Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-01-29
ECLI:NL:RBNNE:2026:201
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Groningen Zaaknummer: C/18/249844 / FA RK 25-5458 Datum uitspraak: 29 januari 2026 Beschikking over het beëindigen van het gezag en het ontzeggen van omgang in de zaak van [Naam van de moeder] , wonende in [woonplaats 1] , hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. K.B. Spoelstra, kantoorhoudende in Groningen, tegen [Naam van de vader] , wonende in [woonplaats 2] , hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. A.E. van Nimwegen, kantoorhoudende in Delfzijl, over [Naam van de minderjarige] , geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De rechtbank heeft in zijn adviserende rol opgeroepen: de Raad voor de Kinderbescherming , regio Noord-Nederland, locatie Groningen, hierna te noemen: de Raad. 1 Het procesverloop 1.1. Deze procedure is ingeleid met het verzoekschrift met bijlagen van de moeder van 7 november 2025 dat door de rechtbank op diezelfde datum is ontvangen. 1.2. Op 4 december 2025 heeft de rechtbank een bericht ontvangen waarin mr. A.E. van Nimwegen zich stelt als advocaat namens de vader. 1.3. Op 15 december 2025 heeft de kinderrechter met [de minderjarige] gesproken. 1.4. Op 29 december 2025 heeft de rechtbank het verweerschrift met bijlagen van de vader ontvangen. 1.5. Op 6 januari 2026 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. De rechtbank heeft toen gesproken met de moeder, de vader, hun advocaten en drs. [naam] die de Raad vertegenwoordigt. 1.6. Ten slotte is bepaald dat deze beschikking zal worden gegeven. De rechtbank zal het verzoek de moeder afwijzen en zal de gronden waarop de uitspraak rust uitwerken in deze beschikking 2 De feiten 2.1. De kinderrechter kan bij de beoordeling van het verzoek uitgaan van de volgende feiten die blijken uit de onweersproken gebleven inhoud van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is verteld. 2.2. De ouders hebben achttien jaar een relatie gehad, welke rond 2021 is verbroken. 2.3. Uit deze relatie is de nu minderjarige [Naam van de minderjarige] geboren. De ouders hebben ook nog een meerderjarige dochter samen genaamd [Naam van de dochter] . 2.4. [de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder. 2.5. [de minderjarige] heeft sinds 2022 geen contact meer met de vader. Aanleiding hiervoor is een incident tussen [Naam van de dochter] , de zus van [de minderjarige] , en de vader. De vader heeft [Naam van de dochter] onzedelijk betast. Hij is hiervoor op 7 november 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes voorwaardelijk. De vader heeft deze straf inmiddels uitgezeten. 2.6. De vader heeft de moeder meermaals benaderd om het contact met [de minderjarige] opnieuw op te starten. 3 Het verzoek van de moeder 3.1. De moeder verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, om het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen en haar alleen te belasten met het gezag over [de minderjarige] en om het recht van omgang van de vader met [de minderjarige] te ontzeggen. 3.2. De moeder motiveert haar verzoek als volgt. De moeder is van mening dat de vader misbruik heeft gemaakt van zijn gezag. De vader heeft zijn dochter seksueel misbruikt, hetgeen kwalificeert als kindermishandeling. Dit heeft niet enkel invloed gehad op de dochter van partijen, maar ook op [de minderjarige] . Het is voor hem ingrijpend geweest om te horen wat de vader bij de zus van [de minderjarige] heeft gedaan en hiermee is ook grote schade toegebracht aan [de minderjarige] . De vader lijkt te miskennen hoe zwaar de gevolgen van zijn handelen wegen voor [de minderjarige] De geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] komt hieronder te lijden en dit is ook meteen de reden dat omgang met de vader moet worden ontzegd. Ook is de moeder van mening dat [de minderjarige] klem en verloren dreigt te raken tussen de ouders en hierin is, door de weerbarstige houding van de vader, geen verandering te brengen. Het ontzeggen van de omgang Op grond van artikel 1:253n van Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigen indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van een eerdere beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien hier sprake van is, is artikel 1:251a lid 1 en lid 3 BW van overeenkomstige toepassing. Hierin staat dat de rechter op verzoek van de ouders of één van hen kan bepalen dat het gezag over het kind aan één van de ouders toekomt indien er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat het kind klem en verloren zou raken tussen de ouders en hierin niet binnen afzienbare tijd voldoende verandering zou komen of als wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Ook kan het gezag van een ouder worden beëindigd op grond van artikel 1:266 lid 1 onder b BW. De gezaghebbende ouder moet dan misbruik hebben gemaakt van zijn gezag. 6.3. Indien de rechtbank het gezamenlijk gezag van de ouders niet beëindigt kunnen, op grond van artikel 1:253a BW, geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag worden voorgelegd aan de rechtbank. De rechtbank neemt dan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 6.4. Indien de rechtbank het gezamenlijk gezag van de ouders wel beëindigt, kan de rechter op grond van artikel 1:377a lid 2 en lid 3 BW op verzoek van de ouders of één van hen een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht ontzeggen. Dit kan slecht indien: - omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of - de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of - het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of - omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. Wat vindt [de minderjarige] dat de rechtbank moet beslissen? 6.5. [de minderjarige] heeft aan de kinderrechter verteld dat hij absoluut geen omgang wil met zijn vader. Hij zou zijn leven een negen geven als hij zijn vader en diens nieuwe partner nooit meer hoeft te zien of spreken. Nu geeft [de minderjarige] zijn leven een zeven. [de minderjarige] wil ook dat zijn vader stopt met het sturen van berichten naar hem en zijn moeder. Hoewel de band tussen [de minderjarige] en zijn vader vroeger niet slecht was, kon [de minderjarige] altijd al beter met zijn moeder overweg en kan hij ook geen leuke herinneringen over zijn vader vertellen. [de minderjarige] wil rust en dat kan niet zolang zijn vader betrokken is in zijn leven. De moeder geeft [de minderjarige] wel alle vrijheid om contact met de vader te zoeken, maar [de minderjarige] wil dit zelf niet. [de minderjarige] heeft daarom gevraagd aan zijn moeder om deze procedure te starten. Wat beslist de rechtbank? 6.6. De rechtbank is met de moeder van oordeel dat er sprake is van een gewijzigde omstandigheid zoals beschreven in artikel 1:253n van BW, waardoor artikel 1:251a van Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing is. [de minderjarige] heeft sinds de kennisgeving van het incident tussen de vader en zijn zus [Naam van de dochter] , geen contact meer met de vader. Het eerder hechte gezin is sindsdien opgebroken, waarbij de ouders onderling kunnen communiceren, maar tussen de kinderen en de ouders is het contact in het geval van [de minderjarige] en de vader gestopt en tussen de moeder en [Naam van de dochter] veranderd in die zin dat [Naam van de dochter] naar waarschijnlijkheid het contact tussen haar en de vader geheim houdt voor de moeder en [de minderjarige] . 6.7. Met het voorgaande in overweging genomen heeft de rechtbank getoetst of [de minderjarige] klem en verloren dreigt te raken, dan wel of het anderszins in het