Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-03-04
ECLI:NL:RBNNE:2026:1576
Civiel recht
Kort geding
16,335 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1576 text/xml public 2026-05-08T10:59:52 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-04 12050413 \ VV EXPL 26-3 Uitspraak Kort geding NL Leeuwarden Civiel recht Hersteluitspraak: ECLI:NL:RBNNE:2026:1577 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1576 text/html public 2026-05-08T10:59:37 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1576 Rechtbank Noord-Nederland , 04-03-2026 / 12050413 \ VV EXPL 26-3 Deze uitspraak is niet samengevat voor publicatie. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer: 12050413 \ VV EXPL 26-3 Vonnis in kort geding van 4 maart 2026 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. F. Gietema-van der Heide, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. J.S. Bauer. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie -de producties van [eiser] - de mondelinge behandeling van 24 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitnota van [eiser] . 2 De feiten 2.1. Sinds mei 2019 huurt [gedaagde] van [eiser] een woning aan [adres] (hierna: de woning). 2.2. Op 24 februari 2025 heeft [eiser] [gedaagde] een brief gestuurd, waarin staat dat [eiser] de huurovereenkomst wenst op te zeggen vanaf 1 april 2025 voor een verbouwing van de badkamer, wc en de keuken en in verband met schimmelvorming door het niet ventileren van de woning en lekkage aan het dak. 2.3. Op 8 maart 2025 is [eiser] zonder voorafgaand overleg met [gedaagde] in de woning geweest. Toen [gedaagde] thuis kwam, zag hij dat [eiser] zijn spullen uit de inpandige berging had verplaatst naar de woonkamer en de keuken. Daarnaast had [eiser] bouwmateriaal achtergelaten in de woning en had hij de sloten van de achterdeur en van de poort naar de naastgelegen steeg veranderd. [gedaagde] had geen sleutel gekregen van deze nieuwe sloten. 2.4. Per brief van 13 maart 2025 heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven dat hij bezwaar maakte tegen de opzegging van de huurovereenkomst. 2.5. [gedaagde] heeft [eiser] vervolgens in kort geding gedagvaard. Bij vonnis in kort geding van 15 april 2025 heeft de kantonrechter van deze rechtbank - voor zover van belang - als volgt op de vordering van [gedaagde] beslist: 5.1. veroordeelt [eiser] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis zijn verplichtingen op grond van de met [gedaagde] gesloten huurovereenkomst na te komen en [gedaagde] het ongestoorde huurgenot te verschaffen van de woning, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor elke keer dat hij deze veroordeling niet nakomt, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt, (…) 5.3. veroordeelt [eiser] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis alle door hem in de woning geplaatste (bouw)materialen weg te halen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat hij deze veroordeling niet nakomt, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt, 2.6. Deze beslissing heeft de kantonrechter – voor zover van belang – als volgt gemotiveerd: 4.4. Op grond van de wet moet [eiser] de woning aan [gedaagde] ter beschikking stellen en laten voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is. Dat betekent dat [eiser] ervoor moet zorgen dat [gedaagde] toegang heeft tot de woning, ook via de achterdeur en de poort. Het betekent ook dat [eiser] niet zomaar de woning mag binnenkomen zonder dat [gedaagde] dat weet en dat hij de eigendommen van [gedaagde] niet zomaar mag verplaatsen. [gedaagde] heeft het recht op ongestoord huurgenot van en in de woning. Als [eiser] in de woning moet zijn voor een inspectie of voor werkzaamheden, dan moet hij dat vooraf aan [gedaagde] laten weten en overleggen over het tijdstip. [gedaagde] is vervolgens verplicht om mee te werken aan redelijke verzoeken van [eiser] . 4.5. [eiser] heeft aangevoerd dat hij zich zorgen maakt over de staat van de woning, omdat [gedaagde] niet ventileert, niet of weinig schoonmaakt en dingen kapot maakt in de woning, zoals de brandmeldinstallatie. Daarnaast vreest [eiser] dat [gedaagde] een wietkwekerij in de woning begint, omdat hij kweekapparatuur in de woning heeft gezien. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet kan ventileren omdat de afzuiging niet werkt. De brandmelders kunnen volgens [gedaagde] gemakkelijk worden teruggeplaatst en hij heeft aangegeven dat het gaat om oude kweekapparatuur waar hij niets mee doet. 4.6. De kantonrechter heeft begrip voor de zorgen van [eiser] over de staat van de woning, het eigenmachtig verwijderen van de brandmelder door [gedaagde] en de aanwezigheid van kweekapparatuur, maar deze zorgen rechtvaardigen zijn handelen niet. [eiser] zal wettelijke wegen moeten bewandelen. [eiser] zal daarom worden veroordeeld om de huurovereenkomst na te komen en [gedaagde] het ongestoorde huurgenot te verschaffen. Ook moet hij de sleutels van de achterdeur en de poort aan [gedaagde] geven, als hij dat niet al heeft gedaan. Tot slot zal de kantonrechter [eiser] veroordelen om de door hem geplaatste bouwmaterialen weg te halen uit het gehuurde. Op de mondelinge behandeling bleek dat partijen het niet eens zijn over de inpandige berging. Volgens [gedaagde] huurt hij de gehele berging, maar volgens [eiser] moet [gedaagde] deze berging delen met de buurman. De kantonrechter overweegt dat de huurovereenkomst hier niets over bepaalt. Omdat geen van partijen een vordering heeft ingesteld die gaat over de vraag of [gedaagde] de hele of de halve berging huurt, zal de kantonrechter het antwoord op deze vraag in het midden laten. 2.7. Bij exploot van 17 april 2025 is het vonnis aan [eiser] betekend en is hem bevel gedaan om het vonnis na te komen. 2.8. [eiser] heeft binnen drie dagen na betekening van het vonnis de sleutels van de achterdeur en de poort aan [gedaagde] gegeven. Ook heeft hij binnen die termijn de door hem geplaatste bouwmaterialen uit de woning verwijderd, met uitzondering van (bouw)materialen in de inpandige berging. Aan één kant van de inpandige berging heeft hij (bouw)materialen laten staan of neergezet. Ook zijn er in de inpandige berging na het verstrijken van de termijn van drie dagen na betekening van het vonnis drie verfpotten blijven staan. 2.9. Bij exploot van 3 oktober 2025 is op verzoek van [gedaagde] aan [eiser] bevel gedaan om binnen twee dagen een bedrag van € 20.273,15 te betalen, bestaande uit € 20.000,00 aan dwangsommen en € 273,15 aan kosten wegens niet nakoming van het vonnis van 15 april 2025. 3 Het geschil in conventie 3.1. [eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: primair I. de executie van het door [gedaagde] aangezegde dwangsombevel van 3 oktober 2025, strekkende tot betaling van € 20.273,15, althans van enig bedrag ter zake van vermeend verbeurde dwangsommen op grond van het vonnis van de kantonrechter van 15 april 2025, te doen staken en gestaakt te houden, althans [gedaagde] zal verbieden over te gaan tot (verdere) tenuitvoerlegging van dit bevel en/of tot (verdere) executie ter zake van het vonnis van de kantonrechter d.d. 15 april 2025, dit op straffe van een door [gedaagde] te verbeuren dwangsom van € 10.000,00, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen dwangsom, voor iedere keer dat [gedaagde] hiermee in strijd handelt; II. zal bepalen dat de in het vonnis van de kantonrechter van 15 april 2025 opgelegde dwangsommen worden opgeheven dan wel subsidiair de verbeuring ervan wordt opgeschort vanaf 3 oktober 2025 of de datum van dagvaarding dan wel vanaf een datum als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, tot het moment dat in een bodemprocedure (of anderszins) onherroepelijk is komen vast te staan dat en zo ja in welke omvang dwangsommen zijn verbeurd, dan wel de dwangsommen te matigen, dan wel een zodanige beslissing zal nemen als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1576 text/xml public 2026-05-08T10:59:52 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-04 12050413 \ VV EXPL 26-3 Uitspraak Kort geding NL Leeuwarden Civiel recht Hersteluitspraak: ECLI:NL:RBNNE:2026:1577 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1576 text/html public 2026-05-08T10:59:37 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1576 Rechtbank Noord-Nederland , 04-03-2026 / 12050413 \ VV EXPL 26-3 Deze uitspraak is niet samengevat voor publicatie. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer: 12050413 \ VV EXPL 26-3 Vonnis in kort geding van 4 maart 2026 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. F. Gietema-van der Heide, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. J.S. Bauer. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie -de producties van [eiser] - de mondelinge behandeling van 24 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitnota van [eiser] . 2 De feiten 2.1. Sinds mei 2019 huurt [gedaagde] van [eiser] een woning aan [adres] (hierna: de woning). 2.2. Op 24 februari 2025 heeft [eiser] [gedaagde] een brief gestuurd, waarin staat dat [eiser] de huurovereenkomst wenst op te zeggen vanaf 1 april 2025 voor een verbouwing van de badkamer, wc en de keuken en in verband met schimmelvorming door het niet ventileren van de woning en lekkage aan het dak. 2.3. Op 8 maart 2025 is [eiser] zonder voorafgaand overleg met [gedaagde] in de woning geweest. Toen [gedaagde] thuis kwam, zag hij dat [eiser] zijn spullen uit de inpandige berging had verplaatst naar de woonkamer en de keuken. Daarnaast had [eiser] bouwmateriaal achtergelaten in de woning en had hij de sloten van de achterdeur en van de poort naar de naastgelegen steeg veranderd. [gedaagde] had geen sleutel gekregen van deze nieuwe sloten. 2.4. Per brief van 13 maart 2025 heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven dat hij bezwaar maakte tegen de opzegging van de huurovereenkomst. 2.5. [gedaagde] heeft [eiser] vervolgens in kort geding gedagvaard. Bij vonnis in kort geding van 15 april 2025 heeft de kantonrechter van deze rechtbank - voor zover van belang - als volgt op de vordering van [gedaagde] beslist: 5.1. veroordeelt [eiser] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis zijn verplichtingen op grond van de met [gedaagde] gesloten huurovereenkomst na te komen en [gedaagde] het ongestoorde huurgenot te verschaffen van de woning, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor elke keer dat hij deze veroordeling niet nakomt, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt, (…) 5.3. veroordeelt [eiser] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis alle door hem in de woning geplaatste (bouw)materialen weg te halen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat hij deze veroordeling niet nakomt, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt, 2.6. Deze beslissing heeft de kantonrechter – voor zover van belang – als volgt gemotiveerd: 4.4. Op grond van de wet moet [eiser] de woning aan [gedaagde] ter beschikking stellen en laten voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is. Dat betekent dat [eiser] ervoor moet zorgen dat [gedaagde] toegang heeft tot de woning, ook via de achterdeur en de poort. Het betekent ook dat [eiser] niet zomaar de woning mag binnenkomen zonder dat [gedaagde] dat weet en dat hij de eigendommen van [gedaagde] niet zomaar mag verplaatsen. [gedaagde] heeft het recht op ongestoord huurgenot van en in de woning. Als [eiser] in de woning moet zijn voor een inspectie of voor werkzaamheden, dan moet hij dat vooraf aan [gedaagde] laten weten en overleggen over het tijdstip. [gedaagde] is vervolgens verplicht om mee te werken aan redelijke verzoeken van [eiser] . 4.5. [eiser] heeft aangevoerd dat hij zich zorgen maakt over de staat van de woning, omdat [gedaagde] niet ventileert, niet of weinig schoonmaakt en dingen kapot maakt in de woning, zoals de brandmeldinstallatie. Daarnaast vreest [eiser] dat [gedaagde] een wietkwekerij in de woning begint, omdat hij kweekapparatuur in de woning heeft gezien. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet kan ventileren omdat de afzuiging niet werkt. De brandmelders kunnen volgens [gedaagde] gemakkelijk worden teruggeplaatst en hij heeft aangegeven dat het gaat om oude kweekapparatuur waar hij niets mee doet. 4.6. De kantonrechter heeft begrip voor de zorgen van [eiser] over de staat van de woning, het eigenmachtig verwijderen van de brandmelder door [gedaagde] en de aanwezigheid van kweekapparatuur, maar deze zorgen rechtvaardigen zijn handelen niet. [eiser] zal wettelijke wegen moeten bewandelen. [eiser] zal daarom worden veroordeeld om de huurovereenkomst na te komen en [gedaagde] het ongestoorde huurgenot te verschaffen. Ook moet hij de sleutels van de achterdeur en de poort aan [gedaagde] geven, als hij dat niet al heeft gedaan. Tot slot zal de kantonrechter [eiser] veroordelen om de door hem geplaatste bouwmaterialen weg te halen uit het gehuurde. Op de mondelinge behandeling bleek dat partijen het niet eens zijn over de inpandige berging. Volgens [gedaagde] huurt hij de gehele berging, maar volgens [eiser] moet [gedaagde] deze berging delen met de buurman. De kantonrechter overweegt dat de huurovereenkomst hier niets over bepaalt. Omdat geen van partijen een vordering heeft ingesteld die gaat over de vraag of [gedaagde] de hele of de halve berging huurt, zal de kantonrechter het antwoord op deze vraag in het midden laten. 2.7. Bij exploot van 17 april 2025 is het vonnis aan [eiser] betekend en is hem bevel gedaan om het vonnis na te komen. 2.8. [eiser] heeft binnen drie dagen na betekening van het vonnis de sleutels van de achterdeur en de poort aan [gedaagde] gegeven. Ook heeft hij binnen die termijn de door hem geplaatste bouwmaterialen uit de woning verwijderd, met uitzondering van (bouw)materialen in de inpandige berging. Aan één kant van de inpandige berging heeft hij (bouw)materialen laten staan of neergezet. Ook zijn er in de inpandige berging na het verstrijken van de termijn van drie dagen na betekening van het vonnis drie verfpotten blijven staan. 2.9. Bij exploot van 3 oktober 2025 is op verzoek van [gedaagde] aan [eiser] bevel gedaan om binnen twee dagen een bedrag van € 20.273,15 te betalen, bestaande uit € 20.000,00 aan dwangsommen en € 273,15 aan kosten wegens niet nakoming van het vonnis van 15 april 2025. 3 Het geschil in conventie 3.1. [eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: primair I. de executie van het door [gedaagde] aangezegde dwangsombevel van 3 oktober 2025, strekkende tot betaling van € 20.273,15, althans van enig bedrag ter zake van vermeend verbeurde dwangsommen op grond van het vonnis van de kantonrechter van 15 april 2025, te doen staken en gestaakt te houden, althans [gedaagde] zal verbieden over te gaan tot (verdere) tenuitvoerlegging van dit bevel en/of tot (verdere) executie ter zake van het vonnis van de kantonrechter d.d. 15 april 2025, dit op straffe van een door [gedaagde] te verbeuren dwangsom van € 10.000,00, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen dwangsom, voor iedere keer dat [gedaagde] hiermee in strijd handelt; II. zal bepalen dat de in het vonnis van de kantonrechter van 15 april 2025 opgelegde dwangsommen worden opgeheven dan wel subsidiair de verbeuring ervan wordt opgeschort vanaf 3 oktober 2025 of de datum van dagvaarding dan wel vanaf een datum als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, tot het moment dat in een bodemprocedure (of anderszins) onherroepelijk is komen vast te staan dat en zo ja in welke omvang dwangsommen zijn verbeurd, dan wel de dwangsommen te matigen, dan wel een zodanige beslissing zal nemen als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.
Volledig
in alle gevallen III. [gedaagde] hoofdelijk zal veroordelen in de kosten en nakosten van deze procedure. 3.2. [eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser] heeft direct na het vonnis van 15 april 2025 en binnen de gestelde termijn van drie dagen na betekening van het vonnis volledig uitvoering gegeven aan de veroordelingen in het vonnis. Hij heeft [gedaagde] het ongestoorde huurgenot verschaft, de sleutels tijdig afgegeven en de door hem geplaatste materialen geheel verwijderd. Sindsdien heeft [eiser] de woning bovendien niet meer betreden en [gedaagde] volledige beschikking over de woning gelaten. Het tijdelijk achterblijven van drie verfpotten in de berging kwalificeert niet als een relevante overtreding van het vonnis. [gedaagde] tracht thans een volstrekt disproportionele executie af te dwingen. 3.3. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.5. [gedaagde] vordert dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: 1. [eiser] zal veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis de door hem geplaatste goederen in de inpandige berging van de door [gedaagde] gehuurde woning te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een door [eiser] aan [gedaagde] te verbeuren dwangsom van € 500,00 voor elke dag dat hij na betekening van het vonnis niet aan de veroordeling voldoet; 2. [eiser] zal veroordelen om binnen drie weken na het te wijzen vonnis alle aanwezige schimmel in de woning van [gedaagde] te (laten) verwijderen, de mechanische ventilatie deugdelijk te (laten) repareren dan wel te vervangen door een deugdelijke ventilatiesysteem, de daklekkage te (laten) verhelpen dan wel te (laten) onderzoeken wat de oorzaak is van de terugkerende problemen met de elektriciteit (regelmatig doorslaande stoppen) en deze problemen te (laten) verhelpen, alles op straffe van een door [eiser] aan [gedaagde] te verbeuren dwangsom van € 500,00 voor elke dag dat hij na betekening van het vonnis niet aan de veroordeling voldoet; 3. [eiser] zal veroordelen in de kosten en nakosten van deze procedure. 3.6. [gedaagde] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Van een rustig huurgenot is geen sprake, gelet op de toestand van de woning en dan in het bijzonder de ernstige schimmel en de problemen met de elektriciteit die regelmatig leiden tot het doorslaan van stoppen. De schimmel is ongezond en maakt dat [gedaagde] wordt belemmerd in het gebruik van zijn WC en douche. In de douche zit een mechanische ventilatie. Deze heeft vanaf de dag dat [gedaagde] de woning betrok tot op heden niet gefunctioneerd. Ook was en is er mogelijk nog steeds sprake van een lekkage van het dak. [gedaagde] heeft [eiser] hierop meerdere malen gewezen en verzocht de gebreken, waaronder de ernstige schimmel in de woning aan te pakken maar [eiser] heeft dat niet gedaan. Ook is tot de dag van vandaag het door [eiser] in de inpandige berging bij de woning geplaatste (bouw)materiaal niet verwijderd. [eiser] heeft daarom niet aan het vonnis van 15 april 2015 voldaan. 3.7. [eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure. 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie Uitleg vordering 4.1. Omdat in het petitum van de dagvaarding enkel wordt gesproken over een primaire vordering en niet over een subsidiaire vordering en uit de formulering van de vorderingen onder I en II ook niet blijkt dat het gaat om een primaire en subsidiaire vordering, begrijpt de kantonrechter deze vorderingen zo dat ze naast elkaar worden gevorderd. Verder begrijpt de kantonrechter de eerste zin van de vordering onder I zo dat niet wordt gevorderd dat de kantonrechter de executie zelf zal staken en gestaakt zal houden maar dat hij [gedaagde] zal veroordelen om dat te doen. Spoedeisend belang 4.2. Het spoedeisend belang bij de hoofdvorderingen onder I en II blijkt voldoende uit de aard van de vorderingen. Door het aan [eiser] gedane bevel tot betaling van dwangsommen is namelijk de executie van het vonnis van 15 april 2025 aangevangen en de vordering onder I strekt tot staking van die executie. In zoverre gaat het dus om een executiegeschil. De vordering onder II betreft een vordering op grond van artikel 611d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tot opheffing of matiging van de dwangsommen of opschorting van de looptijd. Op grond van artikel 611d Rv kan enkel de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, een voorziening als in dit artikel bedoeld geven. Nu de dwangsom is opgelegd door de kantonrechter in kort geding kan de vordering tot opheffing of matiging van deze dwangsommen of opschorting van de looptijd van die dwangsommen ook enkel bij de kantonrechter in kort geding worden ingesteld. Toetsingskader vordering onder I 4.3. In een executiegeschil wordt de rechtsverhouding tussen de partijen die in de executoriale titel (in dit geval het kortgedingvonnis) is vastgelegd, in beginsel niet (opnieuw) beoordeeld. Tegen de juistheid van de beslissing die aan de executoriale titel ten grondslag ligt, kan alleen door aanwending van een rechtsmiddel tegen die uitspraak worden opgekomen. Er is geen hoger beroep ingesteld tegen het kortgedingvonnis, zodat alleen in de executie kan worden ingegrepen als (a) geen dwangsommen zijn verbeurd omdat tijdig en volledig aan het te executeren vonnis is voldaan, (b) de verbeurde dwangsommen reeds volledig zijn voldaan, of (c) de executant zich door de executie schuldig maakt aan, kort gezegd, misbruik van bevoegdheid. 4.4. Bij de beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, heeft de executierechter niet tot taak de door de (bodem)rechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen. De rechter dient zich te beperken tot het toetsen van de handelingen die ter uitvoering van het veroordelend vonnis zijn verricht aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. De uitleg van een rechterlijk vonnis dient plaats te vinden met overeenkomstige toepassing van de zogenoemde cao-norm. Dit betekent dat het vonnis naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd aldus dat de bewoordingen van het vonnis, gelezen in het licht van de gehele tekst, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn. Bij de uitleg van bepaalde passages of overwegingen kunnen ook elders in het vonnis gebruikte formuleringen van belang zijn en is de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke, tekstinterpretaties zouden leiden, mede van belang. De kantonrechter dient voorts het dictum van het vonnis uit te leggen in het licht van de daaraan ten grondslag liggende overwegingen en dient het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel . 4.5. Indien het gaat om een veroordeling om iets te doen of na te laten, is het vanuit het oogpunt van rechtszekerheid van belang dat de veroordeling voldoende duidelijk is afgebakend, zodat de partij tegen wie de veroordeling is uitgesproken zoveel mogelijk zekerheid verkrijgt over de vraag welke gedragingen onder de veroordeling zijn begrepen. Dit geldt in het bijzonder als aan het bevel een dwangsom is verbonden. Indien de bewoordingen van een uitgesproken veroordeling ruimte laten voor verschillende interpretaties, kan dit eveneens reden zijn om de draagwijdte van een veroordeling beperkt uit te leggen - ten gunste van de partij tegen wie de veroordeling is uitgesproken - en alleen een inbreuk op de veroordeling aan te nemen, indien een zodanige inbreuk in ernst niet kan worden betwijfeld.
Volledig
in alle gevallen III. [gedaagde] hoofdelijk zal veroordelen in de kosten en nakosten van deze procedure. 3.2. [eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser] heeft direct na het vonnis van 15 april 2025 en binnen de gestelde termijn van drie dagen na betekening van het vonnis volledig uitvoering gegeven aan de veroordelingen in het vonnis. Hij heeft [gedaagde] het ongestoorde huurgenot verschaft, de sleutels tijdig afgegeven en de door hem geplaatste materialen geheel verwijderd. Sindsdien heeft [eiser] de woning bovendien niet meer betreden en [gedaagde] volledige beschikking over de woning gelaten. Het tijdelijk achterblijven van drie verfpotten in de berging kwalificeert niet als een relevante overtreding van het vonnis. [gedaagde] tracht thans een volstrekt disproportionele executie af te dwingen. 3.3. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.5. [gedaagde] vordert dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: 1. [eiser] zal veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis de door hem geplaatste goederen in de inpandige berging van de door [gedaagde] gehuurde woning te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een door [eiser] aan [gedaagde] te verbeuren dwangsom van € 500,00 voor elke dag dat hij na betekening van het vonnis niet aan de veroordeling voldoet; 2. [eiser] zal veroordelen om binnen drie weken na het te wijzen vonnis alle aanwezige schimmel in de woning van [gedaagde] te (laten) verwijderen, de mechanische ventilatie deugdelijk te (laten) repareren dan wel te vervangen door een deugdelijke ventilatiesysteem, de daklekkage te (laten) verhelpen dan wel te (laten) onderzoeken wat de oorzaak is van de terugkerende problemen met de elektriciteit (regelmatig doorslaande stoppen) en deze problemen te (laten) verhelpen, alles op straffe van een door [eiser] aan [gedaagde] te verbeuren dwangsom van € 500,00 voor elke dag dat hij na betekening van het vonnis niet aan de veroordeling voldoet; 3. [eiser] zal veroordelen in de kosten en nakosten van deze procedure. 3.6. [gedaagde] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Van een rustig huurgenot is geen sprake, gelet op de toestand van de woning en dan in het bijzonder de ernstige schimmel en de problemen met de elektriciteit die regelmatig leiden tot het doorslaan van stoppen. De schimmel is ongezond en maakt dat [gedaagde] wordt belemmerd in het gebruik van zijn WC en douche. In de douche zit een mechanische ventilatie. Deze heeft vanaf de dag dat [gedaagde] de woning betrok tot op heden niet gefunctioneerd. Ook was en is er mogelijk nog steeds sprake van een lekkage van het dak. [gedaagde] heeft [eiser] hierop meerdere malen gewezen en verzocht de gebreken, waaronder de ernstige schimmel in de woning aan te pakken maar [eiser] heeft dat niet gedaan. Ook is tot de dag van vandaag het door [eiser] in de inpandige berging bij de woning geplaatste (bouw)materiaal niet verwijderd. [eiser] heeft daarom niet aan het vonnis van 15 april 2015 voldaan. 3.7. [eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure. 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie Uitleg vordering 4.1. Omdat in het petitum van de dagvaarding enkel wordt gesproken over een primaire vordering en niet over een subsidiaire vordering en uit de formulering van de vorderingen onder I en II ook niet blijkt dat het gaat om een primaire en subsidiaire vordering, begrijpt de kantonrechter deze vorderingen zo dat ze naast elkaar worden gevorderd. Verder begrijpt de kantonrechter de eerste zin van de vordering onder I zo dat niet wordt gevorderd dat de kantonrechter de executie zelf zal staken en gestaakt zal houden maar dat hij [gedaagde] zal veroordelen om dat te doen. Spoedeisend belang 4.2. Het spoedeisend belang bij de hoofdvorderingen onder I en II blijkt voldoende uit de aard van de vorderingen. Door het aan [eiser] gedane bevel tot betaling van dwangsommen is namelijk de executie van het vonnis van 15 april 2025 aangevangen en de vordering onder I strekt tot staking van die executie. In zoverre gaat het dus om een executiegeschil. De vordering onder II betreft een vordering op grond van artikel 611d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tot opheffing of matiging van de dwangsommen of opschorting van de looptijd. Op grond van artikel 611d Rv kan enkel de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, een voorziening als in dit artikel bedoeld geven. Nu de dwangsom is opgelegd door de kantonrechter in kort geding kan de vordering tot opheffing of matiging van deze dwangsommen of opschorting van de looptijd van die dwangsommen ook enkel bij de kantonrechter in kort geding worden ingesteld. Toetsingskader vordering onder I 4.3. In een executiegeschil wordt de rechtsverhouding tussen de partijen die in de executoriale titel (in dit geval het kortgedingvonnis) is vastgelegd, in beginsel niet (opnieuw) beoordeeld. Tegen de juistheid van de beslissing die aan de executoriale titel ten grondslag ligt, kan alleen door aanwending van een rechtsmiddel tegen die uitspraak worden opgekomen. Er is geen hoger beroep ingesteld tegen het kortgedingvonnis, zodat alleen in de executie kan worden ingegrepen als (a) geen dwangsommen zijn verbeurd omdat tijdig en volledig aan het te executeren vonnis is voldaan, (b) de verbeurde dwangsommen reeds volledig zijn voldaan, of (c) de executant zich door de executie schuldig maakt aan, kort gezegd, misbruik van bevoegdheid. 4.4. Bij de beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, heeft de executierechter niet tot taak de door de (bodem)rechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen. De rechter dient zich te beperken tot het toetsen van de handelingen die ter uitvoering van het veroordelend vonnis zijn verricht aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. De uitleg van een rechterlijk vonnis dient plaats te vinden met overeenkomstige toepassing van de zogenoemde cao-norm. Dit betekent dat het vonnis naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd aldus dat de bewoordingen van het vonnis, gelezen in het licht van de gehele tekst, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn. Bij de uitleg van bepaalde passages of overwegingen kunnen ook elders in het vonnis gebruikte formuleringen van belang zijn en is de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke, tekstinterpretaties zouden leiden, mede van belang. De kantonrechter dient voorts het dictum van het vonnis uit te leggen in het licht van de daaraan ten grondslag liggende overwegingen en dient het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel . 4.5. Indien het gaat om een veroordeling om iets te doen of na te laten, is het vanuit het oogpunt van rechtszekerheid van belang dat de veroordeling voldoende duidelijk is afgebakend, zodat de partij tegen wie de veroordeling is uitgesproken zoveel mogelijk zekerheid verkrijgt over de vraag welke gedragingen onder de veroordeling zijn begrepen. Dit geldt in het bijzonder als aan het bevel een dwangsom is verbonden. Indien de bewoordingen van een uitgesproken veroordeling ruimte laten voor verschillende interpretaties, kan dit eveneens reden zijn om de draagwijdte van een veroordeling beperkt uit te leggen - ten gunste van de partij tegen wie de veroordeling is uitgesproken - en alleen een inbreuk op de veroordeling aan te nemen, indien een zodanige inbreuk in ernst niet kan worden betwijfeld.
Volledig
Het staat de rechter vrij om bij de uitleg van de veroordeling de maatstaven van redelijkheid en billijkheid te hanteren. 4.6. Vaststaat dat [eiser] niet aan het bevel tot betalingen van dwangsommen heeft voldaan. Daarom ligt enkel ter beoordeling voor of dwangsommen zijn verbeurd of dat [gedaagde] zich door de executie schuldig maakt aan misbruik van bevoegdheid. Geen dwangsommen verbeurd 4.7. [gedaagde] heeft als verweer aangevoerd dat [eiser] dwangsommen heeft verbeurd, omdat hij aan twee veroordelingen in het vonnis niet heeft voldaan. In de eerste plaats heeft [eiser] volgens hem niet voldaan aan de veroordeling om zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst na te komen en [gedaagde] het ongestoorde huurgenot te verschaffen van de woning, omdat hij de door [gedaagde] gestelde gebreken in de woning niet heeft hersteld. In de tweede plaats heeft [eiser] niet voldaan aan de veroordeling om alle door hem in de woning geplaatste (bouw)materialen weg te halen. De kantonrechter verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. [eiser] heeft tot nog toe voldaan aan de veroordeling in 5.1 van het vonnis 4.8. In het vonnis van 15 april 2025 heeft de kantonrechter overwogen dat [gedaagde] recht heeft op ongestoord huurgenot van en in de woning. Dat betekende volgens de kantonrechter dat [eiser] ervoor moet zorgen dat [gedaagde] toegang heeft tot de woning, ook via de achterdeur en de poort, dat hij niet zomaar de woning mag binnenkomen zonder dat [gedaagde] dat weet en dat hij de eigendommen van [gedaagde] niet zomaar mag verplaatsen. Uit de vaststaande feiten in dat vonnis volgt dat tussen partijen vast stond dat [eiser] in strijd hiermee had gehandeld. Hoewel de kantonrechter begrip had voor de zorgen van [eiser] over onder meer de staat van de woning, gaven die zorgen volgens de kantonrechter [eiser] niet het recht om zo te handelen. Daarom, zo oordeelde de kantonrechter, werd [eiser] veroordeeld om de huurovereenkomst na te komen en [gedaagde] het ongestoorde huurgenot te verschaffen. Hieruit volgt dat die veroordeling in het vonnis enkel tot doel had om het hiervoor omschreven handelen van [eiser] te stoppen en recht te zetten. Zoals [eiser] onbestreden heeft gesteld, heeft hij daaraan voldaan. 4.9. De door [gedaagde] voorgestane ruime uitleg van de veroordeling, inhoudende dat [eiser] ook de ernstige schimmelproblemen en andere door [gedaagde] gestelde problemen binnen drie dagen na betekening van het vonnis zou moeten verhelpen, vindt geen steun in de hiervoor vermelde motivering van de veroordeling. Bovendien is in het vonnis van 15 april 2025 niet geoordeeld dat de schimmel en de overige gestelde gebreken aan [eiser] toe te rekenen zijn en dat dus sprake is van gebreken die hij op grond van artikel 7:206 BW zou moeten herstellen. Tot slot komt de termijn van drie dagen na betekening van het vonnis de kantonrechter te kort voor om deze gestelde, ernstige problemen op te kunnen lossen, en niemand kan worden veroordeeld tot het onmogelijke. De conclusie is daarom dat de veroordeling niet inhield dat [gedaagde] deze gestelde gebreken diende te herstellen. [eiser] heeft daarom uit hoofde van die veroordeling nog geen dwangsommen verbeurd, omdat hij tot op heden volledig aan het vonnis heeft voldaan. [eiser] heeft voldaan aan de veroordeling in 5.3 van het vonnis 4.10. Partijen zijn het erover eens dat, afgezien van de bouwmaterialen in de inpandige berging, [eiser] alle door hem geplaatste (bouw)materialen binnen drie dagen na betekening van het vonnis van 15 april 2025 uit de woning heeft verwijderd. In zoverre heeft hij daarom aan de veroordeling voldaan om de door hem geplaatste (bouw)materialen uit de woning te verwijderen. 4.11. De drie potten verf die in de inpandige berging waren blijven staan, zijn inmiddels verwijderd. Deze potten verf zijn - zo begrijpt de kantonrechter het standpunt van [eiser] – niet geplaatst door hem maar door de schilder, zodat de veroordeling daar volgens hem geen betrekking op had. Dit is door [gedaagde] onvoldoende bestreden, zodat ook de kantonrechter daarvan uitgaat. 4.12. De overige (bouw)materialen die staan opgestapeld aan één kant van de inpandige berging mochten daar volgens [eiser] worden neergezet/blijven staan, omdat [gedaagde] deze berging deelt met buurman [naam] en [naam] hem toestemming zou hebben gegeven om deze spullen in de berging neer te zetten. Daarom leidt de aanwezigheid van de bouwmaterialen in de berging niet tot verbeurte van dwangsommen. [gedaagde] heeft betwist dat de inpandige berging mede wordt verhuurd aan [naam] . 4.13. De kantonrechter stelt vast dat in de kortgedingprocedure die heeft geleid tot het vonnis van 15 april 2025 tussen partijen ook al verschil van mening bestond over de vraag of de inpandige berging werd gedeeld met [naam] . In dat vonnis heeft de kantonrechter daarover overwogen dat de huurovereenkomst hier niets over bepaalt en dat hij het antwoord op de vraag of [gedaagde] de hele of de halve berging huurt in het midden laat, omdat geen van partijen een vordering heeft ingesteld die over die vraag gaat. Gelet hierop heeft [eiser] de veroordeling niet zo ruim hoeven begrijpen dat hij de (bouw)materialen uit de volledige inpandige berging diende te verwijderen. Die ruime uitleg impliceert immers dat de kantonrechter het geschilpunt over de vraag of [gedaagde] de hele berging of slechts een deel daarvan huurt ten voordele van [gedaagde] had beslist, terwijl de kantonrechter daar nu juist niet over heeft beslist. Voor zover geoordeeld zou moeten worden dat de bewoordingen van de veroordeling wel ruimte laten voor deze ruime uitleg bestaat er naar het oordeel van de kantonrechter reden de draagwijdte van de veroordeling beperkt uit te leggen ten gunste van [eiser] , omdat de veroordeling voor meerdere uitleg vatbaar is. Uitgaande van deze restrictieve uitleg verplichtte de veroordeling [eiser] niet om de (bouw)materialen die aan één kant van de inpandige berging staan, te verwijderen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [eiser] ook aan deze veroordeling heeft voldaan en daarom geen dwangsommen heeft verbeurd. Vordering onder I is (deels) toewijsbaar 4.14. De conclusie is dat [gedaagde] naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter [eiser] ten onrechte een bevel heeft gedaan tot betaling van verbeurde dwangsommen. De kantonrechter zal daarom de vordering onder I in die zin toewijzen dat hij [gedaagde] zal veroordelen om de executie als bedoeld in het bevel tot betaling van 3 oktober 2025 van op overtreding van rechtsoverweging 5.1 en 5.3 van het vonnis van 15 april 2025 gegronde dwangsommen, te staken en gestaakt te doen houden. Aan de veroordeling zal de kantonrechter een termijn verbinden van 24 uur na betekening. 4.15. Ook de gevorderde dwangsom is toewijsbaar, zij het dat deze niet zal worden opgelegd per keer maar per dag dat [gedaagde] de veroordeling niet nakomt. Deze zal bovendien worden gematigd tot € 1.000,00 per dag en zal worden gemaximeerd op € 20.000,00. 4.16. De kantonrechter hecht eraan op te merken dat [eiser] in de toekomst wel dwangsommen zou kunnen verbeuren als hij in de toekomst niet voldoet aan de veroordeling in 5.1 van het vonnis van 15 april 2015 om zijn verplichtingen op grond van de met [gedaagde] gesloten huurovereenkomst na te komen en [gedaagde] het ongestoorde huurgenot te verschaffen van de woning. Vordering onder II wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen 4.17. Op grond van artikel 611d, eerste lid, Rv kan de rechter die de dwangsom heeft opgelegd op vordering van de veroordeelde de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. [eiser] heeft niet gesteld en onderbouwd dat en waarom in dit geval sprake zou zijn van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor hem om aan de veroordelingen in het vonnis van 15 april 2025 te voldoen. Daarom is niet aannemelijk dat aan de in artikel 611d Rv gestelde voorwaarde voor toewijzing van de vordering is voldaan. De vordering wordt daarom afgewezen.
Volledig
Het staat de rechter vrij om bij de uitleg van de veroordeling de maatstaven van redelijkheid en billijkheid te hanteren. 4.6. Vaststaat dat [eiser] niet aan het bevel tot betalingen van dwangsommen heeft voldaan. Daarom ligt enkel ter beoordeling voor of dwangsommen zijn verbeurd of dat [gedaagde] zich door de executie schuldig maakt aan misbruik van bevoegdheid. Geen dwangsommen verbeurd 4.7. [gedaagde] heeft als verweer aangevoerd dat [eiser] dwangsommen heeft verbeurd, omdat hij aan twee veroordelingen in het vonnis niet heeft voldaan. In de eerste plaats heeft [eiser] volgens hem niet voldaan aan de veroordeling om zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst na te komen en [gedaagde] het ongestoorde huurgenot te verschaffen van de woning, omdat hij de door [gedaagde] gestelde gebreken in de woning niet heeft hersteld. In de tweede plaats heeft [eiser] niet voldaan aan de veroordeling om alle door hem in de woning geplaatste (bouw)materialen weg te halen. De kantonrechter verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. [eiser] heeft tot nog toe voldaan aan de veroordeling in 5.1 van het vonnis 4.8. In het vonnis van 15 april 2025 heeft de kantonrechter overwogen dat [gedaagde] recht heeft op ongestoord huurgenot van en in de woning. Dat betekende volgens de kantonrechter dat [eiser] ervoor moet zorgen dat [gedaagde] toegang heeft tot de woning, ook via de achterdeur en de poort, dat hij niet zomaar de woning mag binnenkomen zonder dat [gedaagde] dat weet en dat hij de eigendommen van [gedaagde] niet zomaar mag verplaatsen. Uit de vaststaande feiten in dat vonnis volgt dat tussen partijen vast stond dat [eiser] in strijd hiermee had gehandeld. Hoewel de kantonrechter begrip had voor de zorgen van [eiser] over onder meer de staat van de woning, gaven die zorgen volgens de kantonrechter [eiser] niet het recht om zo te handelen. Daarom, zo oordeelde de kantonrechter, werd [eiser] veroordeeld om de huurovereenkomst na te komen en [gedaagde] het ongestoorde huurgenot te verschaffen. Hieruit volgt dat die veroordeling in het vonnis enkel tot doel had om het hiervoor omschreven handelen van [eiser] te stoppen en recht te zetten. Zoals [eiser] onbestreden heeft gesteld, heeft hij daaraan voldaan. 4.9. De door [gedaagde] voorgestane ruime uitleg van de veroordeling, inhoudende dat [eiser] ook de ernstige schimmelproblemen en andere door [gedaagde] gestelde problemen binnen drie dagen na betekening van het vonnis zou moeten verhelpen, vindt geen steun in de hiervoor vermelde motivering van de veroordeling. Bovendien is in het vonnis van 15 april 2025 niet geoordeeld dat de schimmel en de overige gestelde gebreken aan [eiser] toe te rekenen zijn en dat dus sprake is van gebreken die hij op grond van artikel 7:206 BW zou moeten herstellen. Tot slot komt de termijn van drie dagen na betekening van het vonnis de kantonrechter te kort voor om deze gestelde, ernstige problemen op te kunnen lossen, en niemand kan worden veroordeeld tot het onmogelijke. De conclusie is daarom dat de veroordeling niet inhield dat [gedaagde] deze gestelde gebreken diende te herstellen. [eiser] heeft daarom uit hoofde van die veroordeling nog geen dwangsommen verbeurd, omdat hij tot op heden volledig aan het vonnis heeft voldaan. [eiser] heeft voldaan aan de veroordeling in 5.3 van het vonnis 4.10. Partijen zijn het erover eens dat, afgezien van de bouwmaterialen in de inpandige berging, [eiser] alle door hem geplaatste (bouw)materialen binnen drie dagen na betekening van het vonnis van 15 april 2025 uit de woning heeft verwijderd. In zoverre heeft hij daarom aan de veroordeling voldaan om de door hem geplaatste (bouw)materialen uit de woning te verwijderen. 4.11. De drie potten verf die in de inpandige berging waren blijven staan, zijn inmiddels verwijderd. Deze potten verf zijn - zo begrijpt de kantonrechter het standpunt van [eiser] – niet geplaatst door hem maar door de schilder, zodat de veroordeling daar volgens hem geen betrekking op had. Dit is door [gedaagde] onvoldoende bestreden, zodat ook de kantonrechter daarvan uitgaat. 4.12. De overige (bouw)materialen die staan opgestapeld aan één kant van de inpandige berging mochten daar volgens [eiser] worden neergezet/blijven staan, omdat [gedaagde] deze berging deelt met buurman [naam] en [naam] hem toestemming zou hebben gegeven om deze spullen in de berging neer te zetten. Daarom leidt de aanwezigheid van de bouwmaterialen in de berging niet tot verbeurte van dwangsommen. [gedaagde] heeft betwist dat de inpandige berging mede wordt verhuurd aan [naam] . 4.13. De kantonrechter stelt vast dat in de kortgedingprocedure die heeft geleid tot het vonnis van 15 april 2025 tussen partijen ook al verschil van mening bestond over de vraag of de inpandige berging werd gedeeld met [naam] . In dat vonnis heeft de kantonrechter daarover overwogen dat de huurovereenkomst hier niets over bepaalt en dat hij het antwoord op de vraag of [gedaagde] de hele of de halve berging huurt in het midden laat, omdat geen van partijen een vordering heeft ingesteld die over die vraag gaat. Gelet hierop heeft [eiser] de veroordeling niet zo ruim hoeven begrijpen dat hij de (bouw)materialen uit de volledige inpandige berging diende te verwijderen. Die ruime uitleg impliceert immers dat de kantonrechter het geschilpunt over de vraag of [gedaagde] de hele berging of slechts een deel daarvan huurt ten voordele van [gedaagde] had beslist, terwijl de kantonrechter daar nu juist niet over heeft beslist. Voor zover geoordeeld zou moeten worden dat de bewoordingen van de veroordeling wel ruimte laten voor deze ruime uitleg bestaat er naar het oordeel van de kantonrechter reden de draagwijdte van de veroordeling beperkt uit te leggen ten gunste van [eiser] , omdat de veroordeling voor meerdere uitleg vatbaar is. Uitgaande van deze restrictieve uitleg verplichtte de veroordeling [eiser] niet om de (bouw)materialen die aan één kant van de inpandige berging staan, te verwijderen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [eiser] ook aan deze veroordeling heeft voldaan en daarom geen dwangsommen heeft verbeurd. Vordering onder I is (deels) toewijsbaar 4.14. De conclusie is dat [gedaagde] naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter [eiser] ten onrechte een bevel heeft gedaan tot betaling van verbeurde dwangsommen. De kantonrechter zal daarom de vordering onder I in die zin toewijzen dat hij [gedaagde] zal veroordelen om de executie als bedoeld in het bevel tot betaling van 3 oktober 2025 van op overtreding van rechtsoverweging 5.1 en 5.3 van het vonnis van 15 april 2025 gegronde dwangsommen, te staken en gestaakt te doen houden. Aan de veroordeling zal de kantonrechter een termijn verbinden van 24 uur na betekening. 4.15. Ook de gevorderde dwangsom is toewijsbaar, zij het dat deze niet zal worden opgelegd per keer maar per dag dat [gedaagde] de veroordeling niet nakomt. Deze zal bovendien worden gematigd tot € 1.000,00 per dag en zal worden gemaximeerd op € 20.000,00. 4.16. De kantonrechter hecht eraan op te merken dat [eiser] in de toekomst wel dwangsommen zou kunnen verbeuren als hij in de toekomst niet voldoet aan de veroordeling in 5.1 van het vonnis van 15 april 2015 om zijn verplichtingen op grond van de met [gedaagde] gesloten huurovereenkomst na te komen en [gedaagde] het ongestoorde huurgenot te verschaffen van de woning. Vordering onder II wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen 4.17. Op grond van artikel 611d, eerste lid, Rv kan de rechter die de dwangsom heeft opgelegd op vordering van de veroordeelde de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. [eiser] heeft niet gesteld en onderbouwd dat en waarom in dit geval sprake zou zijn van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor hem om aan de veroordelingen in het vonnis van 15 april 2025 te voldoen. Daarom is niet aannemelijk dat aan de in artikel 611d Rv gestelde voorwaarde voor toewijzing van de vordering is voldaan. De vordering wordt daarom afgewezen.
Volledig
in reconventie Spoedeisend belang 4.18. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot veroordeling van [eiser] om de door hem geplaatste goederen in de inpandige berging van de door [gedaagde] gehuurde woning te verwijderen en verwijderd te houden. Zoals hiervoor is overwogen, staan er aan één kant van die berging spullen die [eiser] daar heeft geplaatst. Als [gedaagde] gevolgd moet worden in zijn stelling dat hij het alleengebruik van die berging heeft, hoeft hij deze inbreuk op zijn huurgenot door [eiser] niet te dulden en kan van hem ook niet gevergd worden de uitkomst van een bodemprocedure hierover af te wachten. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [gedaagde] onbestreden heeft gesteld dat het slechts een kleine woning is en dat een deel van de grote hoeveelheid spullen die hij had opgeslagen in de berging nu in de rest van de woning staan, omdat [eiser] de berging deels in gebruik heeft. [eiser] heeft dit spoedeisend belang ook niet betwist. 4.19. De kantonrechter is het echter met [eiser] eens dat [gedaagde] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ook spoedeisend belang heeft bij zijn vordering om [eiser] te veroordelen om - kort gezegd - de gestelde problemen in de woning (te onderzoeken en) te verhelpen De kantonrechter begrijpt dat deze problemen en dan met name de zwarte schimmel zeer vervelend voor [gedaagde] zijn, maar deze problemen spelen volgens hem al zeer lange tijd. [gedaagde] stelt namelijk dat de mechanische ventilatie nooit heeft gewerkt, dat het schimmelprobleem, nadat [eiser] dat had proberen op te lossen, begin vorig jaar weer is teruggekomen en dat de lekkage er begin vorig jaar ook al was en dat deze lekkage er mogelijk de oorzaak van is dat de stoppen regelmatig doorslaan. [gedaagde] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij sinds het ontstaan van de problemen steeds op rechtens relevante wijze bij [eiser] op herstel heeft aangedrongen en hem daartoe heeft aangemaand en/of in gebreke gesteld. Het stilzitten door [gedaagde] als gevolg waarvan door het enkele verstrijken van de tijd als vanzelf haast ontstaat bij het gevorderde, rechtvaardigt niet het in kort geding ten behoeve van [gedaagde] aannemen van spoedeisend belang. 4.20. Daar komt bij dat het antwoord op de vraag of op dit moment sprake is van gebreken in de zin van 7:206 lid 1 BW die door [eiser] moeten worden hersteld, in dit kort geding niet kan worden gegeven. Op dit punt staan partijen lijnrecht tegenover elkaar. Nader onderzoek is nodig om te kunnen beoordelen wie op dit punt het gelijk aan zijn zijde heeft. Een kortgedingprocedure leent zich hier niet voor. Deze vordering wordt daarom afgewezen. Verwijdering (bouw)materialen uit inpandige berging 4.21. Partijen verschillen van mening over de vraag of de inpandige berging enkel aan [gedaagde] wordt verhuurd of ook aan zijn buurman [naam] . Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij de berging exclusief huurt, heeft [gedaagde] het volgende gesteld. De berging is geen berging maar een kamer in de woning die hij huurt. Hij heeft er spullen opgeborgen maar hij had er net zo goed een slaapkamer van kunnen maken. De kamer is via een deur in zijn woonkamer te bereiken. De kamer is ook via een buitendeur te bereiken. Die buitendeur is te bereiken via de steeg naast de woning van [gedaagde] , die toegang geeft tot een hek, die leidt naar een gangetje naar de woning van [gedaagde] . De bovenverdieping van zijn woning strekt zich uit over deze kamer en de kamer maakt daarom onderdeel uit van zijn woning. Uit de huurovereenkomst blijkt niet dat hij een deel van zijn woning met een ander zou moeten delen. [naam] heeft de kamer of het gangetje dat buiten naar de deur van de kamer leidt ook nooit gebruikt. 4.22. [eiser] heeft hiertegen ingebracht dat [naam] een sleutel heeft van de berging en in het verleden ook gebruik maakte van de berging, maar daarmee is gestopt, toen hij onenigheid kreeg met [gedaagde] . Ook plaatste [gedaagde] volgens hem in het verleden zijn containers buiten in het gangetje naar de berging. 4.23. De kantonrechter overweegt dat [eiser] niet heeft bestreden dat de ‘berging’ integraal onderdeel uitmaakt van de door [gedaagde] gehuurde woning in die zin dat de ruimte via een deur in de woonkamer bereikbaar is en net als de andere ruimtes op de benedenverdieping wordt bedekt door de bovenverdieping van de woning. Als [eiser] een deel van de woning van [gedaagde] mede aan een ander had willen verhuren, had hij daar met [gedaagde] afspraken over moeten maken. Vaststaat dat daar in de huurovereenkomst niets over is afgesproken. Voor zover [eiser] stelt dat hierover in afwijking van de huurovereenkomst afspraken zijn gemaakt, heeft hij dat tegenover de betwisting door [gedaagde] niet aannemelijk gemaakt. Het enkele gestelde feit dat [naam] over een sleutel beschikt van de buitendeur van de kamer is daarvoor onvoldoende, omdat [eiser] die sleutel ook aan [naam] kan hebben verstrekt zonder dit met [gedaagde] af te stemmen. Bovendien is voorshands niet vast komen te staan dat [naam] ooit gebruik heeft gemaakt van deze ruimte sinds [gedaagde] de woning huurt, omdat [gedaagde] dit heeft betwist en [eiser] die stelling niet heeft onderbouwd. Naar voorlopig oordeel van de kantonrechter is [gedaagde] daarom de enige huurder van de ruimte. Dit brengt mee dat [eiser] die ruimte niet gedeeltelijk mag gebruiken voor het stallen van goederen zonder instemming van [gedaagde] . De vordering tot het weghalen van de goederen is daarom toewijsbaar. Om executieproblemen te voorkomen en te waarborgen dat dit keer alle goederen worden verwijderd die daar zonder instemming van [gedaagde] zijn geplaatst, zal de kantonrechter bepalen dat [eiser] alle door hem geplaatste spullen, waaronder de spullen van door hem ingeschakelde werklieden, uit de ruimte moet verwijderen. 4.24. Ook de gevorderde dwangsom is toewijsbaar. Deze zal worden gemaximeerd op € 10.000,00. [eiser] zal met [gedaagde] moeten afstemmen wanneer hij de spullen kan komen halen. Dit maakt dat de kantonrechter een langere termijn aan de veroordeling zal verbinden dan gevorderd, namelijk twee weken na betekening van dit vonnis. in conventie en reconventie 4.25. Omdat beide partijen in conventie en reconventie gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De kantonrechter in conventie 5.1. veroordeelt [eiser] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de executie als bedoeld in het bevel tot betaling van 3 oktober 2025 van op overtreding van rechtsoverweging 5.1 en 5.3 van het vonnis van 15 april 2025 gegronde dwangsommen, te staken en gestaakt te doen houden, 5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag dat hij niet aan de veroordeling onder 5.1 voldoet, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt, 5.3. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.5. wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie 5.6. veroordeelt [eiser] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de door hem of door hem ingeschakelde werklieden geplaatste goederen in de inpandige berging van de door [gedaagde] gehuurde woning te verwijderen en verwijderd te houden, 5.7. veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat hij niet aan de veroordeling onder 5.6 voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt, 5.8. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.9. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.10. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. T.K. Hoogslag en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026. 542 Zie HR 26 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2880 Zie HR 17 en 24 september 1993, ECLI:NL:HR:1993 ZC1059 en ZC1072. Zie HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9400.
Volledig
in reconventie Spoedeisend belang 4.18. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot veroordeling van [eiser] om de door hem geplaatste goederen in de inpandige berging van de door [gedaagde] gehuurde woning te verwijderen en verwijderd te houden. Zoals hiervoor is overwogen, staan er aan één kant van die berging spullen die [eiser] daar heeft geplaatst. Als [gedaagde] gevolgd moet worden in zijn stelling dat hij het alleengebruik van die berging heeft, hoeft hij deze inbreuk op zijn huurgenot door [eiser] niet te dulden en kan van hem ook niet gevergd worden de uitkomst van een bodemprocedure hierover af te wachten. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [gedaagde] onbestreden heeft gesteld dat het slechts een kleine woning is en dat een deel van de grote hoeveelheid spullen die hij had opgeslagen in de berging nu in de rest van de woning staan, omdat [eiser] de berging deels in gebruik heeft. [eiser] heeft dit spoedeisend belang ook niet betwist. 4.19. De kantonrechter is het echter met [eiser] eens dat [gedaagde] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ook spoedeisend belang heeft bij zijn vordering om [eiser] te veroordelen om - kort gezegd - de gestelde problemen in de woning (te onderzoeken en) te verhelpen De kantonrechter begrijpt dat deze problemen en dan met name de zwarte schimmel zeer vervelend voor [gedaagde] zijn, maar deze problemen spelen volgens hem al zeer lange tijd. [gedaagde] stelt namelijk dat de mechanische ventilatie nooit heeft gewerkt, dat het schimmelprobleem, nadat [eiser] dat had proberen op te lossen, begin vorig jaar weer is teruggekomen en dat de lekkage er begin vorig jaar ook al was en dat deze lekkage er mogelijk de oorzaak van is dat de stoppen regelmatig doorslaan. [gedaagde] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij sinds het ontstaan van de problemen steeds op rechtens relevante wijze bij [eiser] op herstel heeft aangedrongen en hem daartoe heeft aangemaand en/of in gebreke gesteld. Het stilzitten door [gedaagde] als gevolg waarvan door het enkele verstrijken van de tijd als vanzelf haast ontstaat bij het gevorderde, rechtvaardigt niet het in kort geding ten behoeve van [gedaagde] aannemen van spoedeisend belang. 4.20. Daar komt bij dat het antwoord op de vraag of op dit moment sprake is van gebreken in de zin van 7:206 lid 1 BW die door [eiser] moeten worden hersteld, in dit kort geding niet kan worden gegeven. Op dit punt staan partijen lijnrecht tegenover elkaar. Nader onderzoek is nodig om te kunnen beoordelen wie op dit punt het gelijk aan zijn zijde heeft. Een kortgedingprocedure leent zich hier niet voor. Deze vordering wordt daarom afgewezen. Verwijdering (bouw)materialen uit inpandige berging 4.21. Partijen verschillen van mening over de vraag of de inpandige berging enkel aan [gedaagde] wordt verhuurd of ook aan zijn buurman [naam] . Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij de berging exclusief huurt, heeft [gedaagde] het volgende gesteld. De berging is geen berging maar een kamer in de woning die hij huurt. Hij heeft er spullen opgeborgen maar hij had er net zo goed een slaapkamer van kunnen maken. De kamer is via een deur in zijn woonkamer te bereiken. De kamer is ook via een buitendeur te bereiken. Die buitendeur is te bereiken via de steeg naast de woning van [gedaagde] , die toegang geeft tot een hek, die leidt naar een gangetje naar de woning van [gedaagde] . De bovenverdieping van zijn woning strekt zich uit over deze kamer en de kamer maakt daarom onderdeel uit van zijn woning. Uit de huurovereenkomst blijkt niet dat hij een deel van zijn woning met een ander zou moeten delen. [naam] heeft de kamer of het gangetje dat buiten naar de deur van de kamer leidt ook nooit gebruikt. 4.22. [eiser] heeft hiertegen ingebracht dat [naam] een sleutel heeft van de berging en in het verleden ook gebruik maakte van de berging, maar daarmee is gestopt, toen hij onenigheid kreeg met [gedaagde] . Ook plaatste [gedaagde] volgens hem in het verleden zijn containers buiten in het gangetje naar de berging. 4.23. De kantonrechter overweegt dat [eiser] niet heeft bestreden dat de ‘berging’ integraal onderdeel uitmaakt van de door [gedaagde] gehuurde woning in die zin dat de ruimte via een deur in de woonkamer bereikbaar is en net als de andere ruimtes op de benedenverdieping wordt bedekt door de bovenverdieping van de woning. Als [eiser] een deel van de woning van [gedaagde] mede aan een ander had willen verhuren, had hij daar met [gedaagde] afspraken over moeten maken. Vaststaat dat daar in de huurovereenkomst niets over is afgesproken. Voor zover [eiser] stelt dat hierover in afwijking van de huurovereenkomst afspraken zijn gemaakt, heeft hij dat tegenover de betwisting door [gedaagde] niet aannemelijk gemaakt. Het enkele gestelde feit dat [naam] over een sleutel beschikt van de buitendeur van de kamer is daarvoor onvoldoende, omdat [eiser] die sleutel ook aan [naam] kan hebben verstrekt zonder dit met [gedaagde] af te stemmen. Bovendien is voorshands niet vast komen te staan dat [naam] ooit gebruik heeft gemaakt van deze ruimte sinds [gedaagde] de woning huurt, omdat [gedaagde] dit heeft betwist en [eiser] die stelling niet heeft onderbouwd. Naar voorlopig oordeel van de kantonrechter is [gedaagde] daarom de enige huurder van de ruimte. Dit brengt mee dat [eiser] die ruimte niet gedeeltelijk mag gebruiken voor het stallen van goederen zonder instemming van [gedaagde] . De vordering tot het weghalen van de goederen is daarom toewijsbaar. Om executieproblemen te voorkomen en te waarborgen dat dit keer alle goederen worden verwijderd die daar zonder instemming van [gedaagde] zijn geplaatst, zal de kantonrechter bepalen dat [eiser] alle door hem geplaatste spullen, waaronder de spullen van door hem ingeschakelde werklieden, uit de ruimte moet verwijderen. 4.24. Ook de gevorderde dwangsom is toewijsbaar. Deze zal worden gemaximeerd op € 10.000,00. [eiser] zal met [gedaagde] moeten afstemmen wanneer hij de spullen kan komen halen. Dit maakt dat de kantonrechter een langere termijn aan de veroordeling zal verbinden dan gevorderd, namelijk twee weken na betekening van dit vonnis. in conventie en reconventie 4.25. Omdat beide partijen in conventie en reconventie gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De kantonrechter in conventie 5.1. veroordeelt [eiser] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de executie als bedoeld in het bevel tot betaling van 3 oktober 2025 van op overtreding van rechtsoverweging 5.1 en 5.3 van het vonnis van 15 april 2025 gegronde dwangsommen, te staken en gestaakt te doen houden, 5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag dat hij niet aan de veroordeling onder 5.1 voldoet, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt, 5.3. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.5. wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie 5.6. veroordeelt [eiser] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de door hem of door hem ingeschakelde werklieden geplaatste goederen in de inpandige berging van de door [gedaagde] gehuurde woning te verwijderen en verwijderd te houden, 5.7. veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat hij niet aan de veroordeling onder 5.6 voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt, 5.8. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.9. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.10. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. T.K. Hoogslag en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026. 542 Zie HR 26 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2880 Zie HR 17 en 24 september 1993, ECLI:NL:HR:1993 ZC1059 en ZC1072. Zie HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9400.