Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-08-18
ECLI:NL:RBNNE:2026:3517
Verplaatsing bushalte. Beide partijen zijn er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hun belangen zwaarwegend zijn. Verzoeker heeft zijn belang tot op zekere hoogte onderbouwd, terwijl verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat het belang van de verkeersveiligheid de verplaatsing van de bushalte noodzakelijk maakt. Relevant is dat verweerder bij de heroverweging op bezwaar het verkeersbelang niet van een deugdelijk onderbouwing heeft voorzien. Om die reden kent de voorzieningenrechter meer gewicht toe aan het belang van verzoeker en treft hij een voorlopige voorziening. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 26/2341 uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2026 in de zaak tussen [naam] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. T.R. Sturrus), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiermonnikoog , verweerder (gemachtigden: mr. L.M. Blankestijn, mr. J. Ydema en mr. S. Dolfing). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de verplaatsing van een bushalte op de [straatnaam] . Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoeker als volgt af. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot de toewijzing komt en welke gevolgen dit heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Totstandkoming van het bestreden besluit en procesverloop 2.1. Het geschil betreft een bushalte aan de [straatnaam] te Schiermonnikoog. De [straatnaam] is een weg waarop alleen busverkeer en (gemotoriseerd) bestemmingsverkeer is toegestaan, met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. Daarnaast wordt de weg gebruikt door fietsers en voetgangers. 2.2. Verweerder heeft een verzoek ontvangen om de bushalte, die nu gesitueerd is ter hoogte van [straatnaam] 33, vanwege ondervonden overlast, te verplaatsen. Op 29 augustus 2025 heeft verweerder de politie gevraagd om een advies over het voorgenomen verkeersbesluit. Bij e-mailbericht van 1 september 2025 heeft een politiemedewerker positief geadviseerd. 2.3. Met het primaire besluit van 30 september 2025 heeft verweerder besloten om het haltebord te verplaatsen van de berm voor [straatnaam] 33 naar de berm voor [straatnaam] 31. Verweerder heeft verwezen naar de verkeersbelangen zoals genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet. 2.4. De woning van verzoeker heeft het officiële adres aan een parallelweg van [straatnaam] , maar de achterkant van de woning ligt aan [straatnaam] 31. Dit gedeelte verhuurt verzoeker als vakantiewoning. Buiten de verhuurperiodes maakt hij ook zelf gebruik van dit gedeelte. Op 20 oktober 2025 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij brief van 22 oktober 2025 heeft verweerder verzoeker bericht te wachten met de verplaatsing van het bushaltebord tot twee weken na het besluit op bezwaar. 2.5. Op 11 februari 2026 heeft de Adviescommissie bezwaarschriften van de gemeente Schiermonnikoog een hoorzitting gehouden over het bezwaar. Op 16 april 2026 heeft deze commissie verweerder geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren. 2.6. Met het nu bestreden besluit van 9 juni 2026 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en verweerder gevraagd om nog niet over te gaan tot verplaatsing van het bushaltebord. Bij e-mailbericht van 30 juni 2026 heeft verweerder verzoeker bericht niet bereid te zijn nog langer te wachten met de uitvoering van het verkeersbesluit. 2.7. Verzoeker heeft 20 juli 2026 de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft bericht te wachten met uitvoering van het verkeersbesluit tot de uitspraak op het verzoek. 2.8. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. De gemachtigde van verzoeker heeft een nadere reactie ingezonden. 2.9. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde en door mr. G. Kalsbeek, en de gemachtigden van verweerder. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4. Over de spoedeisendheid heeft verweerder terecht naar voren gebracht dat de verplaatsing van het bushaltebord, in geval van een gegrond beroep, eenvoudig ongedaan gemaakt kan worden. Toch neemt de voorzieningenrechter spoedeisendheid aan omdat de door verzoeker gestelde overlast achteraf niet terug te draaien zal zijn. 5. De beoordelingsmaatstaf voor een verkeersbesluit is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als volgt geformuleerd : Het college komt bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 genoemde begrippen. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop het college van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of het college redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen. Nadat het college heeft vastgesteld welke verkeersbelangen naar zijn oordeel bij het besluit moeten worden betrokken, moet het die belangen tegen elkaar afwegen. Bij die afweging heeft het bestuursorgaan beleidsruimte. De bestuursrechter gaat niet na of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen (artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht). 6. De voorzieningenrechter overweegt dat belangenafweging de kern is van bovengenoemde beoordelingsmaatstaf. In dit geval zijn beide partijen er vooralsnog niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hun belangen zwaarwegend zijn. Hierover merkt de voorzieningenrechter het volgende op. 6.1.1. In het (primaire) verkeersbesluit heeft verweerder overwogen dat er bij de huidige halte voor [straatnaam] 33 beperkte ruimte is voor wachtende busreizigers om zich op te stellen, vanwege de ligging tussen grote bomen met dikke stammen, dat er bij het huidige haltebord beperkt zicht op de weg is, vanwege deze bomen, dat bij drukte reizigers op de weg gaan staan en dat voor [straatnaam] 31 meer ruimte voor reizigers beschikbaar is om zich veilig op te stellen. In het bestreden besluit op bezwaar heeft verweerder hieraan, in de eerste plaats, toegevoegd dat de verplaatsing de verkeersveiligheid kan verbeteren wegens de uitbreiding van ruimte voor wachtende reizigers en het verbeteren van het zicht op de weg. In de tweede plaats heeft verweerder toegevoegd dat de verplaatsing noodzakelijk is, omdat de groeiende iepenbomen ter hoogte van de huidige bushalte het zicht steeds meer zullen beperken. 6.1.2. De voorzieningenrechter overweegt dat hieruit niet blijkt dat zich op de [straatnaam] ter hoogte van de [straatnaam] een evident probleem met de verkeersveiligheid voordoet. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat het gaat om een weg (zie 2.1.) die uitsluitend door bestemmingsverkeer wordt gebruikt en waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt. Wel heeft verweerder zowel in de bezwaarprocedure als op de zitting van de voorzieningenrechter gesproken over de constatering van een toezichthouder dat zich een verkeersonveilige situatie voordoet, maar van een dergelijke constatering is in het dossier niets opgenomen. Het advies van de zijde van de politie spreekt hier niet over. 6.2.1. Verzoeker voert aan dat het verzoek om de bushalte te verplaatsen (2.2.), is gedaan wegens de overlast die de bushalte met zich meebrengt. Die overlast zal zich dus verplaatsen naar de berm bij zijn woning. De overlast zal zijn dat de busreizigers zich pal voor de woning zullen opstellen, dat de berm vertrapt zal worden en dat het geluid van de stoppende en optrekkende zware elektrische bus nadrukkelijk in de woning hoorbaar zal zijn. Hiermee wordt de woning ook minder aantrekkelijk voor huurders en voor verzoeker zelf. 6.2.2. De voorzieningenrechter overweegt dat de halte uitsluitend een instaphalte is die slechts vijf keer per dag (op feestdagen vier keer per dag) wordt gebruikt, dat niet op alle dagen van de week sprake is van drukte, dat de busreizigers zich nu ook al deels voor de woning opstellen, dat de huurders van het vakantiegedeelte van de woning van verzoeker bij gelegenheid zelf ook gebruik maken van de bus en dat verzoeker ook nu al het stoppen en optrekken van de bus waarneemt. Grote overlast (of de toename daarvan) voor verzoeker door de verplaatsing is daarom nog niet aannemelijk geworden. 6.3. Na deze kanttekeningen komt de voorzieningenrechter tot het volgende oordeel. Verzoeker heeft zijn belang tot op zekere hoogte onderbouwd, terwijl verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat het belang van de verkeersveiligheid de verplaatsing van de bushalte noodzakelijk maakt. Relevant is dat verweerder bij de heroverweging op bezwaar in de gelegenheid is geweest het verkeersbelang van een deugdelijk onderbouwing te voorzien, bijvoorbeeld door een notitie over te leggen waaruit blijkt dat en waarom een toezichthouder concludeert dat er een verkeersonveilige situatie is, maar dat niet heeft gedaan. Om die reden kent de voorzieningenrechter meer gewicht toe aan het belang van verzoeker en treft hij een voorlopige voorziening. Conclusie en gevolgen 7.1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit op bezwaar en het primaire besluit van 30 september 2025 zijn geschorst tot de uitspraak op het beroep. 7.2. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Beslissing De voorzieningenrechter: - schorst het bestreden besluit en het primaire besluit tot de uitspraak op het beroep; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:4 1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. 2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Wegenverkeerswet 1994 Artikel 2 1. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot: a. het verzekeren van de veiligheid op de weg; b. het beschermen van weggebruikers en passagiers; c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan; d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer. Artikel 15 1. De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit. 2. Maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer geschieden krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken. Zie de uitspraken van 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2320, van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3908 en van 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:499.