Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-01-15
ECLI:NL:RBNNE:2026:1554
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,074 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1554 text/xml public 2026-05-07T08:21:45 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-01-15 11346089 BU VERZ 24-2429 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1554 text/html public 2026-05-07T08:21:36 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1554 Rechtbank Noord-Nederland , 15-01-2026 / 11346089 BU VERZ 24-2429 Termijnoverschrijding. Betrokkene heeft zijn nieuwe adres in Spanje aan de verbalisant gegeven. Hij heeft de inleidende beschikking echter vóór zijn vertrek gekregen; het feit dat betrokkene aan de verbalisant zijn nieuwe adres in Spanje heeft opgegeven en die beschikking toch naar zijn oude adres in [plaats] is gestuurd, heeft geen gevolgen gehad. Daarnaast kan het niet kloppen dat er geen betaling nodig was en dat de verbalisant zei dat betrokkene alleen een waarschuwing kreeg. De inleidende beschikking hoeft alleen niet betaald te worden zolang er een procedure bij de officier van justitie loopt. Uit het zaakoverzicht blijkt niet dat de verbalisant betrokkene een waarschuwing heeft gegeven, te meer daar hij alle gegevens van betrokkene heeft genoteerd. Het beroep is terecht niet-ontvankelijk verklaard. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht beschikkingsnummer: 250560563 zaaknummer: 11346089 BU VERZ 24-2429 uitspraak van de kantonrechter van 29 januari 2026 in de zaak van [betrokkene] (hierna: betrokkene), die woont in [plaats] . Inleiding 1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden’, verricht op 29 juni 2022, om 20:44 uur, op [adres] in Groningen, met een fiets. De opgelegde boete bedraagt € 149,00 (inclusief administratiekosten). 1.1. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat dit beroep te laat was. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. 1.2. De kantonrechter heeft het beroep op 15 januari 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was als vertegenwoordigster van de officier van justitie aanwezig mr. M. van der Spek. Beoordeling door de kantonrechter 2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dit doet. Standpunten van partijen 3. Betrokkene voert aan dat hij de kennisgeving van de boete pas op 4 mei 2024 op zijn adres heeft ontvangen, terwijl die brief gedateerd was op 23 april 2024. Hij had ongeveer zes maanden eerder deze boete gezien op cjb.nl. Toen heeft hij beroep bij de officier van justitie ingesteld en uitgelegd waarom hij daarmee te laat was. Het is hem onduidelijk waarom dit bericht opnieuw is verzonden, want op zijn adres had hij tot op heden nog geen “fysiek” bericht gekregen. De boete gaat over 29 juni 2022 en betrokkene heeft Nederland verlaten op 12 juli 2022 om naar Spanje terug te gaan; dit heeft hij ook aan de verbalisant verteld. Als er berichten zijn gestuurd naar een adres waar hij niet meer woonde, is het meer dan gerechtvaardigd dat hij niet eerder beroep heeft ingesteld. Betrokkene heeft de verbalisant zijn identiteitsbewijs en adres in Spanje verstrekt. Die zei toen dat het slechts ging om een waarschuwing. In de enige kennisgeving die hij vóór 4 mei 2024 heeft ontvangen op [adres] stond dat er geen betaling nodig was. Over de zekerheidstelling voert betrokkene aan dat hij de boete niet kan betalen, omdat hij geen inkomen heeft. Ten slotte vindt betrokkene dat de boete niet terecht is. 4. De vertegenwoordigster heeft op de zitting gezegd dat betrokkene ondanks zijn draagkrachtverweer de zekerheidstelling heeft betaald. Wel lopen er op zijn naam aanmaningen en een dwangbevel. Betrokkene geeft aan dat hij student is. Zij zal het CJIB opdracht geven de aanmaningen en het dwangbevel te laten vervallen. Verder heeft betrokkene de inleidende beschikking wel ontvangen, maar gaat hij uit van een andere interpretatie daarvan. Volgens de Basisregistratie personen is hij op 23 november 2023 uit Nederland uitgeschreven; tot die tijd stond hij ingeschreven op [adres] . Zij gaat er vanuit dat hij op dat adres de inleidende beschikking heeft ontvangen. Dat hij vervolgens naar Spanje is vertrokken en daardoor correspondentie is misgelopen, terwijl hij nog ingeschreven stond op [adres] , komt voor zijn eigen rekening en risico. Zij denkt dat de post naar [adres] is gegaan. Dat betrokkene de betekenis van de inleidende beschikking misschien niet heeft begrepen komt ook voor zijn eigen rekening en risico. Dan had hij een derde moeten inschakelen. De vertegenwoordigster blijft bij de niet-ontvankelijkheidsverklaring. Overwegingen van de kantonrechter 5. Zoals op de zitting is gebleken heeft betrokkene de zekerheidstelling betaald. Verder was het beroep bij de kantonrechter tijdig; de beslissing van de officier van justitie van 22 april 2024 is kennelijk naar eisers adres in Spanje gestuurd; betrokkene stelt immers dat hij die op 4 mei 2024 op zijn adres heeft ontvangen; bovendien heeft hij daartegen, ook op 4 mei 2024, en dus tijdig, digitaal beroep ingesteld. 6. Het beroepschrift in administratief beroep is echter te laat ingediend. De termijn voor het indienen van zo’n beroepschrift is zes weken. Het beroepschrift had uiterlijk op 20 augustus 2022 door de officier van justitie ontvangen moeten zijn . Het is echter pas op 30 januari 2024 digitaal bij de CVOM binnengekomen. De kantonrechter zal hieronder eerst beoordelen of betrokkene een geldige reden had voor het te laat indienen van het beroep bij de officier van justitie . 7. Uit het zaakoverzicht blijkt dat betrokkene zijn nieuwe adres in Spanje inderdaad aan de verbalisant heeft gegeven. Betrokkene schrijft dat hij een week na 29 juni 2022 op [adres] een kennisgeving heeft gekregen. De vertegenwoordigster heeft op de zitting bevestigd dat dit de inleidende beschikking van 9 juli 2022 moet zijn geweest. Vervolgens is betrokkene op 12 juli 2022 vertrokken naar Spanje. Hij heeft de inleidende beschikking dus vóór zijn vertrek gekregen; het feit dat betrokkene aan de verbalisant zijn nieuwe adres in Spanje heeft opgegeven en die beschikking toch naar zijn oude adres in Groningen is gestuurd, heeft geen gevolgen gehad. 7.1. Het kan verder niet kloppen dat er geen betaling nodig was en dat de verbalisant zei dat betrokkene alleen een waarschuwing kreeg. Een inleidende beschikking vermeldt weliswaar dat de boete niet betaald hoeft te worden, maar dat geldt alleen zolang er een procedure bij de officier van justitie loopt. In die beschikking staat ook hoe je in beroep kunt gaan bij de officier van justitie en binnen welke termijn dat moet gebeuren. Verder blijkt uit het zaakoverzicht niet dat de verbalisant betrokkene een waarschuwing heeft gegeven. Te meer daar hij alle gegevens van betrokkene heeft genoteerd. Die had dus kunnen weten dat hij een boete had gekregen en dat hij daartegen in beroep kon gaan bij de officier van justitie. Dat betrokkene dacht dat hij geen boete hoefde te betalen en hij dat beroep niet tijdig heeft ingesteld, komt voor zijn rekening en risico; hij had iemand om hulp kunnen vragen. Betrokkene heeft geen brieven ingestuurd waaruit blijkt dat hij van een andere lezing van de beschikking mocht uitgaan. 7.2. Conclusie: de officier van justitie heeft terecht aangenomen dat eiser geen argumenten heeft aangevoerd die de termijnoverschrijding in administratief beroep verontschuldigen. Terecht heeft hij dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. De kantonrechter komt daarom niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de zaak; hij zal het beroep ongegrond verklaren. Beslissing De kantonrechter: - verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter, in aanwezigheid van mr. R. Krikke, griffier.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1554 text/xml public 2026-05-07T08:21:45 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-01-15 11346089 BU VERZ 24-2429 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1554 text/html public 2026-05-07T08:21:36 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1554 Rechtbank Noord-Nederland , 15-01-2026 / 11346089 BU VERZ 24-2429 Termijnoverschrijding. Betrokkene heeft zijn nieuwe adres in Spanje aan de verbalisant gegeven. Hij heeft de inleidende beschikking echter vóór zijn vertrek gekregen; het feit dat betrokkene aan de verbalisant zijn nieuwe adres in Spanje heeft opgegeven en die beschikking toch naar zijn oude adres in [plaats] is gestuurd, heeft geen gevolgen gehad. Daarnaast kan het niet kloppen dat er geen betaling nodig was en dat de verbalisant zei dat betrokkene alleen een waarschuwing kreeg. De inleidende beschikking hoeft alleen niet betaald te worden zolang er een procedure bij de officier van justitie loopt. Uit het zaakoverzicht blijkt niet dat de verbalisant betrokkene een waarschuwing heeft gegeven, te meer daar hij alle gegevens van betrokkene heeft genoteerd. Het beroep is terecht niet-ontvankelijk verklaard. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht beschikkingsnummer: 250560563 zaaknummer: 11346089 BU VERZ 24-2429 uitspraak van de kantonrechter van 29 januari 2026 in de zaak van [betrokkene] (hierna: betrokkene), die woont in [plaats] . Inleiding 1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden’, verricht op 29 juni 2022, om 20:44 uur, op [adres] in Groningen, met een fiets. De opgelegde boete bedraagt € 149,00 (inclusief administratiekosten). 1.1. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat dit beroep te laat was. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. 1.2. De kantonrechter heeft het beroep op 15 januari 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was als vertegenwoordigster van de officier van justitie aanwezig mr. M. van der Spek. Beoordeling door de kantonrechter 2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dit doet. Standpunten van partijen 3. Betrokkene voert aan dat hij de kennisgeving van de boete pas op 4 mei 2024 op zijn adres heeft ontvangen, terwijl die brief gedateerd was op 23 april 2024. Hij had ongeveer zes maanden eerder deze boete gezien op cjb.nl. Toen heeft hij beroep bij de officier van justitie ingesteld en uitgelegd waarom hij daarmee te laat was. Het is hem onduidelijk waarom dit bericht opnieuw is verzonden, want op zijn adres had hij tot op heden nog geen “fysiek” bericht gekregen. De boete gaat over 29 juni 2022 en betrokkene heeft Nederland verlaten op 12 juli 2022 om naar Spanje terug te gaan; dit heeft hij ook aan de verbalisant verteld. Als er berichten zijn gestuurd naar een adres waar hij niet meer woonde, is het meer dan gerechtvaardigd dat hij niet eerder beroep heeft ingesteld. Betrokkene heeft de verbalisant zijn identiteitsbewijs en adres in Spanje verstrekt. Die zei toen dat het slechts ging om een waarschuwing. In de enige kennisgeving die hij vóór 4 mei 2024 heeft ontvangen op [adres] stond dat er geen betaling nodig was. Over de zekerheidstelling voert betrokkene aan dat hij de boete niet kan betalen, omdat hij geen inkomen heeft. Ten slotte vindt betrokkene dat de boete niet terecht is. 4. De vertegenwoordigster heeft op de zitting gezegd dat betrokkene ondanks zijn draagkrachtverweer de zekerheidstelling heeft betaald. Wel lopen er op zijn naam aanmaningen en een dwangbevel. Betrokkene geeft aan dat hij student is. Zij zal het CJIB opdracht geven de aanmaningen en het dwangbevel te laten vervallen. Verder heeft betrokkene de inleidende beschikking wel ontvangen, maar gaat hij uit van een andere interpretatie daarvan. Volgens de Basisregistratie personen is hij op 23 november 2023 uit Nederland uitgeschreven; tot die tijd stond hij ingeschreven op [adres] . Zij gaat er vanuit dat hij op dat adres de inleidende beschikking heeft ontvangen. Dat hij vervolgens naar Spanje is vertrokken en daardoor correspondentie is misgelopen, terwijl hij nog ingeschreven stond op [adres] , komt voor zijn eigen rekening en risico. Zij denkt dat de post naar [adres] is gegaan. Dat betrokkene de betekenis van de inleidende beschikking misschien niet heeft begrepen komt ook voor zijn eigen rekening en risico. Dan had hij een derde moeten inschakelen. De vertegenwoordigster blijft bij de niet-ontvankelijkheidsverklaring. Overwegingen van de kantonrechter 5. Zoals op de zitting is gebleken heeft betrokkene de zekerheidstelling betaald. Verder was het beroep bij de kantonrechter tijdig; de beslissing van de officier van justitie van 22 april 2024 is kennelijk naar eisers adres in Spanje gestuurd; betrokkene stelt immers dat hij die op 4 mei 2024 op zijn adres heeft ontvangen; bovendien heeft hij daartegen, ook op 4 mei 2024, en dus tijdig, digitaal beroep ingesteld. 6. Het beroepschrift in administratief beroep is echter te laat ingediend. De termijn voor het indienen van zo’n beroepschrift is zes weken. Het beroepschrift had uiterlijk op 20 augustus 2022 door de officier van justitie ontvangen moeten zijn . Het is echter pas op 30 januari 2024 digitaal bij de CVOM binnengekomen. De kantonrechter zal hieronder eerst beoordelen of betrokkene een geldige reden had voor het te laat indienen van het beroep bij de officier van justitie . 7. Uit het zaakoverzicht blijkt dat betrokkene zijn nieuwe adres in Spanje inderdaad aan de verbalisant heeft gegeven. Betrokkene schrijft dat hij een week na 29 juni 2022 op [adres] een kennisgeving heeft gekregen. De vertegenwoordigster heeft op de zitting bevestigd dat dit de inleidende beschikking van 9 juli 2022 moet zijn geweest. Vervolgens is betrokkene op 12 juli 2022 vertrokken naar Spanje. Hij heeft de inleidende beschikking dus vóór zijn vertrek gekregen; het feit dat betrokkene aan de verbalisant zijn nieuwe adres in Spanje heeft opgegeven en die beschikking toch naar zijn oude adres in Groningen is gestuurd, heeft geen gevolgen gehad. 7.1. Het kan verder niet kloppen dat er geen betaling nodig was en dat de verbalisant zei dat betrokkene alleen een waarschuwing kreeg. Een inleidende beschikking vermeldt weliswaar dat de boete niet betaald hoeft te worden, maar dat geldt alleen zolang er een procedure bij de officier van justitie loopt. In die beschikking staat ook hoe je in beroep kunt gaan bij de officier van justitie en binnen welke termijn dat moet gebeuren. Verder blijkt uit het zaakoverzicht niet dat de verbalisant betrokkene een waarschuwing heeft gegeven. Te meer daar hij alle gegevens van betrokkene heeft genoteerd. Die had dus kunnen weten dat hij een boete had gekregen en dat hij daartegen in beroep kon gaan bij de officier van justitie. Dat betrokkene dacht dat hij geen boete hoefde te betalen en hij dat beroep niet tijdig heeft ingesteld, komt voor zijn rekening en risico; hij had iemand om hulp kunnen vragen. Betrokkene heeft geen brieven ingestuurd waaruit blijkt dat hij van een andere lezing van de beschikking mocht uitgaan. 7.2. Conclusie: de officier van justitie heeft terecht aangenomen dat eiser geen argumenten heeft aangevoerd die de termijnoverschrijding in administratief beroep verontschuldigen. Terecht heeft hij dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. De kantonrechter komt daarom niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de zaak; hij zal het beroep ongegrond verklaren. Beslissing De kantonrechter: - verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter, in aanwezigheid van mr. R. Krikke, griffier.