Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-05-13
ECLI:NL:RBNNE:2026:1755
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
11,950 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1755 text/xml public 2026-05-18T10:32:18 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-05-13 18.009007.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Verstek NL Groningen Strafrecht; Materieel strafrecht Wetboek van Strafrecht 57 Wetboek van Strafrecht 63 Wetboek van Strafrecht 241 Wetboek van Strafrecht 302 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1755 text/html public 2026-05-18T10:31:53 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1755 Rechtbank Noord-Nederland , 13-05-2026 / 18.009007.25 Veroordeling voor opzetaanranding en poging zware mishandeling (steken met een mes in het achterhoofd). Aan verdachte wordt een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. Vordering benadeelde partij RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18.009007.25 ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18.091809.25 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , niet als ingezetene ingeschreven in de basisregistratie personen en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 april 2026. Verdachte is niet verschenen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens . Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat onder parketnummer 18.009007.25 hij op of omstreeks 13 augustus 2024 te Groningen, in elk geval in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten door met zijn vinger(s) over de broek de vagina en/of de clitoris van die [slachtoffer 1] te betasten en/of hierop te drukken en/of erover te wrijven, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 13 augustus 2024 te Groningen, in elk geval in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten door met zijn vinger(s) over de broek de vagina en/of de clitoris van die [slachtoffer 1] te betasten en/of hierop te drukken en/of erover te wrijven, terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak. onder parketnummer 18.091809.25 Hij op of omstreeks 31 juli 2024 in Groningen, althans in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 2] met een mes in het achterhoofd heeft gestoken, althans in het hoofd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: Hij op of omstreeks 31 juli 2024 in Groningen, althans in de gemeente Groningen, [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door hem met een mes in het achterhoofd, althans in het hoofd, te steken. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de onder parketnummers 18.009007.25 en 18.091809.25 primair ten laste gelegde feiten. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Ten aanzien van parketnummer 18.009007.25 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een opzetaanranding. Verdachte heeft aangeefster in het uitgaansleven op een zodanige wijze bejegend dat daardoor een aanmerkelijke kans bestond dat dit tegen de wil van aangeefster was. Door desondanks zo te handelen, heeft verdachte deze aanmerkelijke kans willens en wetens aanvaard. Met betrekking tot parketnummer 18.091809.25 heeft de officier van justitie aangevoerd dat sprake is van een poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft aangever van korte afstand met een mes gestoken. Een dergelijke gedraging roept naar haar uiterlijke verschijningsvorm een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven. Door op deze wijze te handelen, heeft verdachte deze kans bewust aanvaard. Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht de onder parketnummers 18.009007.25 en 18.091809.25 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Het primair ten laste gelegde onder 18.009007.25 1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 augustus 2024, opgenomen op pagina 24 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024220334 d.d. 26 december 2024, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] : V: We willen je nu uitnodigen om te vertellen wat er is gebeurd gisterenavond. A: [getuige 1] en ik liepen langs een jongen. We gingen met hem in gesprek. Hij was ook in gesprek met die man waar ik nu aangifte tegen doe. Ik keek naar links naar [getuige 1] en daarna greep hij mij bij mijn kruis. Ik was perplex, ik dacht doet [getuige 1] dit? Maar toen zag ik dat hij het deed, hij keek mij nog aan. Ik zag aan [getuige 1] dat ze het had gezien. V: Jullie lopen weg en dan? A: Nee, we waren nog in gesprek met die jongen en ineens voelde ik een hand in mijn kruis. Alsof ik gevingerd werd door mijn kleding heen. Ik keek naar [getuige 1] en toen zag ik hem. V: Hoe kwam de man tegen wie jij aangifte doet, ineens bij jou? A: Ik was niet met die man bezig. Ineens was hij bij mij. V: Neem ons mee, wat voelde je? A: Ik voelde dat iemand met zijn wijs en middelvinger duwde in mijn kruis. Daarna ben ik gelijk weggegaan. V: Hoe weet je dat het zijn wijs- en middelvinger was? A: Ik kon het voelen. V: Hoe zat hij aan jouw kruis? Zat hij op je broek, op je onderbroek, op je blote huid of nog anders? A: Hij raakte mij aan op mijn broek en duwde tegen mijn broek aan en raakte mijn kruis aan. Ik had daaronder nog een onderbroek aan. V: Wat raakte hij dan bij jou aan? A: Dan raakte hij echt mijn clitoris aan. V: Wat deed hij met zijn vingers toen hij jouw aanraakte? A: Hij maakte een duwende beweging naar boven. V: Raakte hij ook daadwerkelijk jouw clitoris aan? A: Mijn broek zat er tussen natuurlijk, maar met zijn vingers wel. Dus ja. 2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 15 augustus 2024, opgenomen op pagina 41 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] : V: Wat kun jij vertellen over wat er is gebeurd? A: Tussen [café 1] en [café 2] stond die man, daarmee bedoel ik de man die [slachtoffer 1] heeft aangeraakt. Die stond te praten met een jongen. Wij gingen met de jongen praten. Toen deed hij dat bij [slachtoffer 1] . Ik zag dat hij zijn ringvinger, middelvinger en wijsvinger bij [slachtoffer 1] deed. Ik zag dat [slachtoffer 1] schrok en trok haar mee richting de hoek, richting de Oosterstraat. V: Je zegt met de drie vingers, je doet een scheppende beweging voor... toch? A: Ja hij deed het echt heel snel. Hij stak zijn arm heel snel richting [slachtoffer 1] uit. Dat was compleet in mijn gezichtsveld. Ik stond tussen hen in. V: Hij maakt dan een scheppende beweging met zijn vingers. Wat zie je dat hij aanraakt? A: Het was [slachtoffer 1] haar kruis. V: Wat bedoel je met [slachtoffer 1] haar kruis? A: Hij raakte haar vagina aan. Niet huid op huid. Hij raakte haar aan over haar broek. [slachtoffer 1] droeg een lossige broek. [slachtoffer 1] schrok en deed een stap achteruit. Ik weet niet in hoe ver hij in haar is geweest. Het was echt heel snel. Het was echt even aanraken en weer terug. 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 augustus 2024, opgenomen op pagina 33 e.v.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1755 text/xml public 2026-05-18T10:32:18 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-05-13 18.009007.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Verstek NL Groningen Strafrecht; Materieel strafrecht Wetboek van Strafrecht 57 Wetboek van Strafrecht 63 Wetboek van Strafrecht 241 Wetboek van Strafrecht 302 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1755 text/html public 2026-05-18T10:31:53 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1755 Rechtbank Noord-Nederland , 13-05-2026 / 18.009007.25 Veroordeling voor opzetaanranding en poging zware mishandeling (steken met een mes in het achterhoofd). Aan verdachte wordt een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. Vordering benadeelde partij RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18.009007.25 ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18.091809.25 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , niet als ingezetene ingeschreven in de basisregistratie personen en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 april 2026. Verdachte is niet verschenen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens . Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat onder parketnummer 18.009007.25 hij op of omstreeks 13 augustus 2024 te Groningen, in elk geval in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten door met zijn vinger(s) over de broek de vagina en/of de clitoris van die [slachtoffer 1] te betasten en/of hierop te drukken en/of erover te wrijven, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 13 augustus 2024 te Groningen, in elk geval in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten door met zijn vinger(s) over de broek de vagina en/of de clitoris van die [slachtoffer 1] te betasten en/of hierop te drukken en/of erover te wrijven, terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak. onder parketnummer 18.091809.25 Hij op of omstreeks 31 juli 2024 in Groningen, althans in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 2] met een mes in het achterhoofd heeft gestoken, althans in het hoofd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: Hij op of omstreeks 31 juli 2024 in Groningen, althans in de gemeente Groningen, [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door hem met een mes in het achterhoofd, althans in het hoofd, te steken. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de onder parketnummers 18.009007.25 en 18.091809.25 primair ten laste gelegde feiten. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Ten aanzien van parketnummer 18.009007.25 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een opzetaanranding. Verdachte heeft aangeefster in het uitgaansleven op een zodanige wijze bejegend dat daardoor een aanmerkelijke kans bestond dat dit tegen de wil van aangeefster was. Door desondanks zo te handelen, heeft verdachte deze aanmerkelijke kans willens en wetens aanvaard. Met betrekking tot parketnummer 18.091809.25 heeft de officier van justitie aangevoerd dat sprake is van een poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft aangever van korte afstand met een mes gestoken. Een dergelijke gedraging roept naar haar uiterlijke verschijningsvorm een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven. Door op deze wijze te handelen, heeft verdachte deze kans bewust aanvaard. Oordeel van de rechtbank De rechtbank acht de onder parketnummers 18.009007.25 en 18.091809.25 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Het primair ten laste gelegde onder 18.009007.25 1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 augustus 2024, opgenomen op pagina 24 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024220334 d.d. 26 december 2024, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] : V: We willen je nu uitnodigen om te vertellen wat er is gebeurd gisterenavond. A: [getuige 1] en ik liepen langs een jongen. We gingen met hem in gesprek. Hij was ook in gesprek met die man waar ik nu aangifte tegen doe. Ik keek naar links naar [getuige 1] en daarna greep hij mij bij mijn kruis. Ik was perplex, ik dacht doet [getuige 1] dit? Maar toen zag ik dat hij het deed, hij keek mij nog aan. Ik zag aan [getuige 1] dat ze het had gezien. V: Jullie lopen weg en dan? A: Nee, we waren nog in gesprek met die jongen en ineens voelde ik een hand in mijn kruis. Alsof ik gevingerd werd door mijn kleding heen. Ik keek naar [getuige 1] en toen zag ik hem. V: Hoe kwam de man tegen wie jij aangifte doet, ineens bij jou? A: Ik was niet met die man bezig. Ineens was hij bij mij. V: Neem ons mee, wat voelde je? A: Ik voelde dat iemand met zijn wijs en middelvinger duwde in mijn kruis. Daarna ben ik gelijk weggegaan. V: Hoe weet je dat het zijn wijs- en middelvinger was? A: Ik kon het voelen. V: Hoe zat hij aan jouw kruis? Zat hij op je broek, op je onderbroek, op je blote huid of nog anders? A: Hij raakte mij aan op mijn broek en duwde tegen mijn broek aan en raakte mijn kruis aan. Ik had daaronder nog een onderbroek aan. V: Wat raakte hij dan bij jou aan? A: Dan raakte hij echt mijn clitoris aan. V: Wat deed hij met zijn vingers toen hij jouw aanraakte? A: Hij maakte een duwende beweging naar boven. V: Raakte hij ook daadwerkelijk jouw clitoris aan? A: Mijn broek zat er tussen natuurlijk, maar met zijn vingers wel. Dus ja. 2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 15 augustus 2024, opgenomen op pagina 41 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] : V: Wat kun jij vertellen over wat er is gebeurd? A: Tussen [café 1] en [café 2] stond die man, daarmee bedoel ik de man die [slachtoffer 1] heeft aangeraakt. Die stond te praten met een jongen. Wij gingen met de jongen praten. Toen deed hij dat bij [slachtoffer 1] . Ik zag dat hij zijn ringvinger, middelvinger en wijsvinger bij [slachtoffer 1] deed. Ik zag dat [slachtoffer 1] schrok en trok haar mee richting de hoek, richting de Oosterstraat. V: Je zegt met de drie vingers, je doet een scheppende beweging voor... toch? A: Ja hij deed het echt heel snel. Hij stak zijn arm heel snel richting [slachtoffer 1] uit. Dat was compleet in mijn gezichtsveld. Ik stond tussen hen in. V: Hij maakt dan een scheppende beweging met zijn vingers. Wat zie je dat hij aanraakt? A: Het was [slachtoffer 1] haar kruis. V: Wat bedoel je met [slachtoffer 1] haar kruis? A: Hij raakte haar vagina aan. Niet huid op huid. Hij raakte haar aan over haar broek. [slachtoffer 1] droeg een lossige broek. [slachtoffer 1] schrok en deed een stap achteruit. Ik weet niet in hoe ver hij in haar is geweest. Het was echt heel snel. Het was echt even aanraken en weer terug. 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 augustus 2024, opgenomen op pagina 33 e.v.
Volledig
van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] : In verband met dit onderzoek zijn er bij de gemeente Groningen beelden veiliggesteld van de Poelestraat en Peperstraat. Op camerabeelden zie ik verbalisant, omstreeks 23:21 uur op dinsdag 13 augustus 2024, twee personen aan het begin van de Peperstraat staan. De ene persoon betreft een blanke man. De man is langer dan de man waar hij contact mee heeft. Deze man wordt later aangehouden en derhalve bij mij verbalisant bekend als zijnde verdachte [verdachte] . Rond 23:23 uur sluiten er twee personen aan bij de twee bovengenoemde personen. Waarvan ik één herken als zijnde het slachtoffer [slachtoffer 1] . Tegenover het slachtoffer staat de verdachte [verdachte] . Om 23:24 zie ik dat de verdachte zijn rechterhand en arm naar voren brengt in de richting van het kruis van het slachtoffer. Op dit moment staan de verdachte en het slachtoffer op minder dan een meter afstand van elkaar. Ik zie dat de verdachte hierbij licht naar voren beweegt. Ik zie vervolgens dat het slachtoffer snel achteruitdeinst en daarbij met haar bovenlichaam naar voren buigt. Ik zie dat [getuige 1] haar arm uitstrekt voor het slachtoffer. Ik zie dat het slachtoffer vervolgens direct wegloopt in de richting van het zuidelijke gedeelte van de Peperstraat. Als bijlage aan dit proces-verbaal worden vijf print sereens van de camerabeelden toegevoegd. Het primair ten laste gelegde onder 18.091809.25 1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 5 augustus 2024, opgenomen op pagina 13 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024206451 d.d. 25 februari 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] : Op dinsdag 31 juli 2024, was ik omstreeks 10:30 uur op het grasveld voor [adres] te Groningen. Diezelfde dag kreeg ik van een bekende een aantal pasjes overhandigd. Die had ze gevonden en vroeg aan mij of ik die wilde inleveren bij [adres] . Op het grasveld kwam een voor mij bekende man aanlopen die mij aansprak. Ik ken de man van de straat. Het betrof een Somalische man van ongeveer 30 jaar oud, smal postuur, pet en zonnebril dragend. Ik hoorde dat hij mij begon uit te schelden in zijn eigen taal. Andere mensen in de buurt zeiden tegen mij dat hij de pasjes wilde hebben die ik had gekregen. Ik negeerde de Somalische man en draaide mij om richting de parkeermeter aldaar. Direct hierop voelde ik een klap en een stekende pijn in mijn nek en achterhoofd. Ik voelde de pijn direct achter mijn linkeroor. Ik hoorde van omstanders dat ik was gestoken. Ik voelde aan mijn achterhoofd en nek en ik zag bloed aan mijn handen. Hierna ben ik bij het Leger des Heils naar binnen gegaan. Die mensen hebben foto's gemaakt van het letsel en hebben de wond schoon gemaakt. Uiteindelijk viel het letsel mee, omdat het vermoedelijke mes op een bot terecht is gekomen. Als het mes of een ander scherp voorwerp en stukje lager was gekomen, was ik in mijn nek gestoken met alle gevolgen van dien. 2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 augustus 2024, opgenomen op pagina 23 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] : Op woensdag 31 juli 2024 omstreeks 11.20 kreeg ik een melding te gaan naar [adres] te Groningen. Ter plaatse bleek al snel dat de mogelijke verdachte weg zou zijn gelopen. Dit vertelden twee getuigen die het geheel gezien hadden. Deze getuigen vertelden dat er een ruzie zou zijn geweest en dat de man die nu was weggelopen een mes zou hebben. Het mes zou nu liggen aan de zijkant van het gras bij [adres] onder een heg. Ik, verbalisant [verbalisant] , liep met de getuige mee en zag een zwart mes liggen. Het mes was ca. 20 centimeter. Er zat geen bloed op het mes. Het mes is inbeslaggenomen. 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 10 september 2024, opgenomen op pagina 37 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] : Op woensdag 31 juli 2024, omstreeks 11:15 uur was ik werkzaam bij het leger des Heils aan [adres] te Groningen. Ik zag meerdere bezoekers en daklozen op het veldje staan. We zagen dat de sfeer een beetje omsloeg en dat twee mannen tegenover elkaar stonden. De ene man ken ik vanuit mijn werk als [slachtoffer 2] en de andere man was [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1982, deze is van Somalische afkomst. Daarop liep ik weg bij het raam om te bellen met 112. Vervolgens hoorde ik mijn collega uit Utrecht zeggen, dat ze een mes had gezien. Toen [slachtoffer 2] binnenkwam zag ik de verwonding op zijn achterhoofd. Ik hoorde hem zeggen dat hij gestoken was door [verdachte] . 4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van vooronderzoek lab d.d. 24 september 2024, opgenomen op pagina 42 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] : Op dinsdag 24 september 2024 werd door mij een forensisch onderzoek verricht naar biologische en dactyloscopische sporen aan onderstaande sporendrager: Goednummer: PL0100-2024206451-1740720 SIN: AARZ5574NL Object: Handgereedschap (mes) Ik heb afzonderlijk; de snijrand het heft bemonsterd op humane biologische sporen. Ik heb de sporen veiliggesteld, gewaarmerkt met SIN AASB20888NL, verpakt en verzegeld. Spoornummer: PL0100-2024206451-98210 SIN AASB2088NL Relatie met SIN AARZ5574NL 5. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.10.04.137, d.d. 21 november 2024 opgemaakt door ing. M.J.W. Pouwels, op de door hem of haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn of haar verklaring, opgenomen op pagina 55 e.v. van voornoemd dossier: 4. Bij het onderzoek betrokken personen In onderstaande tabel staat van wie het DNA-profiel is betrokken bij het onderzoek binnen deze zaak. SIN Naam SKN RAAM068SNL [naam] * [nummer] WAAU2316NL Verdachte [verdachte] [nummer] WAAX8410NL Slachtoffer [slachtoffer 2] [nummer] Toelichting: * Vanwege een overeenkomst in de DNA-databank is het DNA-profiel van deze persoon betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek. 5. Resultaten, interpretatie en conclusie van het onderzoek In onderstaande tabel staan de resultaten van het DNA-onderzoek. AASB2088NL AASB2088NL #01 heft DNA kan afkomstig zijn van: minimaal vier personen: - Slachtoffer [slachtoffer 2] - [naam] - Verdachte [verdachte] Bewijskracht : zie Bewijskracht van het vergelijkend DNA- onderzoek 6. Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek AASB2088NL #01 (heft) Op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek is voor slachtoffer [slachtoffer 2] , [naam] en verdachte [verdachte] vastgesteld dat zij afzonderlijk DNA kunnen hebben bijgedragen aan deze bemonstering. Om te onderzoeken of de drie personen individueel en/of gezamenlijk DNA kunnen hebben bijgedragen aan de bemonstering, zijn er acht hypothesen opgesteld en is berekend welke hypothese het DNA-mengprofiel het beste verklaart. Bij de berekeningen is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van vier personen. Hypothesen De bemonstering bevat DNA van: Hypothese 1: Slachtoffer [slachtoffer 2] , [naam] , verdachte [verdachte] en één onbekende persoon Hypothese 2: Slachtoffer [slachtoffer 2] , [naam] en twee onbekende personen Hypothese 3: Slachtoffer [slachtoffer 2] , verdachte [verdachte] en twee onbekende personen Hypothese 4: [naam] , verdachte [verdachte] en twee onbekende personen Hypothese 5: Slachtoffer [slachtoffer 2] en drie onbekende personen Hypothese 6: [naam] en drie onbekende personen Hypothese 7: Verdachte [verdachte] en drie onbekende personen Uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek en de uitgevoerde berekeningen volgt dat het DNA-mengprofiel het beste wordt verklaard wanneer de bemonstering DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer 2] , [naam] en verdachte [verdachte] gezamenlijk: Het DNA-mengprofiel AASB2088NL #01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer één van de andere hypothesen waar is.
Volledig
van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] : In verband met dit onderzoek zijn er bij de gemeente Groningen beelden veiliggesteld van de Poelestraat en Peperstraat. Op camerabeelden zie ik verbalisant, omstreeks 23:21 uur op dinsdag 13 augustus 2024, twee personen aan het begin van de Peperstraat staan. De ene persoon betreft een blanke man. De man is langer dan de man waar hij contact mee heeft. Deze man wordt later aangehouden en derhalve bij mij verbalisant bekend als zijnde verdachte [verdachte] . Rond 23:23 uur sluiten er twee personen aan bij de twee bovengenoemde personen. Waarvan ik één herken als zijnde het slachtoffer [slachtoffer 1] . Tegenover het slachtoffer staat de verdachte [verdachte] . Om 23:24 zie ik dat de verdachte zijn rechterhand en arm naar voren brengt in de richting van het kruis van het slachtoffer. Op dit moment staan de verdachte en het slachtoffer op minder dan een meter afstand van elkaar. Ik zie dat de verdachte hierbij licht naar voren beweegt. Ik zie vervolgens dat het slachtoffer snel achteruitdeinst en daarbij met haar bovenlichaam naar voren buigt. Ik zie dat [getuige 1] haar arm uitstrekt voor het slachtoffer. Ik zie dat het slachtoffer vervolgens direct wegloopt in de richting van het zuidelijke gedeelte van de Peperstraat. Als bijlage aan dit proces-verbaal worden vijf print sereens van de camerabeelden toegevoegd. Het primair ten laste gelegde onder 18.091809.25 1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 5 augustus 2024, opgenomen op pagina 13 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024206451 d.d. 25 februari 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] : Op dinsdag 31 juli 2024, was ik omstreeks 10:30 uur op het grasveld voor [adres] te Groningen. Diezelfde dag kreeg ik van een bekende een aantal pasjes overhandigd. Die had ze gevonden en vroeg aan mij of ik die wilde inleveren bij [adres] . Op het grasveld kwam een voor mij bekende man aanlopen die mij aansprak. Ik ken de man van de straat. Het betrof een Somalische man van ongeveer 30 jaar oud, smal postuur, pet en zonnebril dragend. Ik hoorde dat hij mij begon uit te schelden in zijn eigen taal. Andere mensen in de buurt zeiden tegen mij dat hij de pasjes wilde hebben die ik had gekregen. Ik negeerde de Somalische man en draaide mij om richting de parkeermeter aldaar. Direct hierop voelde ik een klap en een stekende pijn in mijn nek en achterhoofd. Ik voelde de pijn direct achter mijn linkeroor. Ik hoorde van omstanders dat ik was gestoken. Ik voelde aan mijn achterhoofd en nek en ik zag bloed aan mijn handen. Hierna ben ik bij het Leger des Heils naar binnen gegaan. Die mensen hebben foto's gemaakt van het letsel en hebben de wond schoon gemaakt. Uiteindelijk viel het letsel mee, omdat het vermoedelijke mes op een bot terecht is gekomen. Als het mes of een ander scherp voorwerp en stukje lager was gekomen, was ik in mijn nek gestoken met alle gevolgen van dien. 2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 augustus 2024, opgenomen op pagina 23 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] : Op woensdag 31 juli 2024 omstreeks 11.20 kreeg ik een melding te gaan naar [adres] te Groningen. Ter plaatse bleek al snel dat de mogelijke verdachte weg zou zijn gelopen. Dit vertelden twee getuigen die het geheel gezien hadden. Deze getuigen vertelden dat er een ruzie zou zijn geweest en dat de man die nu was weggelopen een mes zou hebben. Het mes zou nu liggen aan de zijkant van het gras bij [adres] onder een heg. Ik, verbalisant [verbalisant] , liep met de getuige mee en zag een zwart mes liggen. Het mes was ca. 20 centimeter. Er zat geen bloed op het mes. Het mes is inbeslaggenomen. 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 10 september 2024, opgenomen op pagina 37 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] : Op woensdag 31 juli 2024, omstreeks 11:15 uur was ik werkzaam bij het leger des Heils aan [adres] te Groningen. Ik zag meerdere bezoekers en daklozen op het veldje staan. We zagen dat de sfeer een beetje omsloeg en dat twee mannen tegenover elkaar stonden. De ene man ken ik vanuit mijn werk als [slachtoffer 2] en de andere man was [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1982, deze is van Somalische afkomst. Daarop liep ik weg bij het raam om te bellen met 112. Vervolgens hoorde ik mijn collega uit Utrecht zeggen, dat ze een mes had gezien. Toen [slachtoffer 2] binnenkwam zag ik de verwonding op zijn achterhoofd. Ik hoorde hem zeggen dat hij gestoken was door [verdachte] . 4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van vooronderzoek lab d.d. 24 september 2024, opgenomen op pagina 42 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] : Op dinsdag 24 september 2024 werd door mij een forensisch onderzoek verricht naar biologische en dactyloscopische sporen aan onderstaande sporendrager: Goednummer: PL0100-2024206451-1740720 SIN: AARZ5574NL Object: Handgereedschap (mes) Ik heb afzonderlijk; de snijrand het heft bemonsterd op humane biologische sporen. Ik heb de sporen veiliggesteld, gewaarmerkt met SIN AASB20888NL, verpakt en verzegeld. Spoornummer: PL0100-2024206451-98210 SIN AASB2088NL Relatie met SIN AARZ5574NL 5. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.10.04.137, d.d. 21 november 2024 opgemaakt door ing. M.J.W. Pouwels, op de door hem of haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn of haar verklaring, opgenomen op pagina 55 e.v. van voornoemd dossier: 4. Bij het onderzoek betrokken personen In onderstaande tabel staat van wie het DNA-profiel is betrokken bij het onderzoek binnen deze zaak. SIN Naam SKN RAAM068SNL [naam] * [nummer] WAAU2316NL Verdachte [verdachte] [nummer] WAAX8410NL Slachtoffer [slachtoffer 2] [nummer] Toelichting: * Vanwege een overeenkomst in de DNA-databank is het DNA-profiel van deze persoon betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek. 5. Resultaten, interpretatie en conclusie van het onderzoek In onderstaande tabel staan de resultaten van het DNA-onderzoek. AASB2088NL AASB2088NL #01 heft DNA kan afkomstig zijn van: minimaal vier personen: - Slachtoffer [slachtoffer 2] - [naam] - Verdachte [verdachte] Bewijskracht : zie Bewijskracht van het vergelijkend DNA- onderzoek 6. Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek AASB2088NL #01 (heft) Op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek is voor slachtoffer [slachtoffer 2] , [naam] en verdachte [verdachte] vastgesteld dat zij afzonderlijk DNA kunnen hebben bijgedragen aan deze bemonstering. Om te onderzoeken of de drie personen individueel en/of gezamenlijk DNA kunnen hebben bijgedragen aan de bemonstering, zijn er acht hypothesen opgesteld en is berekend welke hypothese het DNA-mengprofiel het beste verklaart. Bij de berekeningen is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van vier personen. Hypothesen De bemonstering bevat DNA van: Hypothese 1: Slachtoffer [slachtoffer 2] , [naam] , verdachte [verdachte] en één onbekende persoon Hypothese 2: Slachtoffer [slachtoffer 2] , [naam] en twee onbekende personen Hypothese 3: Slachtoffer [slachtoffer 2] , verdachte [verdachte] en twee onbekende personen Hypothese 4: [naam] , verdachte [verdachte] en twee onbekende personen Hypothese 5: Slachtoffer [slachtoffer 2] en drie onbekende personen Hypothese 6: [naam] en drie onbekende personen Hypothese 7: Verdachte [verdachte] en drie onbekende personen Uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek en de uitgevoerde berekeningen volgt dat het DNA-mengprofiel het beste wordt verklaard wanneer de bemonstering DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer 2] , [naam] en verdachte [verdachte] gezamenlijk: Het DNA-mengprofiel AASB2088NL #01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer één van de andere hypothesen waar is.
Volledig
Bewezenverklaring De rechtbank acht het primair ten laste gelegde onder 18.009007.25 en het primair ten laste gelegde onder 18.091809.25 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: Het primair ten laste gelegde onder 18.009007.25 hij op 13 augustus 2024 te Groningen, met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , een seksuele handelingen heeft verricht, te weten door met zijn vingers over de broek de vagina en de clitoris van die [slachtoffer 1] te betasten en hierop te drukken, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak. Het primair ten laste gelegde onder 18.091809.25 Hij op 31 juli 2024 in Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 2] met een mes in het achterhoofd heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: onder 18.009007.25 1. primair Opzetaanranding onder 18.091809.25 1. primair Poging zware mishandeling Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van beide feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten, een opzetaanranding en een poging zware mishandeling. De opzetaanranding heeft plaatsgevonden in een uitgaansomgeving, alwaar verdachte onverwachts zijn hand tussen de benen van het slachtoffer en tegen haar kruis heeft bewogen, terwijl hij wist dat zij dit niet wilde. Daarmee heeft verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijk gedrag wordt door slachtoffers vaak als vernederend ervaren en draagt bij aan gevoelens van onveiligheid in het uitgaansleven. Verdachte heeft kennelijk zijn eigen (lust)gevoelens vooropgesteld en zich onvoldoende rekenschap gegeven van de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. De rechtbank rekent hem dit aan. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer met een mes in het achterhoofd te steken. Hiermee heeft hij opnieuw een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van een slachtoffer. Het gebruik van een mes in de richting van een hoofd en hals brengt bovendien een groot risico op ernstig letsel met zich en rechtvaardigt gevoelens van angst en onveiligheid. Daarbij weegt de rechtbank mee dat het feit zich grotendeels op de openbare weg heeft afgespeeld en door meerdere omstanders is waargenomen. Dit moet ook voor de getuigen een ingrijpende en beangstigende situatie zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten de oplegging van een gevangenisstraf rechtvaardigen. Persoonlijke omstandigheden De rechtbank heeft verder gekeken naar het strafblad van verdachte van 3 april 2026. Daaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten in Nederland en dat artikel 63 Sr van toepassing is. Voor het overige is er weinig bekend over de persoonlijke omstandigheden van verdachte, aangezien de reclassering verdachte inhoudelijk niet heeft kunnen spreken en hij ook niet ter terechtzitting is verschenen. Conclusie Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden passend en geboden. De rechtbank wijkt daarmee af van de eis van de officier van justitie. Daarbij weegt de rechtbank onder meer het tijdsverloop sinds het plegen van de feiten mee en heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet. Benadeelde partij Ten aanzien van het onder parketnummer 18.091809.25 primair ten laste gelegde heeft meneer [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 3.000 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. Oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van hetgeen onder parketnummer 18.091809.25 primair bewezen is verklaard. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding en rekening houdend met de zogenoemde Rotterdamse schaal, specifiek de categorie licht letsel onder hoofdstuk 13 sub c, oordeelt de rechtbank dat een vergoeding van 1.500 billijk is. De rechtbank zal de vordering daarom gedeeltelijk toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2024. De rechtbank verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Nu vaststaat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 63, 241, 302 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart het onder parketnummers 18.009007.25 en 18.091809.25 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Volledig
Bewezenverklaring De rechtbank acht het primair ten laste gelegde onder 18.009007.25 en het primair ten laste gelegde onder 18.091809.25 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: Het primair ten laste gelegde onder 18.009007.25 hij op 13 augustus 2024 te Groningen, met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , een seksuele handelingen heeft verricht, te weten door met zijn vingers over de broek de vagina en de clitoris van die [slachtoffer 1] te betasten en hierop te drukken, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak. Het primair ten laste gelegde onder 18.091809.25 Hij op 31 juli 2024 in Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 2] met een mes in het achterhoofd heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: onder 18.009007.25 1. primair Opzetaanranding onder 18.091809.25 1. primair Poging zware mishandeling Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van beide feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten, een opzetaanranding en een poging zware mishandeling. De opzetaanranding heeft plaatsgevonden in een uitgaansomgeving, alwaar verdachte onverwachts zijn hand tussen de benen van het slachtoffer en tegen haar kruis heeft bewogen, terwijl hij wist dat zij dit niet wilde. Daarmee heeft verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijk gedrag wordt door slachtoffers vaak als vernederend ervaren en draagt bij aan gevoelens van onveiligheid in het uitgaansleven. Verdachte heeft kennelijk zijn eigen (lust)gevoelens vooropgesteld en zich onvoldoende rekenschap gegeven van de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. De rechtbank rekent hem dit aan. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer met een mes in het achterhoofd te steken. Hiermee heeft hij opnieuw een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van een slachtoffer. Het gebruik van een mes in de richting van een hoofd en hals brengt bovendien een groot risico op ernstig letsel met zich en rechtvaardigt gevoelens van angst en onveiligheid. Daarbij weegt de rechtbank mee dat het feit zich grotendeels op de openbare weg heeft afgespeeld en door meerdere omstanders is waargenomen. Dit moet ook voor de getuigen een ingrijpende en beangstigende situatie zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten de oplegging van een gevangenisstraf rechtvaardigen. Persoonlijke omstandigheden De rechtbank heeft verder gekeken naar het strafblad van verdachte van 3 april 2026. Daaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten in Nederland en dat artikel 63 Sr van toepassing is. Voor het overige is er weinig bekend over de persoonlijke omstandigheden van verdachte, aangezien de reclassering verdachte inhoudelijk niet heeft kunnen spreken en hij ook niet ter terechtzitting is verschenen. Conclusie Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden passend en geboden. De rechtbank wijkt daarmee af van de eis van de officier van justitie. Daarbij weegt de rechtbank onder meer het tijdsverloop sinds het plegen van de feiten mee en heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet. Benadeelde partij Ten aanzien van het onder parketnummer 18.091809.25 primair ten laste gelegde heeft meneer [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 3.000 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. Oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van hetgeen onder parketnummer 18.091809.25 primair bewezen is verklaard. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding en rekening houdend met de zogenoemde Rotterdamse schaal, specifiek de categorie licht letsel onder hoofdstuk 13 sub c, oordeelt de rechtbank dat een vergoeding van 1.500 billijk is. De rechtbank zal de vordering daarom gedeeltelijk toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2024. De rechtbank verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Nu vaststaat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 63, 241, 302 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart het onder parketnummers 18.009007.25 en 18.091809.25 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.