Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-03-26
ECLI:NL:RBNNE:2026:1707
Strafrecht; Strafprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,391 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1707 text/xml public 2026-05-18T11:02:18 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-26 18-061609-25 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Raadkamer NL Assen Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1707 text/html public 2026-05-18T11:01:32 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1707 Rechtbank Noord-Nederland , 26-03-2026 / 18-061609-25 Afwijzen art. 530 en 533 Sv, beleidssepot, er bestond een gefundeerde verdenking tegen verzoeker, verzoeker heeft kosten aan zichzelf te wijten. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Assen parketnummer : 18-061609-25 raadkamernummer : 25-027135 en 25-027136 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat: [adres] , Amsterdam, hierna te noemen: de verzoeker. Advocaat: mr. L.M.F. Aarts, advocaat te Amsterdam. Procesverloop Het Openbaar Ministerie heeft op 21 oktober 2025 de onderhavige strafzaak geseponeerd omdat er onvoldoende nationaal belang was bij strafvervolging van verzoeker. Op 22 oktober 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van: schade geleden als gevolg van ondergane inverzekeringstelling tot een bedrag van 260,- de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van 340,-, te vermeerderen in geval van een behandeling ter zitting. De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 27 november 2025 en de reactie van de advocaat van 19 december 2025. Het verzoekschrift is behandeld ter openbare zitting van de raadkamer van 26 maart 2026. Daarbij zijn de advocaat van verzoeker en de officier van justitie mr. J.L. van den Broek gehoord. Verzoeker is hoewel behoorlijk opgeroepen niet verschenen. Beoordeling De strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Dit betekent echter niet dat verzoeker zonder meer in aanmerking komt voor vergoeding van zijn kosten. Per geval dient te worden bekeken of er gronden van billijkheid (art. 534 Sv) aanwezig zijn om een vergoeding toe te kennen. Het gaat daarbij om de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking voor rekening van verzoeker dienen te worden gelaten dan wel dat deze geheel of gedeeltelijk door de Staat moeten worden gedragen. Verzoeker werd verdacht van het vervoeren/aanwezig hebben van meerdere flessen lachgas, zijnde een verboden middel op lijst II OW. Uit het proces-verbaal blijkt dat verzoeker na het passeren van de Duits-Nederlands grens staande is gehouden door verbalisanten omdat de bestelbus waar hij in reed een doorgezakte achteras en een ondoorzichtige laadruimte had. In de bus zijn 148 lachgasflessen aangetroffen van in totaal 460 liter lachgas. Verzoeker heeft niets willen verklaren over waar hij vandaan kwam, waar hij naartoe ging of waarom hij in deze bestelbus reed. Hij heeft enkel verklaard dat hij niet wist dat er flessen lachgas in zijn bus lagen. Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er zowel destijds als achteraf bezien een gefundeerde verdenking tegen verzoeker bestond dat hij zich schuldig maakte aan het vervoeren/aanwezig hebben van meerdere flessen lachgas, welke verdenking ertoe heeft geleid dat verzoeker twee dagen in verzekering heeft doorgebracht. De omstandigheden waaronder verzoeker is staande gehouden vragen bovendien om een verklaring van verzoeker hoe het kan dat er lachgasflessen in zijn bus liggen, waar hij naar eigen zeggen geen weet van heeft. Verzoeker heeft daar echter geen verklaring voor willen geven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker het dan ook aan zichzelf te wijten dat hij twee dagen in verzekering heeft doorgebracht. De rechtbank ziet dan ook geen gronden van billijkheid om schadevergoeding toe te kennen voor de tijd doorgebracht in verzekering. De rechtbank wordt voorts in dit oordeel gesterkt door de sepotgrond; de enkele reden dat verzoeker niet vervolgd is, is immers gelegen in het feit dat hij in Duitsland woont. Het verzoek zal worden afgewezen. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek af. Deze beslissing is gegeven door mr. F. Sieders, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Lamers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026. Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1707 text/xml public 2026-05-18T11:02:18 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-26 18-061609-25 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Raadkamer NL Assen Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1707 text/html public 2026-05-18T11:01:32 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1707 Rechtbank Noord-Nederland , 26-03-2026 / 18-061609-25 Afwijzen art. 530 en 533 Sv, beleidssepot, er bestond een gefundeerde verdenking tegen verzoeker, verzoeker heeft kosten aan zichzelf te wijten. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Assen parketnummer : 18-061609-25 raadkamernummer : 25-027135 en 25-027136 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat: [adres] , Amsterdam, hierna te noemen: de verzoeker. Advocaat: mr. L.M.F. Aarts, advocaat te Amsterdam. Procesverloop Het Openbaar Ministerie heeft op 21 oktober 2025 de onderhavige strafzaak geseponeerd omdat er onvoldoende nationaal belang was bij strafvervolging van verzoeker. Op 22 oktober 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van: schade geleden als gevolg van ondergane inverzekeringstelling tot een bedrag van 260,- de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van 340,-, te vermeerderen in geval van een behandeling ter zitting. De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 27 november 2025 en de reactie van de advocaat van 19 december 2025. Het verzoekschrift is behandeld ter openbare zitting van de raadkamer van 26 maart 2026. Daarbij zijn de advocaat van verzoeker en de officier van justitie mr. J.L. van den Broek gehoord. Verzoeker is hoewel behoorlijk opgeroepen niet verschenen. Beoordeling De strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Dit betekent echter niet dat verzoeker zonder meer in aanmerking komt voor vergoeding van zijn kosten. Per geval dient te worden bekeken of er gronden van billijkheid (art. 534 Sv) aanwezig zijn om een vergoeding toe te kennen. Het gaat daarbij om de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking voor rekening van verzoeker dienen te worden gelaten dan wel dat deze geheel of gedeeltelijk door de Staat moeten worden gedragen. Verzoeker werd verdacht van het vervoeren/aanwezig hebben van meerdere flessen lachgas, zijnde een verboden middel op lijst II OW. Uit het proces-verbaal blijkt dat verzoeker na het passeren van de Duits-Nederlands grens staande is gehouden door verbalisanten omdat de bestelbus waar hij in reed een doorgezakte achteras en een ondoorzichtige laadruimte had. In de bus zijn 148 lachgasflessen aangetroffen van in totaal 460 liter lachgas. Verzoeker heeft niets willen verklaren over waar hij vandaan kwam, waar hij naartoe ging of waarom hij in deze bestelbus reed. Hij heeft enkel verklaard dat hij niet wist dat er flessen lachgas in zijn bus lagen. Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er zowel destijds als achteraf bezien een gefundeerde verdenking tegen verzoeker bestond dat hij zich schuldig maakte aan het vervoeren/aanwezig hebben van meerdere flessen lachgas, welke verdenking ertoe heeft geleid dat verzoeker twee dagen in verzekering heeft doorgebracht. De omstandigheden waaronder verzoeker is staande gehouden vragen bovendien om een verklaring van verzoeker hoe het kan dat er lachgasflessen in zijn bus liggen, waar hij naar eigen zeggen geen weet van heeft. Verzoeker heeft daar echter geen verklaring voor willen geven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker het dan ook aan zichzelf te wijten dat hij twee dagen in verzekering heeft doorgebracht. De rechtbank ziet dan ook geen gronden van billijkheid om schadevergoeding toe te kennen voor de tijd doorgebracht in verzekering. De rechtbank wordt voorts in dit oordeel gesterkt door de sepotgrond; de enkele reden dat verzoeker niet vervolgd is, is immers gelegen in het feit dat hij in Duitsland woont. Het verzoek zal worden afgewezen. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek af. Deze beslissing is gegeven door mr. F. Sieders, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Lamers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026. Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.