Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-04-13
ECLI:NL:RBNNE:2026:1637
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
7,997 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1637 text/xml public 2026-05-19T11:18:10 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-13 C/18/245447 / FA RK 25-2293 Uitspraak Beschikking NL Groningen Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1637 text/html public 2026-05-19T11:17:14 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1637 Rechtbank Noord-Nederland , 13-04-2026 / C/18/245447 / FA RK 25-2293 echtscheiding en nevenvoorzieningen. Weliswaar heeft de man aangevoerd dat door de financiering van de woning uit zijn privévermogen de woning op grond van artikel 1:95 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) buiten de wettelijk beperkte gemeenschap blijft, maar vanwege de levering aan partijen samen geldt die bepaling niet: de formele verkrijging (de levering) is bepalend voor de eigendom. Dat betekent dat de woning tot de wettelijk beperkte huwelijksgoederengemeenschap behoort en verdeeld moet worden. De vrouw heeft ook verzocht om een verklaring voor recht dat de marktwaarde van de woning tussen partijen bij helfte verdeeld moet worden. Dat verzoek zal worden afgewezen. Doordat de man de woning volledig uit zijn privévermogen (namelijk uit een schadevergoeding waarvan niet in geschil is dat deze privévermogen van de man vormt) heeft gefinancierd, heeft hij een vergoedingsrecht (‘reprise’) als bedoeld in artikel 1:95 lid 2 BW. Het vergoedingsrecht wordt berekend overeenkomstig artikel 1:87 lid 2 BW. Omdat de man de volledige koopsom heeft betaald en daarmee ook de helft die de vrouw had moeten betalen voor haar aandeel in de woning, is de hoogte van het vergoedingsrecht gelijk aan de helft van de huidige (markt)waarde van de woning. De rechtbank begrijpt dat de man de woning toegedeeld wil krijgen. Ter gelegenheid van de verdeling van de woning kan de man het vergoedingsrecht verrekenen met het aandeel van de vrouw in de waarde van de woning. Dat aandeel is gelijk aan nul. Daardoor komt de gehele (markt)waarde van de woning aan de man toe. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Groningen Zaaknummer: C/18/245447 / FA RK 25-2293 Beschikking van 13 april 2026 over de echtscheiding en nevenvoorzieningen in de zaak van [naam man] , die woont op een bij de rechtbank bekend, geheim adres, en die hierna "de man" wordt genoemd, advocaat: mr. R.A. Bruintjes, die kantoor houdt in Leek, en [naam vrouw] , die woont op een bij de rechtbank bekend, geheim adres, en die hierna "de vrouw" wordt genoemd, advocaat: mr. E.H. Jansen, die kantoor houdt in Groningen. 1 Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: een verzoekschrift van de man, door de rechtbank ontvangen op 30 juni 2025; een F9-formulier van de man met als bijlage het exploot van betekening, door de rechtbank ontvangen op 2 juli 2025; een verweerschrift van de vrouw, door de rechtbank ontvangen op 30 september 2025; een akte uitlating van de man, waarin door de man onder meer aanvullende verzoeken worden gedaan, door de rechtbank ontvangen op 23 januari 2026; een akte uitlating van de vrouw, waarin door de vrouw onder meer aanvullende verzoeken worden gedaan, door de rechtbank ontvangen op 2 februari 2026; een akte uitlating van de man, waarin door de man onder meer een aanvullend verzoek wordt gedaan, door de rechtbank ontvangen op 16 maart 2026. 1.2. Op 23 maart 2026 heeft de rechtbank de zaak mondeling behandeld. De rechtbank heeft toen gesproken met partijen, hun advocaten en [naam vertegenwoordiger] , die de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) vertegenwoordigt. 1.3. Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven. 2 De feiten 2.1. De rechtbank kan bij de beoordeling van het verzoek uitgaan van de volgende feiten. 2.2. Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] in [plaats huwelijk] , thans gemeente [naam gemeente] , in beperkte gemeenschap van goederen. 2.3. Partijen zijn de ouders van de nu vijfjarige [naam minderjarige] , die is geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] . Partijen oefenen samen het gezag uit over [naam minderjarige] . 2.4. Ten tijde van het feitelijk uiteengaan van partijen woonden zij in een tijdelijke woning, die aan partijen was toegewezen in verband met aardbevingsschade aan de echtelijke woning aan de [adres] in [woonplaats] . Na het eindigen van de relatie van partijen is de man teruggekeerd naar de echtelijke woning. 2.5. [naam minderjarige] woont bij de vrouw. Zij verblijft om het weekend van vrijdagmiddag tussen 16:00 uur en 17:00 uur tot zondagavond 19:30 uur en iedere woensdagmiddag uit school tot en met donderdagochtend naar school bij de man. 3 Het geschil 3.1. De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover de wet dat toelaat uitvoerbaar bij voorraad: I. tussen partijen, die op [datum] in [plaats huwelijk] , thans gemeente [naam gemeente] , in algehele gemeenschap van goederen met elkaar zijn gehuwd, de echtscheiding uit te spreken; II. te bepalen dat het hoofdverblijf van het minderjarige kind van partijen, [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , bij de vrouw zal zijn; III. de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap te bevelen ten overstaan van een notaris met benoeming van een notaris en een onzijdige persoon volgens de wet. 3.2. Bij wijze van aanvullend verzoek verzoekt de man: IV. voor recht te verklaren dat de woning aan de [adres] te [woonplaats] geen onderdeel van de huwelijksgemeenschap is; V. voor recht te verklaren dat de bus van het merk Chevrolet geen onderdeel van de huwelijksgemeenschap is en aan de man toekomt. 3.3. Meer aanvullend heeft de man verzocht om de zorgregeling zoals omschreven onder 2.5 vast te leggen in de te wijzen beschikking. 3.4. De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover de wet dat toelaat uitvoerbaar bij voorraad: I. met betrekking tot de verzochte echtscheiding: tot referte; II. met betrekking tot het hoofdverblijf van der partijen minderjarig kind [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] : tot referte; III. met betrekking tot de verdeling: tot referte. 3.5. Bij wijze van aanvullend verzoek verzoekt de vrouw voor recht te verklaren dat: IV. de echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] behoort tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen; V. de marktwaarde van de woning tussen partijen bij helfte verdeeld dient te worden; VI. de vordering van de Belastingdienst op de vrouw ad. € 3.817,-- (+ rente ) ter zake te veel ontvangen kind gebonden budget 2021 en 2022 bij helfte tussen partijen verdeeld dient te worden; VII. de vordering van het CJIB op de vrouw wegens een boete ad. € 1.494,- (inclusief kosten € 1.707,07) bij helfte tussen partijen verdeeld dient te worden; VIII. de vordering van de Belastingdienst op de vrouw ter zake de motorrijtuigenbelasting 2024 ad. € 1.117,- bij helfte tussen partijen verdeeld dient te worden. 4 De beoordeling 4.1. De rechtbank dient in deze beschikking een beslissing te nemen op het verzoek van partijen om tussen hen de echtscheiding uit te spreken en op de door hen verzochte nevenvoorzieningen met betrekking tot het hoofdverblijf van [naam minderjarige] , en de verdeling dan wel omvang van de huwelijksgemeenschap. De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van de echtscheiding 4.2. De man verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. De man stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw erkent dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Zij stemt in met het verzoek van de man om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. 4.3. Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1637 text/xml public 2026-05-19T11:18:10 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-13 C/18/245447 / FA RK 25-2293 Uitspraak Beschikking NL Groningen Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1637 text/html public 2026-05-19T11:17:14 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1637 Rechtbank Noord-Nederland , 13-04-2026 / C/18/245447 / FA RK 25-2293 echtscheiding en nevenvoorzieningen. Weliswaar heeft de man aangevoerd dat door de financiering van de woning uit zijn privévermogen de woning op grond van artikel 1:95 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) buiten de wettelijk beperkte gemeenschap blijft, maar vanwege de levering aan partijen samen geldt die bepaling niet: de formele verkrijging (de levering) is bepalend voor de eigendom. Dat betekent dat de woning tot de wettelijk beperkte huwelijksgoederengemeenschap behoort en verdeeld moet worden. De vrouw heeft ook verzocht om een verklaring voor recht dat de marktwaarde van de woning tussen partijen bij helfte verdeeld moet worden. Dat verzoek zal worden afgewezen. Doordat de man de woning volledig uit zijn privévermogen (namelijk uit een schadevergoeding waarvan niet in geschil is dat deze privévermogen van de man vormt) heeft gefinancierd, heeft hij een vergoedingsrecht (‘reprise’) als bedoeld in artikel 1:95 lid 2 BW. Het vergoedingsrecht wordt berekend overeenkomstig artikel 1:87 lid 2 BW. Omdat de man de volledige koopsom heeft betaald en daarmee ook de helft die de vrouw had moeten betalen voor haar aandeel in de woning, is de hoogte van het vergoedingsrecht gelijk aan de helft van de huidige (markt)waarde van de woning. De rechtbank begrijpt dat de man de woning toegedeeld wil krijgen. Ter gelegenheid van de verdeling van de woning kan de man het vergoedingsrecht verrekenen met het aandeel van de vrouw in de waarde van de woning. Dat aandeel is gelijk aan nul. Daardoor komt de gehele (markt)waarde van de woning aan de man toe. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Groningen Zaaknummer: C/18/245447 / FA RK 25-2293 Beschikking van 13 april 2026 over de echtscheiding en nevenvoorzieningen in de zaak van [naam man] , die woont op een bij de rechtbank bekend, geheim adres, en die hierna "de man" wordt genoemd, advocaat: mr. R.A. Bruintjes, die kantoor houdt in Leek, en [naam vrouw] , die woont op een bij de rechtbank bekend, geheim adres, en die hierna "de vrouw" wordt genoemd, advocaat: mr. E.H. Jansen, die kantoor houdt in Groningen. 1 Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: een verzoekschrift van de man, door de rechtbank ontvangen op 30 juni 2025; een F9-formulier van de man met als bijlage het exploot van betekening, door de rechtbank ontvangen op 2 juli 2025; een verweerschrift van de vrouw, door de rechtbank ontvangen op 30 september 2025; een akte uitlating van de man, waarin door de man onder meer aanvullende verzoeken worden gedaan, door de rechtbank ontvangen op 23 januari 2026; een akte uitlating van de vrouw, waarin door de vrouw onder meer aanvullende verzoeken worden gedaan, door de rechtbank ontvangen op 2 februari 2026; een akte uitlating van de man, waarin door de man onder meer een aanvullend verzoek wordt gedaan, door de rechtbank ontvangen op 16 maart 2026. 1.2. Op 23 maart 2026 heeft de rechtbank de zaak mondeling behandeld. De rechtbank heeft toen gesproken met partijen, hun advocaten en [naam vertegenwoordiger] , die de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) vertegenwoordigt. 1.3. Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven. 2 De feiten 2.1. De rechtbank kan bij de beoordeling van het verzoek uitgaan van de volgende feiten. 2.2. Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] in [plaats huwelijk] , thans gemeente [naam gemeente] , in beperkte gemeenschap van goederen. 2.3. Partijen zijn de ouders van de nu vijfjarige [naam minderjarige] , die is geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] . Partijen oefenen samen het gezag uit over [naam minderjarige] . 2.4. Ten tijde van het feitelijk uiteengaan van partijen woonden zij in een tijdelijke woning, die aan partijen was toegewezen in verband met aardbevingsschade aan de echtelijke woning aan de [adres] in [woonplaats] . Na het eindigen van de relatie van partijen is de man teruggekeerd naar de echtelijke woning. 2.5. [naam minderjarige] woont bij de vrouw. Zij verblijft om het weekend van vrijdagmiddag tussen 16:00 uur en 17:00 uur tot zondagavond 19:30 uur en iedere woensdagmiddag uit school tot en met donderdagochtend naar school bij de man. 3 Het geschil 3.1. De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover de wet dat toelaat uitvoerbaar bij voorraad: I. tussen partijen, die op [datum] in [plaats huwelijk] , thans gemeente [naam gemeente] , in algehele gemeenschap van goederen met elkaar zijn gehuwd, de echtscheiding uit te spreken; II. te bepalen dat het hoofdverblijf van het minderjarige kind van partijen, [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , bij de vrouw zal zijn; III. de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap te bevelen ten overstaan van een notaris met benoeming van een notaris en een onzijdige persoon volgens de wet. 3.2. Bij wijze van aanvullend verzoek verzoekt de man: IV. voor recht te verklaren dat de woning aan de [adres] te [woonplaats] geen onderdeel van de huwelijksgemeenschap is; V. voor recht te verklaren dat de bus van het merk Chevrolet geen onderdeel van de huwelijksgemeenschap is en aan de man toekomt. 3.3. Meer aanvullend heeft de man verzocht om de zorgregeling zoals omschreven onder 2.5 vast te leggen in de te wijzen beschikking. 3.4. De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover de wet dat toelaat uitvoerbaar bij voorraad: I. met betrekking tot de verzochte echtscheiding: tot referte; II. met betrekking tot het hoofdverblijf van der partijen minderjarig kind [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] : tot referte; III. met betrekking tot de verdeling: tot referte. 3.5. Bij wijze van aanvullend verzoek verzoekt de vrouw voor recht te verklaren dat: IV. de echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] behoort tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen; V. de marktwaarde van de woning tussen partijen bij helfte verdeeld dient te worden; VI. de vordering van de Belastingdienst op de vrouw ad. € 3.817,-- (+ rente ) ter zake te veel ontvangen kind gebonden budget 2021 en 2022 bij helfte tussen partijen verdeeld dient te worden; VII. de vordering van het CJIB op de vrouw wegens een boete ad. € 1.494,- (inclusief kosten € 1.707,07) bij helfte tussen partijen verdeeld dient te worden; VIII. de vordering van de Belastingdienst op de vrouw ter zake de motorrijtuigenbelasting 2024 ad. € 1.117,- bij helfte tussen partijen verdeeld dient te worden. 4 De beoordeling 4.1. De rechtbank dient in deze beschikking een beslissing te nemen op het verzoek van partijen om tussen hen de echtscheiding uit te spreken en op de door hen verzochte nevenvoorzieningen met betrekking tot het hoofdverblijf van [naam minderjarige] , en de verdeling dan wel omvang van de huwelijksgemeenschap. De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van de echtscheiding 4.2. De man verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. De man stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw erkent dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Zij stemt in met het verzoek van de man om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. 4.3. Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen.
Volledig
Aangezien het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv). 4.4. Door de man is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de man voldoende heeft gemotiveerd dat het voor hem op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan te overleggen. De rechtbank zal de man dan ook ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding. 4.5. Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen. Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats 4.6. De man heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [naam minderjarige] bij de vrouw zal zijn. De vrouw is het hiermee eens. 4.7. De rechtbank zal, conform de overeenstemming van de ouders en het advies van de Raad, het verzoek met betrekking tot de hoofdverblijfplaats als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, nu niet is gebleken dat het belang van [naam minderjarige] zich daartegen verzet. Ten aanzien van de zorgregeling 4.8. Partijen zijn het erover eens dat de zorgregeling zoals beschreven onder 2.5. kan worden vastgelegd, met daarbij de aanvulling dat [naam minderjarige] op vrijdag uit school bij de vader verblijft, in plaats vanaf 16:00 uur of 17:00 uur. Partijen zijn het er verder over eens dat zij in onderling overleg de vakanties en feestdagen bij helfte zullen verdelen. 4.9. De rechtbank zal de regeling, conform de afspraken van partijen en het advies van de Raad, vastleggen in deze beschikking. 4.10. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de drie kinderen van de vrouw, voor zover en zoveel als mogelijk, aansluiten bij de regeling zoals die ten aanzien van [naam minderjarige] geldt, en zij dan ook bij de man verblijven. De verdeling van de huwelijksgemeenschap 4.11. Partijen zijn na 1 januari 2018 getrouwd en hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen. Dat betekent dat op het huwelijk de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen van toepassing is. Partijen zijn het niet volledig eens over de omvang en verdeling van die gemeenschap. 4.12. Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 30 juni 2025 ontbonden. Tot de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen behoren alle goederen die al vóór het huwelijk samen van partijen waren en alle goederen die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor genoemde datum van ontbinding hebben verkregen. Daarvan zijn (onder meer) uitgezonderd erfenissen en giften, maar ook pensioenrechten die al op basis van de wet moeten worden verevend. Wat de schulden betreft, behoren tot de gemeenschap die schulden waarvan partijen al samen schuldenaar waren vóór het huwelijk en alle schulden die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor voornoemde datum van ontbinding zijn aangegaan. Daarvan zijn uitgezonderd (onder meer) de schulden die betrekking hebben op goederen die niet tot de gemeenschap behoren. 4.13. De rechtbank zal hierna ingaan op de verschillende punten die door partijen naar voren zijn gebracht betreffende de omvang van de wettelijk beperkte gemeenschap, de wijze van verdeling daarvan en op de vraag of een van partijen door die wijze van verdeling wordt over- dan wel onderbedeeld. De echtelijke woning en de verdeling van de waarde 4.14. Partijen zijn het niet eens over de vraag of de echtelijke woning in de wettelijk beperkte huwelijksgemeenschap valt. De man heeft verzocht om een verklaring voor recht dat de echtelijke woning geen onderdeel is van de wettelijk beperkte huwelijksgemeenschap. De vrouw heeft verzocht om een verklaring voor recht dat de echtelijke woning behoort tot de wettelijk beperkte huwelijksgoederengemeenschap. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw toe. Het verzoek van de man wordt afgewezen. Dat is vanwege het volgende. Vast staat dat de woning aan de beide echtgenoten is geleverd. Partijen zijn daardoor samen eigenaar van de woning. Weliswaar heeft de man aangevoerd dat door de financiering van de woning uit zijn privévermogen de woning op grond van artikel 1:95 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) buiten de wettelijk beperkte gemeenschap blijft, maar vanwege de levering aan partijen samen geldt die bepaling niet: de formele verkrijging (de levering) is bepalend voor de eigendom. Dat betekent dat de woning tot de wettelijk beperkte huwelijksgoederengemeenschap behoort en verdeeld moet worden. 4.15. De vrouw heeft ook verzocht om een verklaring voor recht dat de marktwaarde van de woning tussen partijen bij helfte verdeeld moet worden. Dat verzoek zal worden afgewezen. Doordat de man de woning volledig uit zijn privévermogen (namelijk uit een schadevergoeding waarvan niet in geschil is dat deze privévermogen van de man vormt) heeft gefinancierd, heeft hij een vergoedingsrecht (‘reprise’) als bedoeld in artikel 1:95 lid 2 BW. Het vergoedingsrecht wordt berekend overeenkomstig artikel 1:87 lid 2 BW. Omdat de man de volledige koopsom heeft betaald en daarmee ook de helft die de vrouw had moeten betalen voor haar aandeel in de woning, is de hoogte van het vergoedingsrecht gelijk aan de helft van de huidige (markt)waarde van de woning. De rechtbank begrijpt dat de man de woning toegedeeld wil krijgen. Ter gelegenheid van de verdeling van de woning kan de man het vergoedingsrecht verrekenen met het aandeel van de vrouw in de waarde van de woning. Dat aandeel is gelijk aan nul. Daardoor komt de gehele (markt)waarde van de woning aan de man toe. 4.16. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de woning bij notariële akte aan de man toegedeeld moet worden om ervoor te zorgen dat de man de enige eigenaar wordt van de woning. De man hoeft daarbij per saldo niets aan de vrouw te betalen. De inboedel 4.17. Partijen hebben de inboedel in onderling overleg verdeeld, zodat er op grond van artikel 3:185 lid 1 BW geen taak meer is voor de rechtbank bij de verdeling daarvan. De vrouw zal haar persoonlijke spullen bij de man ophalen op een nader door partijen overeen te komen datum. De bus van het merk Chevrolet 4.18. Partijen zijn het erover eens dat de man eigenaar is van de bus van het merk Chevrolet. Op grond van artikel 1:95 lid 1 BW valt de bus buiten de wettelijk beperkte huwelijksgemeenschap. Partijen dienen er toe over te gaan het voertuig wordt overgeschreven op naam van de man. 4.19. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat er ten aanzien van de bus nog een schuld is bij de Belastingdienst, in de zin van onbetaalde motorrijtuigenbelasting. Partijen zijn overeengekomen dat zij ieder de helft van deze schuld zullen voldoen aan de Belastingdienst. De vrouw dient er zorg voor te dragen dat zij de meest recente aanslag via haar advocaat aan de advocaat van de man zal toezenden, zodat de man weet welk bedrag hij aan de Belastingdienst dient te betalen. Een boete die verband houdt met de bus van het merk Chevrolet 4.20. Er staat een boete open in verband met een verlopen APK van de bus. Deze boete is opgelegd ten tijde van het huwelijk en valt daarom in de wettelijk beperkte huwelijksgemeenschap. Partijen dienen daarom beiden de helft van deze boete te voldoen. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd dat zij er zorg voor zal dragen via haar advocaat een betalingsoverzicht aan de advocaat van de man toe te zenden. De man zal het resterende bedrag overmaken aan Flanderijn (incasso- en gerechtsdeurwaardersorganisatie) en het bedrag dat de vrouw te veel heeft betaald aan de vrouw betalen. Terugvordering Belastingdienst 4.21. Het is voor de rechtbank onduidelijk of de schuld bij de Belastingdienst voor mogelijk te veel ontvangen kindgebonden budget moet worden terugbetaald of dat er sprake is van een onterechte terugvordering. Partijen zullen daarover duidelijkheid moeten verkrijgen via de Belastingdienst.
Volledig
Aangezien het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv). 4.4. Door de man is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de man voldoende heeft gemotiveerd dat het voor hem op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan te overleggen. De rechtbank zal de man dan ook ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding. 4.5. Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen. Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats 4.6. De man heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [naam minderjarige] bij de vrouw zal zijn. De vrouw is het hiermee eens. 4.7. De rechtbank zal, conform de overeenstemming van de ouders en het advies van de Raad, het verzoek met betrekking tot de hoofdverblijfplaats als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, nu niet is gebleken dat het belang van [naam minderjarige] zich daartegen verzet. Ten aanzien van de zorgregeling 4.8. Partijen zijn het erover eens dat de zorgregeling zoals beschreven onder 2.5. kan worden vastgelegd, met daarbij de aanvulling dat [naam minderjarige] op vrijdag uit school bij de vader verblijft, in plaats vanaf 16:00 uur of 17:00 uur. Partijen zijn het er verder over eens dat zij in onderling overleg de vakanties en feestdagen bij helfte zullen verdelen. 4.9. De rechtbank zal de regeling, conform de afspraken van partijen en het advies van de Raad, vastleggen in deze beschikking. 4.10. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de drie kinderen van de vrouw, voor zover en zoveel als mogelijk, aansluiten bij de regeling zoals die ten aanzien van [naam minderjarige] geldt, en zij dan ook bij de man verblijven. De verdeling van de huwelijksgemeenschap 4.11. Partijen zijn na 1 januari 2018 getrouwd en hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen. Dat betekent dat op het huwelijk de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen van toepassing is. Partijen zijn het niet volledig eens over de omvang en verdeling van die gemeenschap. 4.12. Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 30 juni 2025 ontbonden. Tot de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen behoren alle goederen die al vóór het huwelijk samen van partijen waren en alle goederen die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor genoemde datum van ontbinding hebben verkregen. Daarvan zijn (onder meer) uitgezonderd erfenissen en giften, maar ook pensioenrechten die al op basis van de wet moeten worden verevend. Wat de schulden betreft, behoren tot de gemeenschap die schulden waarvan partijen al samen schuldenaar waren vóór het huwelijk en alle schulden die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor voornoemde datum van ontbinding zijn aangegaan. Daarvan zijn uitgezonderd (onder meer) de schulden die betrekking hebben op goederen die niet tot de gemeenschap behoren. 4.13. De rechtbank zal hierna ingaan op de verschillende punten die door partijen naar voren zijn gebracht betreffende de omvang van de wettelijk beperkte gemeenschap, de wijze van verdeling daarvan en op de vraag of een van partijen door die wijze van verdeling wordt over- dan wel onderbedeeld. De echtelijke woning en de verdeling van de waarde 4.14. Partijen zijn het niet eens over de vraag of de echtelijke woning in de wettelijk beperkte huwelijksgemeenschap valt. De man heeft verzocht om een verklaring voor recht dat de echtelijke woning geen onderdeel is van de wettelijk beperkte huwelijksgemeenschap. De vrouw heeft verzocht om een verklaring voor recht dat de echtelijke woning behoort tot de wettelijk beperkte huwelijksgoederengemeenschap. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw toe. Het verzoek van de man wordt afgewezen. Dat is vanwege het volgende. Vast staat dat de woning aan de beide echtgenoten is geleverd. Partijen zijn daardoor samen eigenaar van de woning. Weliswaar heeft de man aangevoerd dat door de financiering van de woning uit zijn privévermogen de woning op grond van artikel 1:95 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) buiten de wettelijk beperkte gemeenschap blijft, maar vanwege de levering aan partijen samen geldt die bepaling niet: de formele verkrijging (de levering) is bepalend voor de eigendom. Dat betekent dat de woning tot de wettelijk beperkte huwelijksgoederengemeenschap behoort en verdeeld moet worden. 4.15. De vrouw heeft ook verzocht om een verklaring voor recht dat de marktwaarde van de woning tussen partijen bij helfte verdeeld moet worden. Dat verzoek zal worden afgewezen. Doordat de man de woning volledig uit zijn privévermogen (namelijk uit een schadevergoeding waarvan niet in geschil is dat deze privévermogen van de man vormt) heeft gefinancierd, heeft hij een vergoedingsrecht (‘reprise’) als bedoeld in artikel 1:95 lid 2 BW. Het vergoedingsrecht wordt berekend overeenkomstig artikel 1:87 lid 2 BW. Omdat de man de volledige koopsom heeft betaald en daarmee ook de helft die de vrouw had moeten betalen voor haar aandeel in de woning, is de hoogte van het vergoedingsrecht gelijk aan de helft van de huidige (markt)waarde van de woning. De rechtbank begrijpt dat de man de woning toegedeeld wil krijgen. Ter gelegenheid van de verdeling van de woning kan de man het vergoedingsrecht verrekenen met het aandeel van de vrouw in de waarde van de woning. Dat aandeel is gelijk aan nul. Daardoor komt de gehele (markt)waarde van de woning aan de man toe. 4.16. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de woning bij notariële akte aan de man toegedeeld moet worden om ervoor te zorgen dat de man de enige eigenaar wordt van de woning. De man hoeft daarbij per saldo niets aan de vrouw te betalen. De inboedel 4.17. Partijen hebben de inboedel in onderling overleg verdeeld, zodat er op grond van artikel 3:185 lid 1 BW geen taak meer is voor de rechtbank bij de verdeling daarvan. De vrouw zal haar persoonlijke spullen bij de man ophalen op een nader door partijen overeen te komen datum. De bus van het merk Chevrolet 4.18. Partijen zijn het erover eens dat de man eigenaar is van de bus van het merk Chevrolet. Op grond van artikel 1:95 lid 1 BW valt de bus buiten de wettelijk beperkte huwelijksgemeenschap. Partijen dienen er toe over te gaan het voertuig wordt overgeschreven op naam van de man. 4.19. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat er ten aanzien van de bus nog een schuld is bij de Belastingdienst, in de zin van onbetaalde motorrijtuigenbelasting. Partijen zijn overeengekomen dat zij ieder de helft van deze schuld zullen voldoen aan de Belastingdienst. De vrouw dient er zorg voor te dragen dat zij de meest recente aanslag via haar advocaat aan de advocaat van de man zal toezenden, zodat de man weet welk bedrag hij aan de Belastingdienst dient te betalen. Een boete die verband houdt met de bus van het merk Chevrolet 4.20. Er staat een boete open in verband met een verlopen APK van de bus. Deze boete is opgelegd ten tijde van het huwelijk en valt daarom in de wettelijk beperkte huwelijksgemeenschap. Partijen dienen daarom beiden de helft van deze boete te voldoen. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd dat zij er zorg voor zal dragen via haar advocaat een betalingsoverzicht aan de advocaat van de man toe te zenden. De man zal het resterende bedrag overmaken aan Flanderijn (incasso- en gerechtsdeurwaardersorganisatie) en het bedrag dat de vrouw te veel heeft betaald aan de vrouw betalen. Terugvordering Belastingdienst 4.21. Het is voor de rechtbank onduidelijk of de schuld bij de Belastingdienst voor mogelijk te veel ontvangen kindgebonden budget moet worden terugbetaald of dat er sprake is van een onterechte terugvordering. Partijen zullen daarover duidelijkheid moeten verkrijgen via de Belastingdienst.