Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-04-16
ECLI:NL:RBNNE:2026:1419
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,176 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1419 text/xml public 2026-05-08T15:48:31 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-16 LEE 24/4504 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026050808 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1419 text/html public 2026-05-08T09:52:20 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1419 Rechtbank Noord-Nederland , 16-04-2026 / LEE 24/4504 IB/PVV 2022. Gegrond beroep omdat hoorplicht is geschonden. Er is geen sprake van negatiefloon. De inspecteur heeft de aanslag correct opgelegd. Verzoek om dwangsom wijst de rechtbank af. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/4504 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 april 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: [naam 1] ), en de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/kantoor Arnhem , de inspecteur, (gemachtigde: mr. [naam 2] ) Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 oktober 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2022 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.493. 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van eiser afgewezen en daarbij de aanslag gehandhaafd. 1.3. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. Eiser heeft voor de zitting nadere stukken overgelegd. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 2 februari 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde en partner [naam 1] en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door mr. [naam 3] . 1.6. Eiser heeft op de zitting een nader stuk overgelegd. De inspecteur heeft ter zitting aangegeven dat wat hem betreft het stuk aan het dossier kan worden toegevoegd. De rechtbank heeft het stuk toegevoegd aan het dossier. Feiten 2. De heer [eiser] is gehuwd met mevrouw [naam 1] (de partner). Voor het belastingjaar 2022 kwalificeren zij als fiscale partners. 2.1. Eiser is werkzaam bij [bedrijf] B.V. (werkgever). Eiser is via de werkgever gedetacheerd als [functie] . 2.2. Eiser is nog in opleiding tot [functie] en staat daarom ingeschreven bij [school] . In 2022 heeft hij vanwege zijn studie betalingen gedaan aan [school] . 2.3. Eiser en zijn partner hebben op 30 april 2023 gezamenlijk hun aangiften IB/PVV 2022 ingediend. Hierin heeft eiser een inkomen uit werk en woning van € 19.393 opgegeven. Dit inkomen is als volgt opgebouwd: Loon Loonheffing [bedrijf] B.V € 22.493 € 2.005 [bedrijf] B.V -/- € 3.100 € 0 Totaal € 19.393 € 2.005 2.4. De inspecteur heeft met datum 13 februari 2024 een brief gestuurd aan eiser met daarin het voornemen om af te wijken van de aangifte. In de brief geeft hij aan dat hij van plan is om af te wijken van de ingediende aangifte door het negatief aangegeven inkomen van € 3.100 niet in aftrek toe te staan. 2.5. Eiser en zijn partner hebben op 15 maart 2024 gereageerd op het voornemen om af te wijken (2.4.). De brief van eiser en zijn partner is door de inspecteur ontvangen op 19 maart 2024. In de brief is onder andere – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen: “ U zond ons twee brieven van uw voornemens om af te wijken van onze gezamenlijke inkomstenopgave tijdvak 2022. Deze twee brieven gaan hierbij in de bijlage 1 . Uw voornemen af te wijken is ons inziens onjuist en zijn wij het dan ook niet eens, omdat wij gezamenlijk inkomstenopgave doen ontvangt u onze beider reactie in 1 brief. 2.6. Met datum 23 mei 2024 heeft de inspecteur een handhaving afwijking aangifte naar eiser gestuurd. Hij geeft hierin aan de aanslag vast te stellen in overeenstemming met de brief met daarin het voornemen om af te wijken van de aangifte (2.4.). 2.7. De inspecteur heeft met datum 14 juni 2024 de aanslag IB/PVV 2022 vastgesteld. Hierbij heeft de inspecteur de aanslag in overeenstemming met de brief met daarin het voornemen om af te wijken van de aangifte vastgesteld naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.493. 2.8. Eiser heeft op 26 juli 2024 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2022. Het bezwaar is op dezelfde dag ontvangen door de inspecteur. 2.9. De inspecteur heeft per brief van 1 augustus 2024 de reguliere termijn om te beslissen op het bezwaar eenzijdig verdaagd met zes weken, tot 18 oktober 2024. 2.10. Op 26 juli 2024 heeft de inspecteur een ingebrekestelling ontvangen. Op het formulier Dwangsom Bij niet tijdig beslissen heeft eiser het volgende ingevuld: “ Meerdere: d.d. 15-3-2024 verzonden, d.d. 17-3-2024 door de inspecteur ontvangen d.d. 19 maart 2024. 1. bezwaren tegen vooringenomen afwijken van de aangifte de IBaangifte 2022 was van d.d. 30-4-2023 de vooringenomen afwijken namens de inspecteur was bijna een jaar nadien: van d.d. 13-02-2024, het bezwaarschrift is door de inspecteur onvangen d.d. 19-3-2024 (post-NL); 2. Het bezwaarschrifte bevat ook een expliciet verzoekschrift aan de inspecteur een beslissing te nemen nl een beslissing te nemen omtrent de teruggave (dubbele) afdracht ZvW 2022. Die beslistermijn is anders nl 8 weken na d.d. 19-3 ” 2.11. Op 25 september 2024 heeft de inspecteur aan eiser zijn voorgenomen beslissing op het bezwaar tegen de aanslag gestuurd. 2.12. De inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2024 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 2.13. Eiser heeft op de zitting een e-mail van zijn werkgever van 26 juli 2022 overgelegd. Hierin staat – voor zover hier van belang – het volgende: “ Hi [functie] toppers, Binnen Maandag hanteren wij de regel dat bij professionals die bij ons in dienst zijn, maar die nog in opleiding zijn tot [functie] ieder jaar een nieuw bewijs van inschrijving moet aanleveren. Dit hoeft niet moeilijk te zijn, want een screenshot van studielink met daarin de inschrijving is voor ons voldoende. Ik zie dit bewijs van inschrijving het liefst z.s.m. tegemoet ” Beoordeling door de rechtbank Beoordeling 3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag IB/PVV 2022 tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Specifiek is in geschil of de inspecteur terecht geen negatief loon in aftrek heeft toegestaan. Verder beoordeelt de rechtbank of eiser recht heeft op een dwangsom in de zin van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en of hij recht heeft op een vergoeding van immateriële schade. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de aanslag IB/PVV 2022 tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat eiser geen recht heeft op een dwangsom en ook niet op een vergoeding van immateriële schade . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben. Schending hoorplicht 5. Tussen partijen is niet in geschil dat de hoorplicht is geschonden. 6. Vervolgens moet de vraag beantwoord worden welke gevolgen de schending van de hoorplicht heeft. De rechtbank kan oordelen dat aan die schending voorbij wordt gegaan als eiser daardoor niet in zijn belangen zou zijn geschaad. Vanwege de wezenlijke betekenis die het horen voor de bezwaarprocedure heeft, is daarvan niet snel sprake. De rechtbank stelt vast dat partijen op inhoudelijke gronden van mening verschillen over de hoogte van de aanslag IB/PVV 2022. Aan de schending van de hoorplicht kan in dit geval dan ook niet worden voorbijgegaan. 7. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de rechtbank de zaak zal terugwijzen of zelf in de zaak zal voorzien. In zijn verweerschrift heeft de inspecteur aan de rechter verzocht om zelf in de zaak te voorzien, en dus niet terug te wijzen. Op de zitting heeft eiser hiermee ingestemd. De rechtbank zal daarom zelf in de zaak voorzien en het beroep ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2022 inhoudelijk behandelen. Omdat de hoorplicht is geschonden, zal de rechtbank het beroep hoe dan ook wel gegrond verklaren. Is de aanslag IB/PVV 2022 tot het juiste bedrag vastgesteld? 8.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1419 text/xml public 2026-05-08T15:48:31 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-16 LEE 24/4504 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026050808 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1419 text/html public 2026-05-08T09:52:20 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1419 Rechtbank Noord-Nederland , 16-04-2026 / LEE 24/4504 IB/PVV 2022. Gegrond beroep omdat hoorplicht is geschonden. Er is geen sprake van negatiefloon. De inspecteur heeft de aanslag correct opgelegd. Verzoek om dwangsom wijst de rechtbank af. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/4504 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 april 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: [naam 1] ), en de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/kantoor Arnhem , de inspecteur, (gemachtigde: mr. [naam 2] ) Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 oktober 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2022 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.493. 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van eiser afgewezen en daarbij de aanslag gehandhaafd. 1.3. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. Eiser heeft voor de zitting nadere stukken overgelegd. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 2 februari 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde en partner [naam 1] en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door mr. [naam 3] . 1.6. Eiser heeft op de zitting een nader stuk overgelegd. De inspecteur heeft ter zitting aangegeven dat wat hem betreft het stuk aan het dossier kan worden toegevoegd. De rechtbank heeft het stuk toegevoegd aan het dossier. Feiten 2. De heer [eiser] is gehuwd met mevrouw [naam 1] (de partner). Voor het belastingjaar 2022 kwalificeren zij als fiscale partners. 2.1. Eiser is werkzaam bij [bedrijf] B.V. (werkgever). Eiser is via de werkgever gedetacheerd als [functie] . 2.2. Eiser is nog in opleiding tot [functie] en staat daarom ingeschreven bij [school] . In 2022 heeft hij vanwege zijn studie betalingen gedaan aan [school] . 2.3. Eiser en zijn partner hebben op 30 april 2023 gezamenlijk hun aangiften IB/PVV 2022 ingediend. Hierin heeft eiser een inkomen uit werk en woning van € 19.393 opgegeven. Dit inkomen is als volgt opgebouwd: Loon Loonheffing [bedrijf] B.V € 22.493 € 2.005 [bedrijf] B.V -/- € 3.100 € 0 Totaal € 19.393 € 2.005 2.4. De inspecteur heeft met datum 13 februari 2024 een brief gestuurd aan eiser met daarin het voornemen om af te wijken van de aangifte. In de brief geeft hij aan dat hij van plan is om af te wijken van de ingediende aangifte door het negatief aangegeven inkomen van € 3.100 niet in aftrek toe te staan. 2.5. Eiser en zijn partner hebben op 15 maart 2024 gereageerd op het voornemen om af te wijken (2.4.). De brief van eiser en zijn partner is door de inspecteur ontvangen op 19 maart 2024. In de brief is onder andere – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen: “ U zond ons twee brieven van uw voornemens om af te wijken van onze gezamenlijke inkomstenopgave tijdvak 2022. Deze twee brieven gaan hierbij in de bijlage 1 . Uw voornemen af te wijken is ons inziens onjuist en zijn wij het dan ook niet eens, omdat wij gezamenlijk inkomstenopgave doen ontvangt u onze beider reactie in 1 brief. 2.6. Met datum 23 mei 2024 heeft de inspecteur een handhaving afwijking aangifte naar eiser gestuurd. Hij geeft hierin aan de aanslag vast te stellen in overeenstemming met de brief met daarin het voornemen om af te wijken van de aangifte (2.4.). 2.7. De inspecteur heeft met datum 14 juni 2024 de aanslag IB/PVV 2022 vastgesteld. Hierbij heeft de inspecteur de aanslag in overeenstemming met de brief met daarin het voornemen om af te wijken van de aangifte vastgesteld naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.493. 2.8. Eiser heeft op 26 juli 2024 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2022. Het bezwaar is op dezelfde dag ontvangen door de inspecteur. 2.9. De inspecteur heeft per brief van 1 augustus 2024 de reguliere termijn om te beslissen op het bezwaar eenzijdig verdaagd met zes weken, tot 18 oktober 2024. 2.10. Op 26 juli 2024 heeft de inspecteur een ingebrekestelling ontvangen. Op het formulier Dwangsom Bij niet tijdig beslissen heeft eiser het volgende ingevuld: “ Meerdere: d.d. 15-3-2024 verzonden, d.d. 17-3-2024 door de inspecteur ontvangen d.d. 19 maart 2024. 1. bezwaren tegen vooringenomen afwijken van de aangifte de IBaangifte 2022 was van d.d. 30-4-2023 de vooringenomen afwijken namens de inspecteur was bijna een jaar nadien: van d.d. 13-02-2024, het bezwaarschrift is door de inspecteur onvangen d.d. 19-3-2024 (post-NL); 2. Het bezwaarschrifte bevat ook een expliciet verzoekschrift aan de inspecteur een beslissing te nemen nl een beslissing te nemen omtrent de teruggave (dubbele) afdracht ZvW 2022. Die beslistermijn is anders nl 8 weken na d.d. 19-3 ” 2.11. Op 25 september 2024 heeft de inspecteur aan eiser zijn voorgenomen beslissing op het bezwaar tegen de aanslag gestuurd. 2.12. De inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2024 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 2.13. Eiser heeft op de zitting een e-mail van zijn werkgever van 26 juli 2022 overgelegd. Hierin staat – voor zover hier van belang – het volgende: “ Hi [functie] toppers, Binnen Maandag hanteren wij de regel dat bij professionals die bij ons in dienst zijn, maar die nog in opleiding zijn tot [functie] ieder jaar een nieuw bewijs van inschrijving moet aanleveren. Dit hoeft niet moeilijk te zijn, want een screenshot van studielink met daarin de inschrijving is voor ons voldoende. Ik zie dit bewijs van inschrijving het liefst z.s.m. tegemoet ” Beoordeling door de rechtbank Beoordeling 3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag IB/PVV 2022 tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Specifiek is in geschil of de inspecteur terecht geen negatief loon in aftrek heeft toegestaan. Verder beoordeelt de rechtbank of eiser recht heeft op een dwangsom in de zin van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en of hij recht heeft op een vergoeding van immateriële schade. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de aanslag IB/PVV 2022 tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat eiser geen recht heeft op een dwangsom en ook niet op een vergoeding van immateriële schade . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben. Schending hoorplicht 5. Tussen partijen is niet in geschil dat de hoorplicht is geschonden. 6. Vervolgens moet de vraag beantwoord worden welke gevolgen de schending van de hoorplicht heeft. De rechtbank kan oordelen dat aan die schending voorbij wordt gegaan als eiser daardoor niet in zijn belangen zou zijn geschaad. Vanwege de wezenlijke betekenis die het horen voor de bezwaarprocedure heeft, is daarvan niet snel sprake. De rechtbank stelt vast dat partijen op inhoudelijke gronden van mening verschillen over de hoogte van de aanslag IB/PVV 2022. Aan de schending van de hoorplicht kan in dit geval dan ook niet worden voorbijgegaan. 7. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de rechtbank de zaak zal terugwijzen of zelf in de zaak zal voorzien. In zijn verweerschrift heeft de inspecteur aan de rechter verzocht om zelf in de zaak te voorzien, en dus niet terug te wijzen. Op de zitting heeft eiser hiermee ingestemd. De rechtbank zal daarom zelf in de zaak voorzien en het beroep ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2022 inhoudelijk behandelen. Omdat de hoorplicht is geschonden, zal de rechtbank het beroep hoe dan ook wel gegrond verklaren. Is de aanslag IB/PVV 2022 tot het juiste bedrag vastgesteld? 8.
Volledig
Eiser is van mening dat het door hem in de aangifte opgegeven negatieve bedrag kwalificeert als negatief loon. Eiser voert aan dat zijn werkgever verplicht stelt dat hij ingeschreven staat bij een [functie] , omdat hij zijn onderwijsbevoegdheid nog niet heeft behaald. De betaling van € 3.100 is volgens eiser inschrijvingsgeld voor de [functie] . Volgens eiser hebben de kosten daarom betrekking op zijn dienstverband (als [functie] ). Het maakt daarbij volgens hem niet uit dat hij de bedragen aan [school] betaalt en niet aan zijn werkgever zelf. 9. De inspecteur stelt dat er geen sprake is van negatief loon. Op de zitting heeft hij toegelicht dat de kosten in zijn ogen privé kosten zijn voor een studie en dus niet voortkomen uit de dienstbetrekking. 10. In de Wet inkomstenbelasting 2001 is bepaald dat het begrip loon wordt uitgelegd volgens de wettelijke bepalingen van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB). Artikel 10 van de Wet LB definieert loon als al wat uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking. Het begrip loon omvat zowel positief als negatief loon. 11. De rechtbank overweegt dat voor de kwalificatie als (negatief) loon een causaal verband vereist is tussen een (terug)betaling en de dienstbetrekking. Er is sprake van een dergelijk causaal verband indien de (terug)betalingen zozeer hun grond vinden in de dienstbetrekking, dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt. Op eiser rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat is sprake is van negatief loon. 12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er een dusdanig sterk causaal verband bestaat tussen de betalingen aan de [school] en zijn dienstbetrekking. Eiser heeft deze betalingen gedaan om een studie te volgen (2.2.). De betalingen vinden in rechtstreekse zin dus hun grond in de door eiser gevolgde studie en niet in de dienstbetrekking. Eiser heeft ook geen bewijs aangevoerd waaruit volgt dat de last voor de studiekosten direct is terug te voeren op een harde afspraak uit zijn arbeidsovereenkomst, of anderszins is ingebed in een arbeidsvoorwaardenregeling uit of op grond van die arbeidsovereenkomst. De e-mail die eiser heeft overgelegd (2.13.) is onvoldoende om aan te tonen dat de betaling van het inschrijvingsgeld zozeer zijn grond vindt in de dienstbetrekking. Uit deze mail volgt namelijk niet dat eiser op grond van een arbeidsvoorwaardenregeling of een arbeidsovereenkomst verplicht is om het inschrijvingsgeld te betalen. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de kosten als ‘uit’ de dienstbetrekking verschuldigd moeten worden aangemerkt. 13. De rechtbank overweegt dat gelet op de aard van de betalingen (scholingskosten), het hier gaat om kosten die strekken tot verwerving, inning en behoud van loon. Onder de Wet IB 2001 zijn deze kosten als zodanig niet aftrekbaar. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 augustus 2007 ook geoordeeld dit soort kosten (kosten ter verwerving, inning of behoud van loon) niet kunnen worden aangemerkt als negatief loon. 14. Gelet op dat wat de rechtbank in 12. en 13. heeft overwogen heeft de inspecteur de kosten terecht niet in aftrek toegestaan als negatief loon in de aanslag IB/PVV 2022. Heeft eiser recht op een dwangsom? 15. Eiser voert aan dat hij op 15 maart 2024 bezwaar heeft gemaakt waarop volgens hem niet tijdig is beslist door de inspecteur. Op 26 juli 2024 heeft eiser de inspecteur in gebreke gesteld en de inspecteur heeft niet binnen de gestelde termijn van 14 dagen alsnog beslist. Eiser is daarom van mening dat hij recht heeft op een dwangsom. 16. De inspecteur stelt dat eiser geen recht heeft op een dwangsom, omdat het bezwaar van eiser niet kan worden aangemerkt als een rechtsgeldig ingediend bezwaar. Omdat er geen sprake was van een bezwaarprocedure kan de inspecteur ook niet in gebreke gesteld worden en is er daarom geen dwangsom verschuldigd. 17. De rechtbank overweegt dat de dwangsomregeling pas aan de orde kan komen indien er sprake is van een beschikking op aanvraag. Onder een beschikking wordt verstaan, een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan. Onder besluit wordt een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijk rechtshandeling verstaan. Er is sprake van een aanvraag als een belanghebbende verzoekt een besluit te nemen. 18. Op 15 maart 2024 (2.5.) heeft eiser gereageerd op de brief met daarin het voornemen om af te wijken van de aangifte met datum 13 februari 2024. De brief met datum 13 februari 2024 (2.4.) is geen beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De inspecteur heeft met dit voornemen namelijk nog geen (definitieve) beslissingen genomen waar rechtsgevolgen uit volgen, maar enkel het voornemen om af te wijken van de aangifte kenbaar gemaakt. Er heeft dus nog geen publiekrechtelijke rechtshandeling plaatsgevonden, terwijl dit wel noodzakelijk is om de dwangsomregeling van toepassing te laten zijn (10.). De dwangsomregeling is in dit geval daarom niet van toepassing. Eiser heeft daarom geen recht op een dwangsom. 18. Voor zover eiser op de zitting de stelling heeft ingenomen dat de brief van 15 maart 2024 ook een bezwaar was tegen de handhavingsbrief van 23 mei 2024 (2.6.), volgt de rechtbank eiser daar niet in. Uit de brief van 15 maart 2024 (2.5.) en de ingebrekestelling (2.10) volgt duidelijk dat deze zien op de brief met daarin het voornemen om af te wijken van de aangifte IB/PVV 2022 (2.4.) en niet op de handhavingsbrief van 23 mei 2024. Dit standpunt van eiser mist daarom feitelijke grondslag. 20. Zelfs als de ingebrekestelling zou moeten worden opgevat als een ingebrekestelling vanwege het uitblijven van een uitspraak op bezwaar, kan dat eiser niet baten. In de eerste plaats zou die prematuur zijn, dat wil zeggen: te vroeg ingediend. De beslistermijn was immers nog (lang) niet verstreken toen de ingebrekestelling binnenkwam. Uit de stukken volgt verder dat het bezwaar van eiser tegen de aanslag is ontvangen op 26 juli 2024 (2.8.). Dit was ook de laatste dag van de bezwaartermijn, de beslistermijn is daarom op 27 juli 2024 gaan lopen. De inspecteur heeft de beslistermijn eenzijdig verdaagd (zie 2.9). De wettelijke beslistermijn verliep daarom op 18 oktober 2024 en op diezelfde datum heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. De inspecteur heeft dus binnen de (verlengde) beslistermijn beslist. Ook gelet hierop heeft eiser dus geen recht op een dwangsom. 21. De rechtbank wijst het verzoek om een dwangsom af. Heeft eiser recht op immateriële schadevergoeding (ISV)? 22. Eiser heeft een verzoek gedaan tot vergoeding van immateriële schade wegens langdurige onzekerheid, spanning en frustratie die rechtstreeks voortvloeit uit het handelen van de inspecteur. Volgens vaste rechtspraak geldt voor een uitspraak in eerste aanleg dat deze niet binnen een redelijke termijn is gedaan als de rechtbank niet binnen twee jaar na aanvang van die termijn uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn begint op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift en eindigt op de dag van de uitspraak in het beroep. Zoals hiervoor is overwogen, is eiser op 26 juli 2024 (rechtsgeldig) in bezwaar gekomen tegen de aanslag (2.8). Op de dag van deze uitspraak is de redelijke termijn van twee jaar nog niet overschreden. De rechtbank oordeelt dan ook dat eiser geen recht heeft op ISV. De rechtbank wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af. Conclusie en gevolgen 23. Het beroep is gegrond omdat de hoorplicht is geschonden. De aanslag klopt inhoudelijk echter wel. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar daarom in stand. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2022 in stand blijft. 23.1. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur wel het griffierecht en de proceskosten aan eiser vergoeden. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 14,20 (reiskosten op basis van tarief openbaar vervoer, tweede klas, retour, [traject]).
Volledig
Eiser is van mening dat het door hem in de aangifte opgegeven negatieve bedrag kwalificeert als negatief loon. Eiser voert aan dat zijn werkgever verplicht stelt dat hij ingeschreven staat bij een [functie] , omdat hij zijn onderwijsbevoegdheid nog niet heeft behaald. De betaling van € 3.100 is volgens eiser inschrijvingsgeld voor de [functie] . Volgens eiser hebben de kosten daarom betrekking op zijn dienstverband (als [functie] ). Het maakt daarbij volgens hem niet uit dat hij de bedragen aan [school] betaalt en niet aan zijn werkgever zelf. 9. De inspecteur stelt dat er geen sprake is van negatief loon. Op de zitting heeft hij toegelicht dat de kosten in zijn ogen privé kosten zijn voor een studie en dus niet voortkomen uit de dienstbetrekking. 10. In de Wet inkomstenbelasting 2001 is bepaald dat het begrip loon wordt uitgelegd volgens de wettelijke bepalingen van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB). Artikel 10 van de Wet LB definieert loon als al wat uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking. Het begrip loon omvat zowel positief als negatief loon. 11. De rechtbank overweegt dat voor de kwalificatie als (negatief) loon een causaal verband vereist is tussen een (terug)betaling en de dienstbetrekking. Er is sprake van een dergelijk causaal verband indien de (terug)betalingen zozeer hun grond vinden in de dienstbetrekking, dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt. Op eiser rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat is sprake is van negatief loon. 12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er een dusdanig sterk causaal verband bestaat tussen de betalingen aan de [school] en zijn dienstbetrekking. Eiser heeft deze betalingen gedaan om een studie te volgen (2.2.). De betalingen vinden in rechtstreekse zin dus hun grond in de door eiser gevolgde studie en niet in de dienstbetrekking. Eiser heeft ook geen bewijs aangevoerd waaruit volgt dat de last voor de studiekosten direct is terug te voeren op een harde afspraak uit zijn arbeidsovereenkomst, of anderszins is ingebed in een arbeidsvoorwaardenregeling uit of op grond van die arbeidsovereenkomst. De e-mail die eiser heeft overgelegd (2.13.) is onvoldoende om aan te tonen dat de betaling van het inschrijvingsgeld zozeer zijn grond vindt in de dienstbetrekking. Uit deze mail volgt namelijk niet dat eiser op grond van een arbeidsvoorwaardenregeling of een arbeidsovereenkomst verplicht is om het inschrijvingsgeld te betalen. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de kosten als ‘uit’ de dienstbetrekking verschuldigd moeten worden aangemerkt. 13. De rechtbank overweegt dat gelet op de aard van de betalingen (scholingskosten), het hier gaat om kosten die strekken tot verwerving, inning en behoud van loon. Onder de Wet IB 2001 zijn deze kosten als zodanig niet aftrekbaar. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 augustus 2007 ook geoordeeld dit soort kosten (kosten ter verwerving, inning of behoud van loon) niet kunnen worden aangemerkt als negatief loon. 14. Gelet op dat wat de rechtbank in 12. en 13. heeft overwogen heeft de inspecteur de kosten terecht niet in aftrek toegestaan als negatief loon in de aanslag IB/PVV 2022. Heeft eiser recht op een dwangsom? 15. Eiser voert aan dat hij op 15 maart 2024 bezwaar heeft gemaakt waarop volgens hem niet tijdig is beslist door de inspecteur. Op 26 juli 2024 heeft eiser de inspecteur in gebreke gesteld en de inspecteur heeft niet binnen de gestelde termijn van 14 dagen alsnog beslist. Eiser is daarom van mening dat hij recht heeft op een dwangsom. 16. De inspecteur stelt dat eiser geen recht heeft op een dwangsom, omdat het bezwaar van eiser niet kan worden aangemerkt als een rechtsgeldig ingediend bezwaar. Omdat er geen sprake was van een bezwaarprocedure kan de inspecteur ook niet in gebreke gesteld worden en is er daarom geen dwangsom verschuldigd. 17. De rechtbank overweegt dat de dwangsomregeling pas aan de orde kan komen indien er sprake is van een beschikking op aanvraag. Onder een beschikking wordt verstaan, een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan. Onder besluit wordt een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijk rechtshandeling verstaan. Er is sprake van een aanvraag als een belanghebbende verzoekt een besluit te nemen. 18. Op 15 maart 2024 (2.5.) heeft eiser gereageerd op de brief met daarin het voornemen om af te wijken van de aangifte met datum 13 februari 2024. De brief met datum 13 februari 2024 (2.4.) is geen beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De inspecteur heeft met dit voornemen namelijk nog geen (definitieve) beslissingen genomen waar rechtsgevolgen uit volgen, maar enkel het voornemen om af te wijken van de aangifte kenbaar gemaakt. Er heeft dus nog geen publiekrechtelijke rechtshandeling plaatsgevonden, terwijl dit wel noodzakelijk is om de dwangsomregeling van toepassing te laten zijn (10.). De dwangsomregeling is in dit geval daarom niet van toepassing. Eiser heeft daarom geen recht op een dwangsom. 18. Voor zover eiser op de zitting de stelling heeft ingenomen dat de brief van 15 maart 2024 ook een bezwaar was tegen de handhavingsbrief van 23 mei 2024 (2.6.), volgt de rechtbank eiser daar niet in. Uit de brief van 15 maart 2024 (2.5.) en de ingebrekestelling (2.10) volgt duidelijk dat deze zien op de brief met daarin het voornemen om af te wijken van de aangifte IB/PVV 2022 (2.4.) en niet op de handhavingsbrief van 23 mei 2024. Dit standpunt van eiser mist daarom feitelijke grondslag. 20. Zelfs als de ingebrekestelling zou moeten worden opgevat als een ingebrekestelling vanwege het uitblijven van een uitspraak op bezwaar, kan dat eiser niet baten. In de eerste plaats zou die prematuur zijn, dat wil zeggen: te vroeg ingediend. De beslistermijn was immers nog (lang) niet verstreken toen de ingebrekestelling binnenkwam. Uit de stukken volgt verder dat het bezwaar van eiser tegen de aanslag is ontvangen op 26 juli 2024 (2.8.). Dit was ook de laatste dag van de bezwaartermijn, de beslistermijn is daarom op 27 juli 2024 gaan lopen. De inspecteur heeft de beslistermijn eenzijdig verdaagd (zie 2.9). De wettelijke beslistermijn verliep daarom op 18 oktober 2024 en op diezelfde datum heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. De inspecteur heeft dus binnen de (verlengde) beslistermijn beslist. Ook gelet hierop heeft eiser dus geen recht op een dwangsom. 21. De rechtbank wijst het verzoek om een dwangsom af. Heeft eiser recht op immateriële schadevergoeding (ISV)? 22. Eiser heeft een verzoek gedaan tot vergoeding van immateriële schade wegens langdurige onzekerheid, spanning en frustratie die rechtstreeks voortvloeit uit het handelen van de inspecteur. Volgens vaste rechtspraak geldt voor een uitspraak in eerste aanleg dat deze niet binnen een redelijke termijn is gedaan als de rechtbank niet binnen twee jaar na aanvang van die termijn uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn begint op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift en eindigt op de dag van de uitspraak in het beroep. Zoals hiervoor is overwogen, is eiser op 26 juli 2024 (rechtsgeldig) in bezwaar gekomen tegen de aanslag (2.8). Op de dag van deze uitspraak is de redelijke termijn van twee jaar nog niet overschreden. De rechtbank oordeelt dan ook dat eiser geen recht heeft op ISV. De rechtbank wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af. Conclusie en gevolgen 23. Het beroep is gegrond omdat de hoorplicht is geschonden. De aanslag klopt inhoudelijk echter wel. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar daarom in stand. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2022 in stand blijft. 23.1. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur wel het griffierecht en de proceskosten aan eiser vergoeden. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 14,20 (reiskosten op basis van tarief openbaar vervoer, tweede klas, retour, [traject]).