Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-01-15
ECLI:NL:RBNNE:2026:1556
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Mondelinge uitspraak
3,976 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1556 text/xml public 2026-05-07T08:24:45 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-01-15 11703351 BU VERZ 25-1052 Uitspraak Mondelinge uitspraak NL Groningen Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1556 text/html public 2026-05-07T08:24:27 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1556 Rechtbank Noord-Nederland , 15-01-2026 / 11703351 BU VERZ 25-1052 Voertuig parkeren voor een inrit of uitrit. Geen sprake van laden en lossen. Betrokkene heeft geparkeerd op een weggedeelte, gelegen voor de ingang van een paar garageboxen. De hier aanwezige garagedeuren zijn de in- en uitritten. Daarom is sprake van parkeren voor een inrit of uitrit. Bebording is niet vereist. Ook is niet van belang of concreet hinder is veroorzaakt. Bovendien blijkt uit de borden op de garagedeuren en het briefje onder de ruitenwisser dat hier wél sprake van is geweest. Ongegrond beroep. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht beschikkingsnummer: 268636513 zaaknummer: 11703351 BU VERZ 25-1052 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 15 januari 2026 in de zaak van [betrokkene] (de betrokkene), die woont in [plaats] . Inleiding 1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘een voertuig parkeren voor een inrit of uitrit’, verricht op 10 augustus 2024, om 10:31 uur, op [adres] in Groningen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten). 1.1. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. 1.2. De kantonrechter heeft het beroep op 15 januari 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was aanwezig: de vertegenwoordigster van de officier van justitie, mr. M. van der Spek. 1.3. Na afloop van de behandeling heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de kantonrechter Beslissing 2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet. Standpunten 3. Betrokkene voert aan dat er, voordat hij deze boete ontving, ter plekke een periode van werkzaamheden was. Tijdens deze periode gaf een bord aan dat daar niet geparkeerd mocht worden. Betrokkene heeft de boete ontvangen ná de periode die aangegeven stond op het bord. Hij stelt dat hij zijn auto tussen twee garageboxen heeft gezet waar niemand last van had. Hij stond daar geparkeerd om spullen naar zijn appartement te brengen. Betrokkene stelt dat de boete onterecht is omdat hij niks blokkeerde, hij iets moest brengen naar zijn appartement en omdat de boete kwam na de op de borden aangegeven datum. 4. De vertegenwoordigster stelt zich op het standpunt dat de verkeersovertreding kan worden vastgesteld. Het is duidelijk dat betrokkene voor inritten heeft geparkeerd. Bebording is hiervoor niet nodig. Het wel of niet veroorzaken van hinder maakt voor het vaststellen van deze verkeersovertreding in principe ook niet uit. Echter valt uit de verklaring van de verbalisant en de foto’s ook af te leiden dat het voertuig van betrokkene hinder heeft veroorzaakt. De vertegenwoordigster stelt dat geen sprake is van laden en lossen, omdat de verbalisant verklaart dat gedurende een tijd van ongeveer tien minuten geen activiteit heeft plaatsgevonden. Zij verzoekt de kantonrechter het beroep ongegrond te verklaren. Overwegingen 5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel. 5.1. De verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het zaakoverzicht, luidt als volgt: “ Ik zag dat het voertuig stond geparkeerd voor een inrit en/of uitrit. Het betrof een in-en of uitrit van/naar: binnen. De doorgang naar de inrit en/of van de uitrit werd hierdoor gehinderd/geblokkeerd. Deze hinder/blokkade bleek uit: 2 in en uitritten werd door deze voertuig gehinderd. Bij het constateren van het feit werd vastgesteld dat er gedurende een tijd van ongeveer 10 minuten geen activiteit plaats vond. ” 5.2. De kantonrechter is van oordeel dat de verkeersovertreding kan worden vastgesteld. Van laden en lossen is geen sprake. Onder onmiddellijk laden of lossen van goederen wordt verstaan: het onmiddellijk, nadat het voertuig tot stilstand is gebracht, bij voortduring inladen of uitladen van goederen gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet gaan om goederen die niet of moeilijk anders dan per voertuig ter plaatse kunnen worden opgehaald of gebracht. Vastgesteld moet worden of het voertuig uitsluitend heeft stilgestaan zo lang als nodig was voor het ononderbroken verrichten van het geheel van handelingen, dat redelijkerwijs noodzakelijk is om de goederen in of uit de auto te laden. De verbalisant heeft in het zaakoverzicht verklaard dat het voertuig geparkeerd stond en dat gedurende een tijd van ongeveer tien minuten geen activiteit bij het voertuig plaatsvond. De kantonrechter vindt dat daarvan in dit geval mag worden uitgegaan en heeft geen redenen om aan de verklaring van de verbalisant te twijfelen. Vanwege het gebrek aan activiteit was geen sprake van bij voortduring in- of uitladen van goederen gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Dit betekent dat geen sprake was van laden en lossen, maar van parkeren. 5.3. Verder is op de foto’s in het dossier te zien dat het voertuig van betrokkene staat geparkeerd op een weggedeelte, gelegen voor de ingang van een paar garageboxen. De hier aanwezige garagedeuren zijn in dit geval de in- en uitritten. Betrokkene staat geparkeerd voor twee van deze garagedeuren, waardoor sprake is van het parkeren voor een inrit of uitrit. Bebording waarmee een in- of uitrit wordt aangegeven, is niet vereist. Dat ter plekke eerst een bord aanwezig was, maakt dus niet dat er zonder bebording wél voor de in- en uitritten geparkeerd mag worden. Ook is niet van belang of concreet hinder is veroorzaakt; het parkeren voor de inrit of uitrit is voldoende voor oplegging van de boete. Bovendien blijkt uit de borden op de garagedeuren (“niet parkeren”) en het briefje onder de ruitenwisser (“hier niet parkeren AUB”), die op de foto’s in het zaakoverzicht zichtbaar zijn, dat wél sprake is geweest van hinder. De boete is terecht opgelegd. In de beroepsgronden van betrokkene ziet de kantonrechter ook geen aanleiding om de boete te matigen. Conclusie De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond. Waarvan proces-verbaal, mr. R. Krikke, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als: a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld. Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd. HR 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2760. HR 10 juni 1975, LJN:AJ4297. Hof Arnhem-Leeuwarden 12 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7639.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1556 text/xml public 2026-05-07T08:24:45 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-01-15 11703351 BU VERZ 25-1052 Uitspraak Mondelinge uitspraak NL Groningen Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1556 text/html public 2026-05-07T08:24:27 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1556 Rechtbank Noord-Nederland , 15-01-2026 / 11703351 BU VERZ 25-1052 Voertuig parkeren voor een inrit of uitrit. Geen sprake van laden en lossen. Betrokkene heeft geparkeerd op een weggedeelte, gelegen voor de ingang van een paar garageboxen. De hier aanwezige garagedeuren zijn de in- en uitritten. Daarom is sprake van parkeren voor een inrit of uitrit. Bebording is niet vereist. Ook is niet van belang of concreet hinder is veroorzaakt. Bovendien blijkt uit de borden op de garagedeuren en het briefje onder de ruitenwisser dat hier wél sprake van is geweest. Ongegrond beroep. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht beschikkingsnummer: 268636513 zaaknummer: 11703351 BU VERZ 25-1052 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 15 januari 2026 in de zaak van [betrokkene] (de betrokkene), die woont in [plaats] . Inleiding 1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘een voertuig parkeren voor een inrit of uitrit’, verricht op 10 augustus 2024, om 10:31 uur, op [adres] in Groningen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten). 1.1. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. 1.2. De kantonrechter heeft het beroep op 15 januari 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was aanwezig: de vertegenwoordigster van de officier van justitie, mr. M. van der Spek. 1.3. Na afloop van de behandeling heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de kantonrechter Beslissing 2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet. Standpunten 3. Betrokkene voert aan dat er, voordat hij deze boete ontving, ter plekke een periode van werkzaamheden was. Tijdens deze periode gaf een bord aan dat daar niet geparkeerd mocht worden. Betrokkene heeft de boete ontvangen ná de periode die aangegeven stond op het bord. Hij stelt dat hij zijn auto tussen twee garageboxen heeft gezet waar niemand last van had. Hij stond daar geparkeerd om spullen naar zijn appartement te brengen. Betrokkene stelt dat de boete onterecht is omdat hij niks blokkeerde, hij iets moest brengen naar zijn appartement en omdat de boete kwam na de op de borden aangegeven datum. 4. De vertegenwoordigster stelt zich op het standpunt dat de verkeersovertreding kan worden vastgesteld. Het is duidelijk dat betrokkene voor inritten heeft geparkeerd. Bebording is hiervoor niet nodig. Het wel of niet veroorzaken van hinder maakt voor het vaststellen van deze verkeersovertreding in principe ook niet uit. Echter valt uit de verklaring van de verbalisant en de foto’s ook af te leiden dat het voertuig van betrokkene hinder heeft veroorzaakt. De vertegenwoordigster stelt dat geen sprake is van laden en lossen, omdat de verbalisant verklaart dat gedurende een tijd van ongeveer tien minuten geen activiteit heeft plaatsgevonden. Zij verzoekt de kantonrechter het beroep ongegrond te verklaren. Overwegingen 5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel. 5.1. De verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het zaakoverzicht, luidt als volgt: “ Ik zag dat het voertuig stond geparkeerd voor een inrit en/of uitrit. Het betrof een in-en of uitrit van/naar: binnen. De doorgang naar de inrit en/of van de uitrit werd hierdoor gehinderd/geblokkeerd. Deze hinder/blokkade bleek uit: 2 in en uitritten werd door deze voertuig gehinderd. Bij het constateren van het feit werd vastgesteld dat er gedurende een tijd van ongeveer 10 minuten geen activiteit plaats vond. ” 5.2. De kantonrechter is van oordeel dat de verkeersovertreding kan worden vastgesteld. Van laden en lossen is geen sprake. Onder onmiddellijk laden of lossen van goederen wordt verstaan: het onmiddellijk, nadat het voertuig tot stilstand is gebracht, bij voortduring inladen of uitladen van goederen gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet gaan om goederen die niet of moeilijk anders dan per voertuig ter plaatse kunnen worden opgehaald of gebracht. Vastgesteld moet worden of het voertuig uitsluitend heeft stilgestaan zo lang als nodig was voor het ononderbroken verrichten van het geheel van handelingen, dat redelijkerwijs noodzakelijk is om de goederen in of uit de auto te laden. De verbalisant heeft in het zaakoverzicht verklaard dat het voertuig geparkeerd stond en dat gedurende een tijd van ongeveer tien minuten geen activiteit bij het voertuig plaatsvond. De kantonrechter vindt dat daarvan in dit geval mag worden uitgegaan en heeft geen redenen om aan de verklaring van de verbalisant te twijfelen. Vanwege het gebrek aan activiteit was geen sprake van bij voortduring in- of uitladen van goederen gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Dit betekent dat geen sprake was van laden en lossen, maar van parkeren. 5.3. Verder is op de foto’s in het dossier te zien dat het voertuig van betrokkene staat geparkeerd op een weggedeelte, gelegen voor de ingang van een paar garageboxen. De hier aanwezige garagedeuren zijn in dit geval de in- en uitritten. Betrokkene staat geparkeerd voor twee van deze garagedeuren, waardoor sprake is van het parkeren voor een inrit of uitrit. Bebording waarmee een in- of uitrit wordt aangegeven, is niet vereist. Dat ter plekke eerst een bord aanwezig was, maakt dus niet dat er zonder bebording wél voor de in- en uitritten geparkeerd mag worden. Ook is niet van belang of concreet hinder is veroorzaakt; het parkeren voor de inrit of uitrit is voldoende voor oplegging van de boete. Bovendien blijkt uit de borden op de garagedeuren (“niet parkeren”) en het briefje onder de ruitenwisser (“hier niet parkeren AUB”), die op de foto’s in het zaakoverzicht zichtbaar zijn, dat wél sprake is geweest van hinder. De boete is terecht opgelegd. In de beroepsgronden van betrokkene ziet de kantonrechter ook geen aanleiding om de boete te matigen. Conclusie De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond. Waarvan proces-verbaal, mr. R. Krikke, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als: a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld. Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd. HR 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2760. HR 10 juni 1975, LJN:AJ4297. Hof Arnhem-Leeuwarden 12 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7639.