Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-03-27
ECLI:NL:RBNNE:2026:1309
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Mondelinge uitspraak
3,069 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1309 text/xml public 2026-05-19T08:54:10 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-27 11810550 BU VERZ 25-1599 Uitspraak Mondelinge uitspraak NL Groningen Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1309 text/html public 2026-05-19T08:53:29 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1309 Rechtbank Noord-Nederland , 27-03-2026 / 11810550 BU VERZ 25-1599 Wahv. De kantonrechter ziet geen redenen om aan de verklaring van de verbalisanten te twijfelen. De door betrokkene overgelegde telefoongegevens zeggen niets, omdat het al verboden is om een telefoon in de hand te hebben, ook als je er niet mee belt. Betrokkene stelt verder dat zijn auto thuis voor de deur stond en dat hij lag te slapen. Maar daarvan heeft hij geen enkel bewijs ingestuurd: van hem had mogen worden verwacht dat hij op zijn minst van de betrokken personen getuigenverklaringen had overgelegd. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht beschikkingsnummer: 270067119 zaaknummer: 11810550 BU VERZ 25-1599 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 27 maart 2026 in de zaak van [betrokkene] (de betrokkene), die woont in [woonplaats] . Inleiding 1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden’, verricht op 3 november 2024, om 00:46 uur, op [adres] ter hoogte van huisnummer [nummer] in Groningen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 429,00 (inclusief administratiekosten). 1.1. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. 1.2. De kantonrechter heeft het beroep op 27 maart 2026 op de zitting aan de orde gesteld. Betrokkene was er niet; de officier van justitie heeft zich niet laten vertegenwoordigen. 1.3. Vervolgens heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de kantonrechter Standpunten 2. Betrokkene stelt dat hij de overtreding niet heeft begaan. Zijn auto stond thuis voor de deur en hij en zijn vrouw lagen te slapen op het moment dat de gedraging werd vastgesteld. De buurman van betrokkene kan dit bevestigen omdat hij op diezelfde avond met de hond liep. Ook heeft betrokkene een totaaloverzicht van zijn gebruikte telefoontegoeden overgelegd. 3. Van de officier van justitie is over dit beroep geen standpunt bekend. Beslissing 4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. Overwegingen Is de termijnoverschrijding verschoonbaar? 5. De kantonrechter stelt vast dat het beroepschrift te laat is ingediend. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is zes weken. De termijn gaat in op de dag na de dag waarop de officier van justitie zijn beslissing heeft verstuurd. 6. Het beroepschrift is op 4 april 2025 bij de CVOM binnengekomen. Het beroepschrift had uiterlijk op 3 april 2025 ontvangen moeten zijn. 7. Betrokkene voert aan dat hij de brief op 21 februari 2025 heeft ontvangen waardoor hij het beroepschrift op tijd heeft ingediend. 8. Gelet op artikel 6:8 van de Awb is, anders dan betrokkene meent, de beroepstermijn niet pas gaan lopen vanaf de dag dat hij het besluit van de officier van justitie kreeg. Toch is de termijnoverschrijding zó gering (één dag), dat de kantonrechter daarover heen stapt. Hij zal het beroep daarom inhoudelijk behandelen. Kan de gedraging worden vastgesteld? 9. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel. 10. De verklaring van de verbalisanten luidt onder andere: “Wij, verbalisanten, zagen dat de bestuurder van het betrokken voertuig een telefoon in zijn rechterhand vasthield terwijl hij het voertuig bestuurde en langs ons reed. Wij hadden goed zicht in de auto. Wij stonden langs de weg en de bestuurder reed langzaam langs ons.” 11. De kantonrechter oordeelt dat de gedraging kan worden vastgesteld. Hij ziet geen redenen om aan de verklaring van de verbalisanten te twijfelen. De overgelegde telefoongegevens zeggen niets, omdat het al verboden is om een telefoon in de hand te hebben, ook als je er niet mee belt. Betrokkene stelt verder dat zijn auto thuis voor de deur stond en dat hij lag te slapen. Maar daarvan heeft hij geen enkel bewijs ingestuurd: van hem had mogen worden verwacht dat hij op zijn minst van de betrokken personen getuigenverklaringen had overgelegd. 12. Verder ziet de kantonrechter geen aanleiding om de boete te matigen of te vernietigen. Hij zal het beroep ongegrond verklaren. Conclusie De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond. Waarvan proces-verbaal, mr. A.G.Z. Lagerweij, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als: a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld. Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd. Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1309 text/xml public 2026-05-19T08:54:10 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-27 11810550 BU VERZ 25-1599 Uitspraak Mondelinge uitspraak NL Groningen Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1309 text/html public 2026-05-19T08:53:29 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1309 Rechtbank Noord-Nederland , 27-03-2026 / 11810550 BU VERZ 25-1599 Wahv. De kantonrechter ziet geen redenen om aan de verklaring van de verbalisanten te twijfelen. De door betrokkene overgelegde telefoongegevens zeggen niets, omdat het al verboden is om een telefoon in de hand te hebben, ook als je er niet mee belt. Betrokkene stelt verder dat zijn auto thuis voor de deur stond en dat hij lag te slapen. Maar daarvan heeft hij geen enkel bewijs ingestuurd: van hem had mogen worden verwacht dat hij op zijn minst van de betrokken personen getuigenverklaringen had overgelegd. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht beschikkingsnummer: 270067119 zaaknummer: 11810550 BU VERZ 25-1599 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 27 maart 2026 in de zaak van [betrokkene] (de betrokkene), die woont in [woonplaats] . Inleiding 1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden’, verricht op 3 november 2024, om 00:46 uur, op [adres] ter hoogte van huisnummer [nummer] in Groningen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 429,00 (inclusief administratiekosten). 1.1. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. 1.2. De kantonrechter heeft het beroep op 27 maart 2026 op de zitting aan de orde gesteld. Betrokkene was er niet; de officier van justitie heeft zich niet laten vertegenwoordigen. 1.3. Vervolgens heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de kantonrechter Standpunten 2. Betrokkene stelt dat hij de overtreding niet heeft begaan. Zijn auto stond thuis voor de deur en hij en zijn vrouw lagen te slapen op het moment dat de gedraging werd vastgesteld. De buurman van betrokkene kan dit bevestigen omdat hij op diezelfde avond met de hond liep. Ook heeft betrokkene een totaaloverzicht van zijn gebruikte telefoontegoeden overgelegd. 3. Van de officier van justitie is over dit beroep geen standpunt bekend. Beslissing 4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. Overwegingen Is de termijnoverschrijding verschoonbaar? 5. De kantonrechter stelt vast dat het beroepschrift te laat is ingediend. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is zes weken. De termijn gaat in op de dag na de dag waarop de officier van justitie zijn beslissing heeft verstuurd. 6. Het beroepschrift is op 4 april 2025 bij de CVOM binnengekomen. Het beroepschrift had uiterlijk op 3 april 2025 ontvangen moeten zijn. 7. Betrokkene voert aan dat hij de brief op 21 februari 2025 heeft ontvangen waardoor hij het beroepschrift op tijd heeft ingediend. 8. Gelet op artikel 6:8 van de Awb is, anders dan betrokkene meent, de beroepstermijn niet pas gaan lopen vanaf de dag dat hij het besluit van de officier van justitie kreeg. Toch is de termijnoverschrijding zó gering (één dag), dat de kantonrechter daarover heen stapt. Hij zal het beroep daarom inhoudelijk behandelen. Kan de gedraging worden vastgesteld? 9. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel. 10. De verklaring van de verbalisanten luidt onder andere: “Wij, verbalisanten, zagen dat de bestuurder van het betrokken voertuig een telefoon in zijn rechterhand vasthield terwijl hij het voertuig bestuurde en langs ons reed. Wij hadden goed zicht in de auto. Wij stonden langs de weg en de bestuurder reed langzaam langs ons.” 11. De kantonrechter oordeelt dat de gedraging kan worden vastgesteld. Hij ziet geen redenen om aan de verklaring van de verbalisanten te twijfelen. De overgelegde telefoongegevens zeggen niets, omdat het al verboden is om een telefoon in de hand te hebben, ook als je er niet mee belt. Betrokkene stelt verder dat zijn auto thuis voor de deur stond en dat hij lag te slapen. Maar daarvan heeft hij geen enkel bewijs ingestuurd: van hem had mogen worden verwacht dat hij op zijn minst van de betrokken personen getuigenverklaringen had overgelegd. 12. Verder ziet de kantonrechter geen aanleiding om de boete te matigen of te vernietigen. Hij zal het beroep ongegrond verklaren. Conclusie De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond. Waarvan proces-verbaal, mr. A.G.Z. Lagerweij, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als: a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld. Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd. Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht.