Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-01-22
ECLI:NL:RBNNE:2026:138
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,167 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:138 text/xml public 2026-02-12T10:03:54 2026-01-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-01-22 24/2447 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Leeuwarden Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2026/248 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:138 text/html public 2026-02-10T12:46:57 2026-02-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:138 Rechtbank Noord-Nederland , 22-01-2026 / 24/2447 WOZ/OZB. NSW-uitzondering en bestemmingswaarde zijn van toepassing. De rechter is niet gebonden aan de NSW-beschikking voor de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 (Rangschikkingsbesluit). De rechter moet zelfstandig een oordeel geven over de feitelijke situatie op de waardepeildatum. Tussen partijen is niet in geschil dat feitelijk aan de voorwaarden van artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit wordt voldaan. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Leeuwarden Bestuursrecht zaaknummers: LEE 24/2447 en 24/2451 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 januari 2026 in de zaken tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (zaaknummer 24/2447) en [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (zaaknummer 24/2451), hierna gezamenlijk te noemen: eisers en de heffingsambtenaar van de gemeente De Fryske Marren, de heffingsambtenaar (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar met dagtekening 9 april 2024. Zaak 24/2447 1.1. Bij besluit van 31 januari 2023 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] (het natuurterrein), per 1 januari 2022 (de waardepeildatum), voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 132.000. Met deze waardevaststelling zijn aan eiser ook de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen (OZB) voor het jaar 2023 opgelegd, bestaande uit een eigenaarsdeel niet-woning (€ 354) en een gebruikersdeel niet-woning (€ 266). Zaak 24/2451 1.2. Bij besluit van 31 januari 2023 heeft de heffingsambtenaar de waardes van de volgende onroerende zaken in [plaats] op de waardepeildatum voor het belastingjaar 2023 als volgt vastgesteld (hierna tezamen met de in 1.1 bedoelde waardevaststelling: de WOZ-beschikkingen). Met deze waardevaststellingen zijn aan eiseres ook de volgende aanslagen OZB voor het jaar 2023 opgelegd: Onroerende zaak WOZ-waarde Aanslag OZB eigenaarsdeel [adres 1] (woning 1) € 503.000 € 461 [adres 2] (woning 2) € 526.000 € 482 Beide zaaknummers 1.3. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de beschikte waardes en de aanslagen OZB gehandhaafd. 1.4. De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 1.5. Eisers hebben vóór de zitting een nader stuk ingediend. 1.6. De rechtbank heeft de beroepen op 21 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door mr. A.J. van Griethuysen. 1.7. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat tegelijk met deze uitspraak aan partijen wordt toegezonden. 1.8. Eisers hebben na de sluiting van het onderzoek, op 21 november 2025, een nader stuk ingediend. Voor zover eisers hiermee hebben willen verzoeken om heropening van het onderzoek, wijst de rechtbank dit verzoek af. De rechtbank heeft in het nadere stuk geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek volledig geweest. Het nader ingediende stuk blijft daarom buiten beschouwing. 1.9. De griffier heeft het stuk van 21 november 2025 niet verzonden aan de heffingsambtenaar. Gelet op de eisen van een goede procesorde en op artikel 2.16, vierde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken zal het stuk van 21 november samen met deze uitspraak alsnog aan de heffingsambtenaar worden toegezonden. Feiten 2. Eisers zijn gezamenlijk eigenaar van de onroerende zaken gelegen in [plaats] , bestaande uit het natuurterrein, woning 1 en woning 2 (de onroerende zaken). 2.1. In een beschikking van 5 maart 2010 (de NSW-beschikking) hebben de toenmalige minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister) en de Staatssecretaris van Financiën het landgoed “ [naam landgoed] ” (het landgoed) per 8 januari 2010 aangemerkt als een landgoed in de zin van de Natuurschoonwet 1928 (de NSW). De bepalingen uit de NSW-beschikking luiden, voor zover hier van belang: “BESLUITEN 1. aan te merken als een landgoed als bedoeld in artikel 1 van de Natuurschoonwet 1928, het landgoed “ [naam landgoed] ”, bestaande uit de volgende percelen, in eigendom toebehorende aan: Mevrouw [eiseres] , voornoemd: kadastraal bekend gemeente Balk, Sectie [sectie] , nrs. [nummer ] . (± 0.15.00 ha) en [nummer ] , ter gezamenlijke grootte van ± 0.95.00 ha; Mevrouw [eiseres] en de heer [eiser] , beiden voornoemd, ieder voor de onverdeelde helft: kadastraal bekend gemeente Balk, sectie [sectie] , nrs. [nummer ] , [nummer ] en [nummer ] , ter gezamenlijke grootte van 4.42.60 ha; (…) 5. te verklaren dat het landgoed niet voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 220d lid 1 onderdeel d van de Gemeentewet jo. artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, wat betekent dat het landgoed niet voor ten minste 30 percent van de oppervlakte is bezet met houtopstanden, of anderszins dat de oppervlakte van het landgoed niet voor ten minste 20 percent met houtopstanden is bezet waarbij de oppervlakte voorts voor ten minste 50 percent bestaat uit natuurterreinen; (…)” Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt de juistheid van de WOZ-beschikkingen en de aanslagen OZB. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. 4. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de WOZ-beschikkingen en de aanslagen OZB op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Vooraf Ontvankelijkheid 5. De heffingsambtenaar stelt in zijn verweerschrift dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn en verwijst in dit kader naar de verzenddatum van de uitspraken op bezwaar van 5 maart 2024. 6. De rechtbank overweegt dat de uitspraken op bezwaar zijn gedagtekend op 9 april 2024 en dat het beroepschrift door de rechtbank is ontvangen op 16 mei 2024. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking. Een beroepschrift is tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat de beroepstermijn op 10 april 2024 is aangevangen. De rechtbank concludeert dat het beroepschrift binnen de termijn van zes weken is ontvangen. De beroepen zijn daarom ontvankelijk. Schending hoorplicht 7. Eisers hebben in beroep erover geklaagd dat zij bij de heffingsambtenaar steeds zonder succes hebben aangedrongen op een mondeling overleg. De rechtbank vat deze klacht op als een beroep op schending van de hoorplicht in de bezwaarfase. De heffingsambtenaar heeft daartegenover gesteld dat in de bezwaarfase niet is verzocht om een hoorgesprek. Volgens de heffingsambtenaar is de hoorplicht dus niet geschonden. 8. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 7:2, eerste lid, van de Awb volgt dat een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbende in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Uit artikel 25, eerste lid, van de AWR vloeit voort dat een belanghebbende moet vragen om te worden gehoord. 9. Eisers hebben tijdens de bezwaarfase, bij brief van 10 februari 2024, het volgende aan de heffingsambtenaar geschreven: “ In uw brief van 6 februari j.l. verzocht u om aanvullend bewijs waarom ons NSW landgoed (…) voldoet aan criteria voor vrijstelling OZB. (…) Een mondeling overleg is waarschijnlijk effectiever en kan eventuele verdere bezwaar- en beroep-procedures voorkomen.
Volledig
(…) Een mondeling overleg hierover stel ik ten zeerste op prijs om mijn bezwaren toe te lichten en documenten te kunnen overleggen. ” 10. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit bericht van eisers niet anders worden gelezen dan als een verzoek om te worden gehoord. De rechtbank leidt uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting af dat eisers niet zijn uitgenodigd voor een hoorgesprek. De heffingsambtenaar heeft derhalve de hoorplicht geschonden. 11. Omdat eisers de rechtbank hebben verzocht terugwijzing achterwege te laten, zal de rechtbank hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Standpunten van partijen over de waarde 12. Eisers zijn van mening dat de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaken te hoog heeft vastgesteld. Hiertoe voeren zij aan dat sprake is van een onder de NSW gerangschikt landgoed dat al sinds 1 mei 2011 voldoet aan de voorwaarden van artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 (het Rangschikkingsbesluit). Het ongebouwde deel van het landgoed moet daarom buiten aanmerking worden gelaten bij de waardering in het kader van de Wet WOZ en voor de heffingsmaatstaf van de OZB en de woningen moeten daarom worden gewaardeerd op de zogenoemde bestemmingswaarde, aldus eisers. 13. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat hij de waarde van de onroerende zaken niet te hoog heeft vastgesteld en dat de NSW-uitzondering en de bestemmingswaarde niet van toepassing zijn. Hiertoe voert hij aan dat in de NSWbeschikking is vermeld dat niet wordt voldaan aan de vereisten van artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit. De heffingsambtenaar is van mening dat de rechtbank de inhoud van de NSW-beschikking moet volgen en niet mag beoordelen of feitelijk aan de vereisten van artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit wordt voldaan, omdat de NSW-beschikking een door de minister afgegeven beschikking betreft die onherroepelijk is komen vast te staan. Eisers hadden een verzoek tot wijziging van de NSW-beschikking moeten indienen dan wel een nieuw verzoek moeten doen, aldus de heffingsambtenaar. Juridisch kader 14. Artikel 17 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) luidt, voor zover hier van belang: “ 2. De waarde wordt bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. (…) “5. In afwijking in zoverre van het tweede lid wordt de waarde van een gebouwd eigendom dat tot woning dient en deel uitmaakt van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de in artikel 220d, eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet bedoelde voorwaarden bepaald met inachtneming van een vooronderstelde verplichting om het gedurende een tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te houden en geen opgaand hout te vellen anders dan volgens de regels van normaal bosbeheer noodzakelijk of gebruikelijk is. (…)” 14.1. Artikel 18 van de Wet WOZ luidt, voor zover hier van belang: “ 4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ingevolge welke bij de waardebepaling buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van onroerende zaken of onderdelen daarvan, indien die waarde geen onderdeel uitmaakt van de grondslag van de belastingen. ” 14.2. Aan artikel 18, vierde lid, van de Wet WOZ is onder meer uitvoering gegeven in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken (de Uitvoeringsregeling). Laatstgenoemde bepaling (de NSW-uitzondering) is inhoudelijk gelijk aan artikel 220d, eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet en luidt, voor zover hier van belang: “ 1. Bij de bepaling van de waarde wordt buiten aanmerking gelaten de waarde van: (…) b. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; (…)” 14.3. Artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit luidt: “ De voorwaarden, bedoeld in artikel 220d, eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet, zijn: a. ten minste 30 percent van de oppervlakte van het landgoed is bezet met houtopstanden; of b. de oppervlakte van het landgoed is voor ten minste 20 percent met houtopstanden bezet waarbij de oppervlakte voorts voor ten minste 50 percent bestaat uit natuurterreinen. ” Wetstoepassing NSW-uitzondering WOZ en OZB 15. De rechtbank overweegt dat er voor de toepassing van de NSW-uitzondering aan twee voorwaarden moet worden voldaan: de onroerende zaken maken deel uit van een landgoed dat is aangewezen op grond van de NSW (voorwaarde 1), en het landgoed voldoet aan de voorwaarden van artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit (voorwaarde 2). 16. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de onroerende zaken deel uitmaken van het landgoed en dat er een NSW-beschikking is afgegeven waaruit volgt dat het landgoed met ingang van 8 januari 2010 is aangewezen als landgoed in de zin van de NSW. Aan voorwaarde 1 is dus voldaan. 17. Zoals de heffingsambtenaar op de zitting heeft verklaard, is evenmin in geschil dat het landgoed op de waardepeildatum feitelijk voor ten minste 50 percent bestaat uit natuurterreinen en voor ten minste 20 percent bezet is met houtopstanden. Het geschil beperkt zich tot de vraag of de rechtbank die feitelijke situatie bij haar beoordeling mag betrekken, dan wel of zij gebonden is aan punt 5 van de NSW-beschikking (zie 2.1.). 18. De rechtbank is van oordeel dat zij bij een geschil over de toepassing van de NSW-uitzondering, niet gebonden is aan de NSW-beschikking voor de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit. De rechtbank moet zelfstandig een oordeel geven over de feitelijke situatie op de waardepeildatum. De rechtbank motiveert dat oordeel als volgt. 19. Artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit is ingevoerd in verband met een wijziging van de NSW waarbij de mogelijkheden om een landgoed te doen rangschikken onder de NSW werden uitgebreid. Het werd niet wenselijk geacht dat die uitbreiding ook zou doorwerken naar de NSW-vrijstelling voor de OZB. Met de invoering van artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit is dan ook beoogd te bewerkstelligen dat niet langer elk landgoed in de zin van de NSW ook automatisch kwalificeert als landgoed voor gemeentelijke, fiscale doeleinden. Daarvoor gelden sindsdien aanvullende voorwaarden en in zoverre is de toepassing van de NSW-uitzondering los komen te staan van de rangschikking. De rangschikking zélf van een landgoed onder de NSW staat weliswaar nog altijd niet ter beoordeling van de belastingrechter , maar dat hangt samen met de bevoegdheid op grond van artikel 2 van de NSW van de ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Financiën om bij beschikking over die rangschikking te beslissen. Geen wettelijke bepaling geeft deze ministers de bevoegdheid eveneens te beslissen over de vraag of wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit. Die bevoegdheid ligt bij de heffingsambtenaar en, zo nodig, de belastingrechter. 20. Gelet op het voorgaande wordt ook aan voorwaarde 2. voldaan. Dat betekent dat de NSW-uitzondering van toepassing is. Het gevolg daarvan is dat het ongebouwde deel van de onroerende zaken buiten aanmerking gelaten dient te worden bij de WOZ-waardering en voor de heffingsmaatstaf van de OZB. Bestemmingswaarde 21. Gelet op wat hiervoor is overwogen over de NSW-uitzondering, is ook aan de voorwaarden voor toepassing van het waarderingsvoorschrift van artikel 17, vijfde lid, van de Wet WOZ voldaan. Dat geldt zowel voor woning 1 als voor woning 2, omdat niet in geschil is dat beide onroerende zaken gebouwde eigendommen zijn die tot woning dienen. Gevolgen voor de WOZ-beschikkingen en de aanslagen OZB Zaak 24/2447 22. Tussen partijen is niet in geschil dat het natuurterrein een geheel ongebouwde onroerende zaak is.
Volledig
Toepassing van de NSW-uitzondering brengt dan mee dat de waarde van het natuurterrein op nihil moet worden gesteld. De verschuldigde OZB moet dienovereenkomstig worden verminderd. Zaak 24/2451 23. De heffingsambtenaar heeft de woningen ten onrechte niet op de bestemmingswaarde gewaardeerd. Voor zover bij de woningen ongebouwde grond behoort, heeft de heffingsambtenaar bovendien ten onrechte geen rekening gehouden met de NSW-uitzondering. Hij heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij de waardes van de woningen niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Eisers stellen weliswaar dat de WOZ-waardes van de woningen vastgesteld dienen te worden aan de hand van de bestemmingswaarde, maar hebben geen concrete waardes genoemd die zij voorstaan. 24. Omdat geen van beide partijen naar het oordeel van de rechtbank er in is geslaagd de waarde van de woningen aannemelijk te maken, bepaalt de rechtbank de waarde van woning 1 in goede justitie op € 195.000 en de waarde van woning 2 op € 295.000. De verschuldigde OZB moet dienovereenkomstig worden verminderd. Anders dan de heffingsambtenaar ziet de rechtbank geen aanleiding om de WOZ-beschikkingen te vernietigen zodat de heffingsambtenaar tot een nieuwe waardering kan komen. Conclusie en gevolgen Zaak 24/2447 25. Het beroep is gegrond. De vastgestelde waarde van het natuurterrein wordt verlaagd tot nihil en de aanslagen OZB worden dienovereenkomstig verminderd. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft op de zitting verklaard geen aanspraak te maken op een vergoeding van proceskosten. Zaak 24/2451 26. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de waarde van woning 1 wordt verlaagd tot het bedrag van € 195.000, de waarde van woning 2 wordt verlaagd tot het bedrag van € 295.000 en de aanslagen OZB dienovereenkomstig worden verminderd. In deze zaak is van eiseres geen griffierecht geheven. Ook eiseres heeft op de zitting verklaard af te zien van een vergoeding van proceskosten. Beslissing Zaak 24/2447 De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van het natuurterrein tot nihil; - vermindert de aanslagen OZB dienovereenkomstig; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraken op bezwaar; - bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan eiser moet vergoeden. Zaak 24/2451 De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van woning 1 tot een bedrag van € 195.000; - vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van woning 2 tot een bedrag van € 295.000; - vermindert de voor de woningen opgelegde aanslagen OZB dienovereenkomstig; en - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraken op bezwaar. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.T.M. Hennevelt, rechter, in aanwezigheid van mr.E.M. Antonescu, griffier. griffier rechter Uitgesproken op 22 januari 2026. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:7 van de Awb. Artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb. Zie artikel 30, eerste lid, van de Wet WOZ en artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet. Kamerstukken II 1999/2000, 27030, nr. 3, blz. 35. Hoge Raad 3 februari 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3755 en Hoge Raad 7 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5363.