Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-09-04
ECLI:NL:RBNNE:2026:3786
Leerplicht. Vrijstelling van rechtswege op grond van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969. E-mail van de leerplichtambtenaar waarin om nadere informatie wordt gevraagd, is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, omdat deze niet is gericht op rechtsgevolg. Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Beroep ongegrond. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/1924 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen [eisers] , uit [woonplaats] , eisers (gemachtigde: [gemachtigde] ), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen, het college (gemachtigden: L. Wijnen en mr. H. van Essen). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de vraag of een e-mail van de leerplichtambtenaar, waarin aan eisers om nadere informatie is gevraagd over hun kennisgeving van vrijstelling van de leerplicht van hun zoon, een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers voeren aan dat de vrijstelling van de leerplicht van hun zoon van rechtswege is ontstaan, omdat hun kennisgeving voldoet aan de voorwaarden van de Leerplichtwet 1969. Volgens hen was de leerplichtambtenaar daarom niet bevoegd om aanvullende informatie op te vragen of te beoordelen of de vrijstelling is ontstaan. Het college stelt zich op het standpunt dat de e-mail geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en heeft het bezwaar daarom niet-ontvankelijk verklaard. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. 1.1. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De e-mail van de leerplichtambtenaar is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, omdat deze niet is gericht op enig rechtsgevolg. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. Procesverloop 2. Op 9 maart 2025 hebben eisers aan het college een kennisgeving gedaan van een beroep op vrijstelling van de leerplicht van hun zoon op grond van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969. 2.1. Op 17 maart 2025 heeft de leerplichtambtenaar eisers verzocht nadere informatie te verstrekken. Nadat eisers op 21 maart 2025 een overzicht van de schoolrichtingen op redelijke afstand hadden toegezonden, heeft de leerplichtambtenaar op 24 maart 2025 meegedeeld dat de kennisgeving niet volledig was en dat daarom niet beoordeeld kon worden of het beroep op vrijstelling op de juiste gronden is gedaan. 2.2. Bij besluit van 30 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers tegen de e-mail van 17 maart 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze e-mail geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. 2.3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 3. De rechtbank stelt vast dat zij in deze procedure uitsluitend kan beoordelen of het college het bezwaar van eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat betekent dat uitsluitend ter beoordeling staat of de e-mail van 17 maart 2025 een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vraag of de kennisgeving van eisers al dan niet voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 6 en 8 van de Leerplichtwet 1969 en of hun zoon daadwerkelijk is vrijgesteld van de leerplicht. Heeft het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard? 4. Eisers voeren aan dat de leerplichtambtenaar niet bevoegd was om hun kennisgeving inhoudelijk te beoordelen of aanvullende informatie te verlangen. Volgens eisers ontstaat een vrijstelling van de leerplicht van rechtswege indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 6 en 8 van de Leerplichtwet 1969. Door alsnog aanvullende informatie te verlangen en vervolgens mee te delen dat geen vrijstelling van rechtswege is ontstaan, heeft de leerplichtambtenaar volgens eisers feitelijk een besluit genomen. 4.1. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Van een publiekrechtelijke rechtshandeling is sprake indien de handeling is gericht op enig rechtsgevolg. 4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vloeit een vrijstelling op grond van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 rechtstreeks uit de wet voort, mits is voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 6 en 8 van die wet. De vrijstelling wordt dus niet verleend door middel van een besluit van het college of de leerplichtambtenaar. Dat betekent ook dat het college geen wettelijke bevoegdheid heeft om op een verzoek om vrijstelling een inhoudelijk besluit te nemen. 4.3. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de e-mail van 17 maart 2025 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Met die e-mail heeft de leerplichtambtenaar uitsluitend om nadere informatie gevraagd. De e-mail brengt geen wijziging in de rechten of verplichtingen van eisers en is niet gericht op enig rechtsgevolg. Ook de mededeling dat op basis van de op dat moment beschikbare informatie niet kon worden vastgesteld dat van rechtswege een vrijstelling was ontstaan, maakt dat niet anders. Daarmee is geen publiekrechtelijke rechtshandeling verricht. 4.4. De rechtbank begrijpt dat eisers zich op het standpunt stellen dat de leerplichtambtenaar met het verzoek om aanvullende informatie en de mededeling dat geen vrijstelling van rechtswege is ontstaan, feitelijk een bevoegdheid heeft uitgeoefend die de Leerplichtwet 1969 niet toekent. Dat betoog kan echter niet slagen. Ook als de leerplichtambtenaar ten onrechte aanvullende informatie heeft gevraagd of de Leerplichtwet 1969 onjuist heeft uitgelegd, maakt dat de e-mail nog niet tot een publiekrechtelijke rechtshandeling. De e-mail is namelijk niet gericht op enig rechtsgevolg en is daarom geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. 4.5. Omdat de e-mail van 17 maart 2025 geen besluit is, stond daartegen geen bezwaar open. Het college heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. 4.6. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 1:3, eerste lid Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.