Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-03-26
ECLI:NL:RBNNE:2026:1708
Strafrecht; Strafprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,195 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1708 text/xml public 2026-05-18T11:06:48 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-26 18-233435-24 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Raadkamer NL Assen Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1708 text/html public 2026-05-18T11:06:10 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1708 Rechtbank Noord-Nederland , 26-03-2026 / 18-233435-24 Afwijzen art. 530 Sv, vrijspraak primair ten laste gelegde, geldboete voor subsidiair ten laste gelegde, dus de zaak niet geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Of de rechtsbijstand enkel of hoofdzakelijk voor een van de feiten op de dagvaarding was ingeschakeld, maakt de begrenzing van de ‘zaak’ als bedoeld in art. 530 Sv niet anders. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Assen parketnummer : 18-233435-24 raadkamernummer : 25-011550 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] , hierna te noemen: de verzoeker. Advocaat: mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen. Procesverloop Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter van 12 februari 2025 is verzoeker vrijgesproken voor het primair ten laste gelegde en is een voorwaardelijke geldboete opgelegd voor het subsidiair ten laste gelegde. Op 1 mei 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van: - de kosten van rechtsbijstand die door verzoeker zijn gemaakt ten gevolge van de tegen hem gevoerde strafzaak tot een bedrag van 5.414,75; - de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van 340,-, te vermeerderen in geval van een behandeling ter zitting. De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 14 mei 2025 en de reactie van de advocaat van 19 november 2025. Het verzoekschrift is behandeld ter openbare zitting van de raadkamer van 26 maart 2026. Daarbij zijn de advocaat van verzoeker en de officier van justitie mr. J.L. van den Broek gehoord. Verzoeker is hoewel behoorlijk opgeroepen niet verschenen. Beoordeling Op grond van art. 530, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan aan de gewezen verdachte een vergoeding worden toegekend voor de kosten van een raadsman indien de zaak eindigt zonder oplegging van een straf of maatregel. Onderhavige zaak is echter niet geëindigd zonder oplegging van een straf nu voor het subsidiair ten laste gelegde een voorwaardelijke geldboete is opgelegd. Het argument van de advocaat dat de rechtsbijstand was ingeroepen in verband met het primaire feit maakt vorenstaande niet anders. De inleidende dagvaarding bepaalt de grenzen van het rechtsgeding, oftewel de zaak als bedoeld in art. 530 Sv, en op die dagvaarding stond een primair en een subsidiair feit. Of de rechtsbijstand enkel of hoofdzakelijk voor een van de feiten op de dagvaarding was ingeschakeld, maakt de begrenzing van de zaak als bedoeld in art. 530 Sv niet anders. De zaak is niet geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en derhalve bestaat er geen recht op vergoeding van gemaakte advocaatkosten. Ook het beroep van de advocaat op de laatste zin van art. 530, tweede lid, Sv te weten dat de zaak weliswaar is geëindigd met oplegging van een straf of maatregel maar op grond van een feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten en er derhalve toch een recht op vergoeding van advocaatkosten bestaat gaat niet op. De situatie van die laatste zin van art. 530, tweede lid, Sv ziet namelijk op de situatie waarin een verdachte wordt vrijgesproken voor het feit waarvoor hij in verzekering (en voorlopige hechtenis) heeft doorgebracht en wél veroordeeld wordt voor een feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten. Die situatie doet zich in onderhavige zaak niet voor. Het verzoek wordt afgewezen. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek af. Deze beslissing is gegeven door mr. F. Sieders, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Lamers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026. Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1708 text/xml public 2026-05-18T11:06:48 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-26 18-233435-24 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Raadkamer NL Assen Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1708 text/html public 2026-05-18T11:06:10 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1708 Rechtbank Noord-Nederland , 26-03-2026 / 18-233435-24 Afwijzen art. 530 Sv, vrijspraak primair ten laste gelegde, geldboete voor subsidiair ten laste gelegde, dus de zaak niet geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Of de rechtsbijstand enkel of hoofdzakelijk voor een van de feiten op de dagvaarding was ingeschakeld, maakt de begrenzing van de ‘zaak’ als bedoeld in art. 530 Sv niet anders. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Assen parketnummer : 18-233435-24 raadkamernummer : 25-011550 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] , hierna te noemen: de verzoeker. Advocaat: mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen. Procesverloop Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter van 12 februari 2025 is verzoeker vrijgesproken voor het primair ten laste gelegde en is een voorwaardelijke geldboete opgelegd voor het subsidiair ten laste gelegde. Op 1 mei 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van: - de kosten van rechtsbijstand die door verzoeker zijn gemaakt ten gevolge van de tegen hem gevoerde strafzaak tot een bedrag van 5.414,75; - de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van 340,-, te vermeerderen in geval van een behandeling ter zitting. De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 14 mei 2025 en de reactie van de advocaat van 19 november 2025. Het verzoekschrift is behandeld ter openbare zitting van de raadkamer van 26 maart 2026. Daarbij zijn de advocaat van verzoeker en de officier van justitie mr. J.L. van den Broek gehoord. Verzoeker is hoewel behoorlijk opgeroepen niet verschenen. Beoordeling Op grond van art. 530, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan aan de gewezen verdachte een vergoeding worden toegekend voor de kosten van een raadsman indien de zaak eindigt zonder oplegging van een straf of maatregel. Onderhavige zaak is echter niet geëindigd zonder oplegging van een straf nu voor het subsidiair ten laste gelegde een voorwaardelijke geldboete is opgelegd. Het argument van de advocaat dat de rechtsbijstand was ingeroepen in verband met het primaire feit maakt vorenstaande niet anders. De inleidende dagvaarding bepaalt de grenzen van het rechtsgeding, oftewel de zaak als bedoeld in art. 530 Sv, en op die dagvaarding stond een primair en een subsidiair feit. Of de rechtsbijstand enkel of hoofdzakelijk voor een van de feiten op de dagvaarding was ingeschakeld, maakt de begrenzing van de zaak als bedoeld in art. 530 Sv niet anders. De zaak is niet geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en derhalve bestaat er geen recht op vergoeding van gemaakte advocaatkosten. Ook het beroep van de advocaat op de laatste zin van art. 530, tweede lid, Sv te weten dat de zaak weliswaar is geëindigd met oplegging van een straf of maatregel maar op grond van een feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten en er derhalve toch een recht op vergoeding van advocaatkosten bestaat gaat niet op. De situatie van die laatste zin van art. 530, tweede lid, Sv ziet namelijk op de situatie waarin een verdachte wordt vrijgesproken voor het feit waarvoor hij in verzekering (en voorlopige hechtenis) heeft doorgebracht en wél veroordeeld wordt voor een feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten. Die situatie doet zich in onderhavige zaak niet voor. Het verzoek wordt afgewezen. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek af. Deze beslissing is gegeven door mr. F. Sieders, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Lamers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026. Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.