en het extra capaciteit en tijd vergt om die vorderingen zelf te incasseren. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering tot schadevergoeding gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel niet wordt opgelegd. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 2 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 10 maart 2025. Politie Noord-Nederland heeft verzocht bij een veroordeling tot vergoeding van de schade de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De rechtbank doet dit niet. De ratio van de schadevergoedingsmaatregel is om natuurlijke personen te ontlasten bij de inning van schadevergoeding. Van (grotere) rechtspersonen zoals Politie Noord-Nederland mag worden verwacht dat zij zelf goed in staat zijn om de toegewezen vordering te (laten) incasseren. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Vordering na voorwaardelijke veroordeling Bij onherroepelijk vonnis van 29 augustus 2023 van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De proeftijd is ingegaan op 13 september 2023. De officier van justitie heeft bij vordering van 15 augustus 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging gevorderd. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging gedeeltelijk toe te wijzen. Oordeel van de rechtbank Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de aan verdachte opgelegde voorwaardelijke straf. De rechtbank ziet geen aanleiding om de tenuitvoerlegging van slechts een gedeelte van de voorwaardelijk opgelegde straf te gelasten. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 57, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden.