Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-01-16
ECLI:NL:RBNNE:2026:200
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
1,139 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBNNE:2026:200 text/xml public 2026-01-29T10:10:25 2026-01-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-01-16 26/6 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Groningen Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:200 text/html public 2026-01-29T10:09:45 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:200 Rechtbank Noord-Nederland , 16-01-2026 / 26/6 Voorlopige voorziening. Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd. Geen bestuursorgaan. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 26/6 uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 januari 2026 in de zaak tussen [naam uit woonplaats] , verzoeker en Stichting Jan Arends , uit Arnhem . Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen heeft verzoeker bij besluit van 22 augustus 2025 voor de periode van 31 juli 2025 tot en met 30 juli 2027 de voorziening verblijf met 24-uurs toezicht op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) toegekend. Verzoeker verbleef in het kader van deze voorziening bij de vestiging van Stichting Jan Arends in Groningen . 3. Op 30 december 2025 heeft verzoeker van een medewerkster van Stichting Jan Arends in Groningen een time-out (tot minimaal 5 januari 2026) en een pandverbod uitgereikt gekregen, vanwege het schenden van de voorwaarden voor het verblijf bij de vestiging van de stichting in Groningen. 4. Verzoeker heeft Stichting Jan Arends bij e-mail van 1 januari 2026 gesommeerd om de time-out op te heffen en het pandverbod in te trekken. Verzoeker stelt dat dit schrijven kan worden aangemerkt als bezwaarschrift tegen de time-out en het pandverbod. 5. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de time-out en het pandverbod dat hem door Stichting Jan Arends op 30 december 2025 is opgelegd wordt geschorst. Verzoeker is van mening dat Stichting Jan Arends kan worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. 6. Ingevolge artikel 1:1, eerste lid, van de Awb wordt onder bestuursorgaan verstaan: a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. 7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Stichting Jan Arends niet kan worden aangemerkt als bestuursorgaan in deze. Niet in geschil is dat de Stichting Jan Arends geen a-orgaan is. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Stichting Jan Arends ook niet als b-orgaan kan worden aangemerkt, omdat niet wordt voldaan aan de daartoe in de wet en de jurisprudentie gestelde eisen . Niet gebleken is namelijk dat aan de Stichting Jan Arends bij wettelijk voorschrift een overheidstaak is opgedragen en daarbij is geen sprake van een orgaan dat uitkeringen of op geld waardeerbare voorzieningen verstrekt. 8. Omdat Stichting Jan Arends geen bestuursorgaan in de zin van de Awb is, zijn de brieven van 30 december 2025 geen besluiten in de zin van de Awb. Dit betekent dat verzoeker geen bestuursrechtelijk rechtsmiddel kan instellen tegen de brieven van 30 december 2025. Conclusie en gevolgen 9. De voorzieningenrechter is kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie ECLI:NL:CRVB:2018:2554