Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-05-08
ECLI:NL:RBNNE:2026:1911
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,097 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1911 text/xml public 2026-05-26T09:00:31 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-05-08 24/5015 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1911 text/html public 2026-05-22T16:25:50 2026-05-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1911 Rechtbank Noord-Nederland , 08-05-2026 / 24/5015 Weigering omgevingsvergunning voor een schutting. Onvoldoende gemotiveerd. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/5015 tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit Leeuwarden, eiser (gemachtigde: mr. L.M. Blankestijn), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden , het college (gemachtigden: mr. J.J. Hengst en A. Stienstra). Samenvatting 1. Deze tussenuitspraak gaat over het weigeren van een omgevingsvergunning voor een schutting (deels met begroeiing) bij de woning aan het [adres] [nummer] in Leeuwarden. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de omgevingsvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de weigering om af te wijken van het bestemmingsplan onvoldoende is gemotiveerd. Verder is het welstandsoordeel van het college onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank stelt het college in de gelegenheid de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 7 september 2022 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor de legalisatie van een erfafscheiding op zijn perceel aan de [adres] [nummer] . Het gaat om een schutting langs de zijgevel van ongeveer twee meter hoog en 25 meter lang. Het college heeft deze vergunning op 3 november 2022 geweigerd. Het college heeft het bezwaar van eiser op 24 maart 2023 ongegrond verklaard en de weigering in stand gelaten. 2.1. Deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 20 augustus 2024 (LEE 23/2098) het eerdere beroep van eiser tegen het besluit van 24 maart 2023 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiser. 2.2. In het bestreden besluit van 26 november 2024 heeft het college de weigering van de omgevingsvergunning opnieuw in stand gelaten. Daarover gaat deze beroepsprocedure. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, met zijn partner ([naam]), vergezeld van hun gemachtigde en de gemachtigden van het college. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. 3.1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreden van de Omgevingswet, blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zoals die gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. 3.2. Op de locatie van de schutting geldt het bestemmingsplan “Leeuwarden – Aldlân/Pieter Christiaanpark” (het bestemmingsplan). Op het perceel van eiser gelden de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’. 3.3. Vast staat dat de aangevraagde schutting in strijd is met de planregels, omdat de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen, voor de naar de weg gekeerde gevels van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan, maximaal één meter hoog mag bedragen (artikel 14.2.3 van de planregels). 3.4. Omdat de schutting in strijd is met de planregels, kan alleen een omgevingsvergunning voor de bouw van de schutting van eiser worden verleend, indien het college van de planregels wenst af te wijken. Dat volgt uit artikel 2.1, eerste lid, onder a en onder c, van de Wabo. 3.5. Uit artikel 26.1, onder c, van de planregels volgt dat met een omgevingsvergunning (binnenplans ) kan worden afgeweken van de planregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouw zijnde. In artikel 26.2 van de planregels is geregeld wanneer dat kan. Het bestreden besluit 4. In het bestreden besluit heeft het college beslist om niet af te wijken van het bestemmingsplan. De schutting doet in de ogen van het college onevenredige afbreuk aan het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en de sociale veiligheid van de openbare ruimte elk afzonderlijk en ook in onderlinge samenhang bekeken. Deze belangen wegen volgens het college zwaarder dan het belang van eiser bij vergunningverlening, waardoor geen aanleiding bestaat om voor de schutting van eiser een omgevingsvergunning te verlenen. De schutting is volgens het college bovendien in strijd is met redelijke eisen van welstand. 5. Eiser is het hiermee niet eens en heeft beroepsgronden tegen het bestreden besluit aangevoerd. De rechtbank beoordeelt hierna aan de hand van die beroepsgronden of het bestreden besluit rechtmatig is. Bij deze beoordeling is van belang dat de rechtbank met de eerdere uitspraak van 20 augustus 2024 al een oordeel heeft gegeven over een aantal zaken. Met deze uitspraak is het eerdere besluit op bezwaar van het college vernietigd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Het gezag van de rechterlijke uitspraak waartegen geen rechtsmiddel is aangewend, vergt dat in het vervolg van de procedure wordt uitgegaan van de juistheid van de aan de vernietiging ten grondslag gelegde oordelen die uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn geveld. Is de weigering om af te wijken van het bestemmingsplan voldoende gemotiveerd? 6. Eiser betoogt dat de weigering om af te wijken van het bestemmingsplan onvoldoende gemotiveerd is. Volgens eiser heeft het college onvoldoende onderbouwd waarom de aangevraagde, gedeeltelijk beplante, schutting een onevenredige afbreuk oplevert voor de sociale veiligheid. Dat geldt volgens eiser ook voor de verkeersveiligheid. Eiser wijst er daarbij op dat de schutting op een afstand van zes meter van de openbare weg ligt. Het zicht voor verkeer wordt daarom niet belemmerd, aldus eiser. Van een afbreuk aan het straat- en bebouwingsbeeld is volgens eiser ook geen sprake. Eiser vermeldt bovendien dat de rechtbank in de uitspraak van 20 augustus 2024 heeft geoordeeld dat voor de ruimtelijke uitstraling een beplante schutting niet verschilt van een volledige begroeide schutting van palen en gaaswerk. Daar is het college bij het bestreden besluit ten onrechte aan voorbij gegaan. 6.1. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de beslissing om al dan niet een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheid van het college, waarbij het college beleidsruimte heeft. Het college moet daarbij de ruimtelijke effecten die optreden als gevolg van de vergunde afwijking van het bestemmingsplan afwegen tegen de met de afwijking gediende belangen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. 6.2. De rechtbank beoordeelt hierna of het college tot het standpunt heeft kunnen komen dat de omgevingsvergunning kon worden geweigerd gelet op de door het college genoemde belangen. Het college heeft aangegeven dat deze gronden afzonderlijk en in onderling samenhang beschouwd reden zijn om niet tot vergunningverlening over te gaan. De rechtbank gaat daarbij eerst achtereenvolgens in op de door het college aan de weigering om af te wijken ten grondslag gelegde afbreuk van de verkeersveiligheid, het straat- en bebouwingsbeeld en de sociale veiligheid afzonderlijk. Vervolgens wordt een oordeel gegeven over de samenhang. 6.3. In het bestreden besluit stelt het college dat een schutting van twee meter hoog die grenst aan de openbare weg het overzicht en het doorzicht hindert en dat dat afbreuk doet aan de verkeersveiligheid.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1911 text/xml public 2026-05-26T09:00:31 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-05-08 24/5015 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1911 text/html public 2026-05-22T16:25:50 2026-05-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1911 Rechtbank Noord-Nederland , 08-05-2026 / 24/5015 Weigering omgevingsvergunning voor een schutting. Onvoldoende gemotiveerd. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/5015 tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit Leeuwarden, eiser (gemachtigde: mr. L.M. Blankestijn), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden , het college (gemachtigden: mr. J.J. Hengst en A. Stienstra). Samenvatting 1. Deze tussenuitspraak gaat over het weigeren van een omgevingsvergunning voor een schutting (deels met begroeiing) bij de woning aan het [adres] [nummer] in Leeuwarden. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de omgevingsvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de weigering om af te wijken van het bestemmingsplan onvoldoende is gemotiveerd. Verder is het welstandsoordeel van het college onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank stelt het college in de gelegenheid de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 7 september 2022 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor de legalisatie van een erfafscheiding op zijn perceel aan de [adres] [nummer] . Het gaat om een schutting langs de zijgevel van ongeveer twee meter hoog en 25 meter lang. Het college heeft deze vergunning op 3 november 2022 geweigerd. Het college heeft het bezwaar van eiser op 24 maart 2023 ongegrond verklaard en de weigering in stand gelaten. 2.1. Deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 20 augustus 2024 (LEE 23/2098) het eerdere beroep van eiser tegen het besluit van 24 maart 2023 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiser. 2.2. In het bestreden besluit van 26 november 2024 heeft het college de weigering van de omgevingsvergunning opnieuw in stand gelaten. Daarover gaat deze beroepsprocedure. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, met zijn partner ([naam]), vergezeld van hun gemachtigde en de gemachtigden van het college. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. 3.1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreden van de Omgevingswet, blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zoals die gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. 3.2. Op de locatie van de schutting geldt het bestemmingsplan “Leeuwarden – Aldlân/Pieter Christiaanpark” (het bestemmingsplan). Op het perceel van eiser gelden de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’. 3.3. Vast staat dat de aangevraagde schutting in strijd is met de planregels, omdat de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen, voor de naar de weg gekeerde gevels van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan, maximaal één meter hoog mag bedragen (artikel 14.2.3 van de planregels). 3.4. Omdat de schutting in strijd is met de planregels, kan alleen een omgevingsvergunning voor de bouw van de schutting van eiser worden verleend, indien het college van de planregels wenst af te wijken. Dat volgt uit artikel 2.1, eerste lid, onder a en onder c, van de Wabo. 3.5. Uit artikel 26.1, onder c, van de planregels volgt dat met een omgevingsvergunning (binnenplans ) kan worden afgeweken van de planregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouw zijnde. In artikel 26.2 van de planregels is geregeld wanneer dat kan. Het bestreden besluit 4. In het bestreden besluit heeft het college beslist om niet af te wijken van het bestemmingsplan. De schutting doet in de ogen van het college onevenredige afbreuk aan het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en de sociale veiligheid van de openbare ruimte elk afzonderlijk en ook in onderlinge samenhang bekeken. Deze belangen wegen volgens het college zwaarder dan het belang van eiser bij vergunningverlening, waardoor geen aanleiding bestaat om voor de schutting van eiser een omgevingsvergunning te verlenen. De schutting is volgens het college bovendien in strijd is met redelijke eisen van welstand. 5. Eiser is het hiermee niet eens en heeft beroepsgronden tegen het bestreden besluit aangevoerd. De rechtbank beoordeelt hierna aan de hand van die beroepsgronden of het bestreden besluit rechtmatig is. Bij deze beoordeling is van belang dat de rechtbank met de eerdere uitspraak van 20 augustus 2024 al een oordeel heeft gegeven over een aantal zaken. Met deze uitspraak is het eerdere besluit op bezwaar van het college vernietigd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Het gezag van de rechterlijke uitspraak waartegen geen rechtsmiddel is aangewend, vergt dat in het vervolg van de procedure wordt uitgegaan van de juistheid van de aan de vernietiging ten grondslag gelegde oordelen die uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn geveld. Is de weigering om af te wijken van het bestemmingsplan voldoende gemotiveerd? 6. Eiser betoogt dat de weigering om af te wijken van het bestemmingsplan onvoldoende gemotiveerd is. Volgens eiser heeft het college onvoldoende onderbouwd waarom de aangevraagde, gedeeltelijk beplante, schutting een onevenredige afbreuk oplevert voor de sociale veiligheid. Dat geldt volgens eiser ook voor de verkeersveiligheid. Eiser wijst er daarbij op dat de schutting op een afstand van zes meter van de openbare weg ligt. Het zicht voor verkeer wordt daarom niet belemmerd, aldus eiser. Van een afbreuk aan het straat- en bebouwingsbeeld is volgens eiser ook geen sprake. Eiser vermeldt bovendien dat de rechtbank in de uitspraak van 20 augustus 2024 heeft geoordeeld dat voor de ruimtelijke uitstraling een beplante schutting niet verschilt van een volledige begroeide schutting van palen en gaaswerk. Daar is het college bij het bestreden besluit ten onrechte aan voorbij gegaan. 6.1. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de beslissing om al dan niet een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheid van het college, waarbij het college beleidsruimte heeft. Het college moet daarbij de ruimtelijke effecten die optreden als gevolg van de vergunde afwijking van het bestemmingsplan afwegen tegen de met de afwijking gediende belangen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. 6.2. De rechtbank beoordeelt hierna of het college tot het standpunt heeft kunnen komen dat de omgevingsvergunning kon worden geweigerd gelet op de door het college genoemde belangen. Het college heeft aangegeven dat deze gronden afzonderlijk en in onderling samenhang beschouwd reden zijn om niet tot vergunningverlening over te gaan. De rechtbank gaat daarbij eerst achtereenvolgens in op de door het college aan de weigering om af te wijken ten grondslag gelegde afbreuk van de verkeersveiligheid, het straat- en bebouwingsbeeld en de sociale veiligheid afzonderlijk. Vervolgens wordt een oordeel gegeven over de samenhang. 6.3. In het bestreden besluit stelt het college dat een schutting van twee meter hoog die grenst aan de openbare weg het overzicht en het doorzicht hindert en dat dat afbreuk doet aan de verkeersveiligheid.
Volledig
Eiser betwist dat de verkeerssituatie in het geding is en heeft daarbij de situatie verduidelijkt met foto’s. De rechtbank stelt vast dat tussen de schutting en de rijbaan ruim zes meter is gelegen. Hiertussen ligt een groenstrook met een voetpad. Gelet op deze situatie en de door eiser gegeven toelichting is nog onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een onevenredige aantasting van de verkeerssituatie. De rechtbank betrekt daarbij dat het college aan de beoordeling van de verkeerssituatie niet kenbaar een verkeerskundige beoordeling ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een onevenredige aantasting van de verkeerssituatie. 6.4. In het bestreden besluit heeft het college vermeld dat een schutting van twee meter hoog over een lengte van ongeveer twintig meter afbreuk doet aan het straat- en bebouwingsbeeld. Ter motivering wijst het college erop dat een groenbestemming is gelegd op zones langs wegen. Dat is gedaan om het collectieve belang van een groen en zacht straatprofiel belangrijker te maken dan het individuele belang van schuttingen in de zijtuinen die grenzen aan de openbare ruimte. Hier passen geen hoge schuttingen die dominant in het straatbeeld aanwezig zijn. Dit doet afbreuk aan het vriendelijke wisselende bebouwingsbeeld, aldus het college. 6.5. De rechtbank overweegt dat deze motivering in de kern dezelfde is als de motivering van het primaire besluit is. Het eerdere besluit op het daartegen gericht bezwaar is door de rechtbank vernietigd met de uitspraak van 20 augustus 2024. De rechtbank heeft daarover het volgende geoordeeld in rechtsoverweging 8.2.: “De rechtbank is van oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank overweegt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd wat het verschil in ruimtelijke uitstraling is tussen de aangevraagde en door het college voorgestelde schutting. De door het college voorgestelde schutting zou bestaan uit palen en gaaswerk, die volledig begroeid mogen worden. De door eiser aangevraagd (dichte) schutting zou eveneens volledig begroeid worden, conform het in de toelichting bij de aanvraag beschreven beplantingsplan. Sterker nog, namens het college is ter zitting erkend dat er geen verschil in ruimtelijke uitstraling is.” Het college heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld. In wat het college heeft aangevoerd in het bestreden besluit, ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan in de eerdere uitspraak. Het college heeft met het bestreden besluit nog steeds niet gemotiveerd wat, in het kader van de toepassing van het toetsingscriterium ‘straat- en bebouwingsbeeld’, het verschil in ruimtelijke uitstraling is tussen het aangevraagde bouwwerk en een door het college eerder voorgestelde schutting met palen en gaaswerk. Niet is gebleken dat het college zo’n erfafscheiding niet langer aanvaardbaar acht. 6.5.1. Het college schrijft in het bestreden besluit dat een beplantingsvoorschrift op grond van artikel 2.22 van de Wabo niet effectief zou zijn. Het college heeft dat weliswaar gesteld, maar onvoldoende geconcretiseerd. Voor zover het college zich op het standpunt stelt dat met een voorschrift de bezwaren tegen de constructie zelf niet zijn weggenomen, heeft het college ook dat niet nader concreet onderbouwd. Het college geeft aan niet te weten hoe dergelijke voorschriften eruit moeten komen te zien, maar uit het bestreden besluit blijkt niet dat het college dat daadwerkelijk heeft onderzocht. In het bestreden besluit is weliswaar gesteld dat bladverlies, overlast ziektegevoeligheid en invasieve soorten een probleem kunnen zijn, maar dat is niet concreet onderbouwd. Dat geldt evenzeer voor de twijfels van het college over de instandhouding en handhaafbaarheid van een dergelijk voorschrift. Gelet op de overweging van de rechtbank in rechtsoverweging 8.2.1 van de uitspraak van 20 augustus 2024 had een deugdelijk onderbouwing op dit punt in dit geval niet mogen ontbreken. 6.6. Het college heeft in het bestreden besluit gesteld dat vergunningverlening voor de aangevraagde schutting zou leiden tot een onevenredige aantasting van de sociale veiligheid. Hierover heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat dit niet concreet is onderbouwd en niet wordt ondersteund door concrete bewijzen of objectieve maatstaven. De rechtbank overweegt hierover dat het college zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat door de schutting sociaal contact nagenoeg onmogelijk wordt waardoor het gevoel van onveiligheid op straat wordt aangetast. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat het college hiervoor in het bestreden besluit geen concrete onderbouwing heeft gegeven. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet duidelijk waarom de aangevraagde vergunning langs de woning van eiser op deze plek, gelet op de omgeving van het bouwplan, leidt tot een onevenredige aantasting van sociale onveiligheid. Het college noemt weliswaar een gevoel van sociale onveiligheid, maar dat wordt niet nader concreet toegelicht in het bestreden besluit. Dat knelt te meer, nu het college op zitting heeft aangegeven dat de afbreuk aan de sociale veiligheid het zwaartepunt is van de motivering van de weigering van de vergunning voor de schutting. 6.6.1. In het verweerschrift heeft het college nog aangegeven dat een schutting van de omvang zoals aangevraagd sociale controle in de weg zou staan en de kans op criminaliteit verhoogt. Voor zover het college hiermee bedoelt te zeggen dat dit de veiligheid van eiser zelf zou aantasten, gaat het ruimtelijk aspect van sociale veiligheid naar het oordeel van de rechtbank daar niet over. Voor zover het college bedoelt te stellen dat de sociale veiligheid in de openbare ruimte in het geding is, heeft het college niet concreet gemotiveerd waarom dat het in dit geval aan de orde is. Wel heeft het college op zitting in algemene zin gesteld dat geweldsincidenten in de openbare ruimte (in andere wijken) hebben plaatsgevonden, maar dat acht de rechtbank daarvoor niet voldoende. Hieruit blijkt op geen enkele wijze een relatie met de omgeving van eiser. De rechtbank kan het college zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt in het bestreden besluit, niet volgen dat de sociale veiligheid in de openbare ruimte in het geding is. 6.6.2. In het verweerschrift noemt het college dat het beleid van de gemeente Leeuwarden erop is gericht om sociale veiligheid te verbeteren door bouwwerken als die van eiser juist niet toe te staan. Op zitting heeft het college niet kunnen verduidelijken wat de aard van het beleid is en of het schriftelijk is vastgelegd. Dat maakt deze stelling van het college voor de rechtbank niet controleerbaar. Met de enkele verwijzing naar niet nader geduid beleid, heeft het college het bestreden besluit daarmee ook niet deugdelijk gemotiveerd. 6.7. Gelet op voorgaande kleeft aan de motivering van elk van de door het college genoemde gronden (afzonderlijk beschouwd) een motiveringsgebrek. Om die reden kan de rechtbank het college ook niet volgen dat de genoemde redenen in onderling verband beschouwd wel kunnen worden aangemerkt als een voldoende deugdelijke motivering voor de weigering van de vergunning voor de door eiser gewenste schutting. Dat het college beleidsruimte toekomt bij toepassing van de bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan, zoals het college heeft aangevoerd, doet er niet aan af dat het college de gemaakte keuzes dient te voorzien van een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit voldoet daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet. Is de weigering in strijd met het gelijkheidsbeginsel? 7. Eiser betoogt dat het bestreden besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel is genomen. Eiser wijst op meerdere situaties in de wijk Aldlân waar schuttingen aanwezig zijn. Eiser wijst specifiek op het adres [adres] [nummer] . 7.1. In het bestreden besluit is vermeld dat voor andere erfafscheidingen geen omgevingsvergunningen zijn afgegeven.
Volledig
Eiser betwist dat de verkeerssituatie in het geding is en heeft daarbij de situatie verduidelijkt met foto’s. De rechtbank stelt vast dat tussen de schutting en de rijbaan ruim zes meter is gelegen. Hiertussen ligt een groenstrook met een voetpad. Gelet op deze situatie en de door eiser gegeven toelichting is nog onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een onevenredige aantasting van de verkeerssituatie. De rechtbank betrekt daarbij dat het college aan de beoordeling van de verkeerssituatie niet kenbaar een verkeerskundige beoordeling ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een onevenredige aantasting van de verkeerssituatie. 6.4. In het bestreden besluit heeft het college vermeld dat een schutting van twee meter hoog over een lengte van ongeveer twintig meter afbreuk doet aan het straat- en bebouwingsbeeld. Ter motivering wijst het college erop dat een groenbestemming is gelegd op zones langs wegen. Dat is gedaan om het collectieve belang van een groen en zacht straatprofiel belangrijker te maken dan het individuele belang van schuttingen in de zijtuinen die grenzen aan de openbare ruimte. Hier passen geen hoge schuttingen die dominant in het straatbeeld aanwezig zijn. Dit doet afbreuk aan het vriendelijke wisselende bebouwingsbeeld, aldus het college. 6.5. De rechtbank overweegt dat deze motivering in de kern dezelfde is als de motivering van het primaire besluit is. Het eerdere besluit op het daartegen gericht bezwaar is door de rechtbank vernietigd met de uitspraak van 20 augustus 2024. De rechtbank heeft daarover het volgende geoordeeld in rechtsoverweging 8.2.: “De rechtbank is van oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank overweegt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd wat het verschil in ruimtelijke uitstraling is tussen de aangevraagde en door het college voorgestelde schutting. De door het college voorgestelde schutting zou bestaan uit palen en gaaswerk, die volledig begroeid mogen worden. De door eiser aangevraagd (dichte) schutting zou eveneens volledig begroeid worden, conform het in de toelichting bij de aanvraag beschreven beplantingsplan. Sterker nog, namens het college is ter zitting erkend dat er geen verschil in ruimtelijke uitstraling is.” Het college heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld. In wat het college heeft aangevoerd in het bestreden besluit, ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan in de eerdere uitspraak. Het college heeft met het bestreden besluit nog steeds niet gemotiveerd wat, in het kader van de toepassing van het toetsingscriterium ‘straat- en bebouwingsbeeld’, het verschil in ruimtelijke uitstraling is tussen het aangevraagde bouwwerk en een door het college eerder voorgestelde schutting met palen en gaaswerk. Niet is gebleken dat het college zo’n erfafscheiding niet langer aanvaardbaar acht. 6.5.1. Het college schrijft in het bestreden besluit dat een beplantingsvoorschrift op grond van artikel 2.22 van de Wabo niet effectief zou zijn. Het college heeft dat weliswaar gesteld, maar onvoldoende geconcretiseerd. Voor zover het college zich op het standpunt stelt dat met een voorschrift de bezwaren tegen de constructie zelf niet zijn weggenomen, heeft het college ook dat niet nader concreet onderbouwd. Het college geeft aan niet te weten hoe dergelijke voorschriften eruit moeten komen te zien, maar uit het bestreden besluit blijkt niet dat het college dat daadwerkelijk heeft onderzocht. In het bestreden besluit is weliswaar gesteld dat bladverlies, overlast ziektegevoeligheid en invasieve soorten een probleem kunnen zijn, maar dat is niet concreet onderbouwd. Dat geldt evenzeer voor de twijfels van het college over de instandhouding en handhaafbaarheid van een dergelijk voorschrift. Gelet op de overweging van de rechtbank in rechtsoverweging 8.2.1 van de uitspraak van 20 augustus 2024 had een deugdelijk onderbouwing op dit punt in dit geval niet mogen ontbreken. 6.6. Het college heeft in het bestreden besluit gesteld dat vergunningverlening voor de aangevraagde schutting zou leiden tot een onevenredige aantasting van de sociale veiligheid. Hierover heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat dit niet concreet is onderbouwd en niet wordt ondersteund door concrete bewijzen of objectieve maatstaven. De rechtbank overweegt hierover dat het college zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat door de schutting sociaal contact nagenoeg onmogelijk wordt waardoor het gevoel van onveiligheid op straat wordt aangetast. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat het college hiervoor in het bestreden besluit geen concrete onderbouwing heeft gegeven. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet duidelijk waarom de aangevraagde vergunning langs de woning van eiser op deze plek, gelet op de omgeving van het bouwplan, leidt tot een onevenredige aantasting van sociale onveiligheid. Het college noemt weliswaar een gevoel van sociale onveiligheid, maar dat wordt niet nader concreet toegelicht in het bestreden besluit. Dat knelt te meer, nu het college op zitting heeft aangegeven dat de afbreuk aan de sociale veiligheid het zwaartepunt is van de motivering van de weigering van de vergunning voor de schutting. 6.6.1. In het verweerschrift heeft het college nog aangegeven dat een schutting van de omvang zoals aangevraagd sociale controle in de weg zou staan en de kans op criminaliteit verhoogt. Voor zover het college hiermee bedoelt te zeggen dat dit de veiligheid van eiser zelf zou aantasten, gaat het ruimtelijk aspect van sociale veiligheid naar het oordeel van de rechtbank daar niet over. Voor zover het college bedoelt te stellen dat de sociale veiligheid in de openbare ruimte in het geding is, heeft het college niet concreet gemotiveerd waarom dat het in dit geval aan de orde is. Wel heeft het college op zitting in algemene zin gesteld dat geweldsincidenten in de openbare ruimte (in andere wijken) hebben plaatsgevonden, maar dat acht de rechtbank daarvoor niet voldoende. Hieruit blijkt op geen enkele wijze een relatie met de omgeving van eiser. De rechtbank kan het college zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt in het bestreden besluit, niet volgen dat de sociale veiligheid in de openbare ruimte in het geding is. 6.6.2. In het verweerschrift noemt het college dat het beleid van de gemeente Leeuwarden erop is gericht om sociale veiligheid te verbeteren door bouwwerken als die van eiser juist niet toe te staan. Op zitting heeft het college niet kunnen verduidelijken wat de aard van het beleid is en of het schriftelijk is vastgelegd. Dat maakt deze stelling van het college voor de rechtbank niet controleerbaar. Met de enkele verwijzing naar niet nader geduid beleid, heeft het college het bestreden besluit daarmee ook niet deugdelijk gemotiveerd. 6.7. Gelet op voorgaande kleeft aan de motivering van elk van de door het college genoemde gronden (afzonderlijk beschouwd) een motiveringsgebrek. Om die reden kan de rechtbank het college ook niet volgen dat de genoemde redenen in onderling verband beschouwd wel kunnen worden aangemerkt als een voldoende deugdelijke motivering voor de weigering van de vergunning voor de door eiser gewenste schutting. Dat het college beleidsruimte toekomt bij toepassing van de bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan, zoals het college heeft aangevoerd, doet er niet aan af dat het college de gemaakte keuzes dient te voorzien van een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit voldoet daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet. Is de weigering in strijd met het gelijkheidsbeginsel? 7. Eiser betoogt dat het bestreden besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel is genomen. Eiser wijst op meerdere situaties in de wijk Aldlân waar schuttingen aanwezig zijn. Eiser wijst specifiek op het adres [adres] [nummer] . 7.1. In het bestreden besluit is vermeld dat voor andere erfafscheidingen geen omgevingsvergunningen zijn afgegeven.
Volledig
Het college heeft in het verweerschrift aangevoerd dat het de door eiser genoemde situaties heeft onderzocht. Het college geeft aan dat voor deze gevallen geen omgevingsvergunningen zijn verleend. Bovendien zijn die situaties qua ligging, aard en omvang van het bouwwerk niet identiek, aldus het college. 7.2. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Het gaat in deze zaak om de weigering van een omgevingsvergunning voor een schutting. Dat tegen andere schuttingen niet handhavend wordt opgetreden, betekent niet dat daarmee het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden. Er ligt in deze zaak alleen een besluit tot weigering van een omgevingsvergunning voor en niet een besluit om handhavend tegen de schutting van eiser op te treden. Alleen daarom al slaagt deze beroepsgrond niet. Voor zover eiser verwijst naar rechtsoverweging 10 van de uitspraak van 20 augustus 2024, acht de rechtbank van belang dat het college nu heeft aangegeven dat is gebleken dat voor geen van de door eiser genoemde situaties een omgevingsvergunning is verleend. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat anders is. Redelijke eisen van welstand 8. Het college heeft de aangevraagde vergunning met het bestreden besluit ook geweigerd, omdat het bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand is. Dit levert een weigeringsgrond op voor de omgevingsvergunning voor bouwen. Dat volgt uit artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo in samenhang met artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo. 8.1. Eiser betoogt dat de gevraagde schutting ten onrechte in strijd is geacht met redelijke eisen van welstand. Het welstandsadvies belemmert volgens eiser de bij recht toegestane bouwmogelijkheden. Het welstandsadvies is daarom onvoldoende gemotiveerd. Ook stelt eiser dat de welstandscommissie (Hûs en Hiem) op basis van onvolledige stukken de aanvraag heeft beoordeeld. Volgens eiser heeft de welstandscommissie ten onrechte geen rekening gehouden met de wens van eiser om de schutting te beplanten. 8.2. De rechtbank overweegt dat de welstandscommissie op 15 oktober 2024 een negatief advies heeft gegeven. De welstandscommissie heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de erfafscheiding door de hoogte en de gesloten uitvoering te nadrukkelijk oogt en afwerend van karakter is. Verder is de erfafscheiding volgens de welstandscommissie strijdig met de richtlijnen die uitgaan van een grotendeels transparant vormgegeven erfafscheiding van hoogwaardig materiaal. De welstandscommissie sluit het advies af met een voorstel om de erfafscheiding boven één meter uit te voeren als open gaashekwerk waartegen hedera kan groeien. 8.3. De rechtbank overweegt dat de welstandscommissie heeft geadviseerd dat de schutting door de hoogte en de gesloten uitvoering te nadrukkelijk oogt. Voor zover het hierbij gaat over de situering en maatvoering, overweegt de rechtbank dat daarover een regeling opgenomen in de planregels. De vraag of daarvan kan worden afgeweken, dient primair in het ruimtelijke spoor te worden beoordeeld door het college. Indien het college daaraan wenst mee te werken, dient de welstandsadvisering dat te respecteren. Hoewel het college in dit geval niet wenst mee te werken, slaagt het beroep van eiser wel. Reden daarvoor is dat de motivering van het college om niet mee te werken, onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Het college zal daarom zelf nog moeten beoordelen of al dan niet wordt afgeweken van de bouwhoogte. 8.4. Voor zover in het welstandsadvies wordt verwezen naar de eis van een transparant vormgegeven erfafscheiding, overweegt de rechtbank dat die eis in de welstandscriteria is opgenomen voor hekwerken. Nog daargelaten of daarmee ook een houten schutting wordt bedoeld, kan de rechtbank eiser volgen dat onvoldoende duidelijk is geworden of de welstandscommissie wel de uitdrukkelijke wens van eiser om een beplantingsplan aan de gevraagde omgevingsvergunning te verbinden heeft betrokken. Dat blijkt niet uit het welstandsadvies. Dat knelt te meer, nu de welstandscommissie heeft voorgesteld om de kritiek op het bouwplan te ondervangen door de erfafscheiding boven één meter uit te voeren als open gaashekwerk waartegen hedera kan groeien. Niet duidelijk wordt hoe de welstandscommissie het aangevraagde bouwplan beoordeelt ten opzichte van het geopperde alternatief. Naar het oordeel van de rechtbank kan een motivering daarover niet achterwege blijven, te minder nu het college zelf op zitting heeft toegelicht dat er qua uiterlijk geen verschil in uitstraling is tussen een gaaswerk met groen en een begroeide schutting. 8.5. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond van eiser over welstand. Het college heeft het negatieve welstandsadvies niet zonder meer mogen overnemen. In dit geval heeft eiser concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering en het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. Door dan toch het welstandsadvies over te nemen, is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand gekomen en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd (in strijd met artikel 7:12 van de Awb). Conclusie en gevolgen 9. Zoals onder 6.3 tot en met 6.7 en 8.1 tot en met 8.5 is overwogen, is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2, 3:9 en 7:12 van de Awb. Gelet op de aard van de geconstateerde gebreken aan het bestreden besluit, ziet de rechtbank aanleiding om een zogenaamde bestuurlijke lus toe te passen. 10. De rechtbank kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig met een nieuwe beslissing op bezwaar na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. 10.1. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen in binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. 10.2. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank: draagt het college op binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen; stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.K. Veenstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Bestemmingsplan ‘Leeuwarden – Aldlân/Pieter Christiaanpark Artikel 14: Wonen 14.2 Bouwregels 14.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a.
Volledig
Het college heeft in het verweerschrift aangevoerd dat het de door eiser genoemde situaties heeft onderzocht. Het college geeft aan dat voor deze gevallen geen omgevingsvergunningen zijn verleend. Bovendien zijn die situaties qua ligging, aard en omvang van het bouwwerk niet identiek, aldus het college. 7.2. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Het gaat in deze zaak om de weigering van een omgevingsvergunning voor een schutting. Dat tegen andere schuttingen niet handhavend wordt opgetreden, betekent niet dat daarmee het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden. Er ligt in deze zaak alleen een besluit tot weigering van een omgevingsvergunning voor en niet een besluit om handhavend tegen de schutting van eiser op te treden. Alleen daarom al slaagt deze beroepsgrond niet. Voor zover eiser verwijst naar rechtsoverweging 10 van de uitspraak van 20 augustus 2024, acht de rechtbank van belang dat het college nu heeft aangegeven dat is gebleken dat voor geen van de door eiser genoemde situaties een omgevingsvergunning is verleend. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat anders is. Redelijke eisen van welstand 8. Het college heeft de aangevraagde vergunning met het bestreden besluit ook geweigerd, omdat het bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand is. Dit levert een weigeringsgrond op voor de omgevingsvergunning voor bouwen. Dat volgt uit artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo in samenhang met artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo. 8.1. Eiser betoogt dat de gevraagde schutting ten onrechte in strijd is geacht met redelijke eisen van welstand. Het welstandsadvies belemmert volgens eiser de bij recht toegestane bouwmogelijkheden. Het welstandsadvies is daarom onvoldoende gemotiveerd. Ook stelt eiser dat de welstandscommissie (Hûs en Hiem) op basis van onvolledige stukken de aanvraag heeft beoordeeld. Volgens eiser heeft de welstandscommissie ten onrechte geen rekening gehouden met de wens van eiser om de schutting te beplanten. 8.2. De rechtbank overweegt dat de welstandscommissie op 15 oktober 2024 een negatief advies heeft gegeven. De welstandscommissie heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de erfafscheiding door de hoogte en de gesloten uitvoering te nadrukkelijk oogt en afwerend van karakter is. Verder is de erfafscheiding volgens de welstandscommissie strijdig met de richtlijnen die uitgaan van een grotendeels transparant vormgegeven erfafscheiding van hoogwaardig materiaal. De welstandscommissie sluit het advies af met een voorstel om de erfafscheiding boven één meter uit te voeren als open gaashekwerk waartegen hedera kan groeien. 8.3. De rechtbank overweegt dat de welstandscommissie heeft geadviseerd dat de schutting door de hoogte en de gesloten uitvoering te nadrukkelijk oogt. Voor zover het hierbij gaat over de situering en maatvoering, overweegt de rechtbank dat daarover een regeling opgenomen in de planregels. De vraag of daarvan kan worden afgeweken, dient primair in het ruimtelijke spoor te worden beoordeeld door het college. Indien het college daaraan wenst mee te werken, dient de welstandsadvisering dat te respecteren. Hoewel het college in dit geval niet wenst mee te werken, slaagt het beroep van eiser wel. Reden daarvoor is dat de motivering van het college om niet mee te werken, onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Het college zal daarom zelf nog moeten beoordelen of al dan niet wordt afgeweken van de bouwhoogte. 8.4. Voor zover in het welstandsadvies wordt verwezen naar de eis van een transparant vormgegeven erfafscheiding, overweegt de rechtbank dat die eis in de welstandscriteria is opgenomen voor hekwerken. Nog daargelaten of daarmee ook een houten schutting wordt bedoeld, kan de rechtbank eiser volgen dat onvoldoende duidelijk is geworden of de welstandscommissie wel de uitdrukkelijke wens van eiser om een beplantingsplan aan de gevraagde omgevingsvergunning te verbinden heeft betrokken. Dat blijkt niet uit het welstandsadvies. Dat knelt te meer, nu de welstandscommissie heeft voorgesteld om de kritiek op het bouwplan te ondervangen door de erfafscheiding boven één meter uit te voeren als open gaashekwerk waartegen hedera kan groeien. Niet duidelijk wordt hoe de welstandscommissie het aangevraagde bouwplan beoordeelt ten opzichte van het geopperde alternatief. Naar het oordeel van de rechtbank kan een motivering daarover niet achterwege blijven, te minder nu het college zelf op zitting heeft toegelicht dat er qua uiterlijk geen verschil in uitstraling is tussen een gaaswerk met groen en een begroeide schutting. 8.5. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond van eiser over welstand. Het college heeft het negatieve welstandsadvies niet zonder meer mogen overnemen. In dit geval heeft eiser concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering en het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. Door dan toch het welstandsadvies over te nemen, is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand gekomen en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd (in strijd met artikel 7:12 van de Awb). Conclusie en gevolgen 9. Zoals onder 6.3 tot en met 6.7 en 8.1 tot en met 8.5 is overwogen, is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2, 3:9 en 7:12 van de Awb. Gelet op de aard van de geconstateerde gebreken aan het bestreden besluit, ziet de rechtbank aanleiding om een zogenaamde bestuurlijke lus toe te passen. 10. De rechtbank kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig met een nieuwe beslissing op bezwaar na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. 10.1. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen in binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. 10.2. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank: draagt het college op binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen; stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.K. Veenstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Bestemmingsplan ‘Leeuwarden – Aldlân/Pieter Christiaanpark Artikel 14: Wonen 14.2 Bouwregels 14.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a.