Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-03-27
ECLI:NL:RBNNE:2026:1305
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Mondelinge uitspraak
3,338 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1305 text/xml public 2026-05-19T08:51:40 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-27 11785922 BU VERZ 25-1490 Uitspraak Mondelinge uitspraak NL Groningen Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1305 text/html public 2026-05-19T08:50:55 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1305 Rechtbank Noord-Nederland , 27-03-2026 / 11785922 BU VERZ 25-1490 Wahv. Het verbod om te parkeren voor een inrit of uitrit is absoluut. Daarom maakt het geen verschil of er concreet hinder is veroorzaakt. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht beschikkingsnummer: 270069717 zaaknummer: 11785922 BU VERZ 25-1490 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 27 maart 2026 in de zaak van [betrokkene] (de betrokkene), die woont in [woonplaats] . Inleiding 1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘een voertuig parkeren voor een inrit of uitrit’, verricht op 19 oktober 2024, om 15:31 uur, op de [adres] in Groningen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten). 1.1. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. 1.2. De kantonrechter heeft het beroep op 27 maart 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was betrokkene aanwezig. De officier van justitie heeft zich niet laten vertegenwoordigen. 1.3. Na afloop van de behandeling heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de kantonrechter Standpunten 2. Betrokkene stelt dat de boete onterecht is opgelegd. Allereerst voert hij aan dat de verkeerde pleeglocatie op de boete stond. Betrokkene is op het moment van de vermeende overtreding niet in de aangegeven straat geweest en zijn auto heeft daar nooit gestaan. 3. Ten tweede stelt betrokkene dat zijn voertuig niet direct voor de in- en uitrit stond geparkeerd. De auto stond zodanig geparkeerd dat de toegang tot de in- en uitrit vrij bleef, waardoor de eigenares niet werd gehinderd. Daarom is het aannemelijk dat deze situatie niet valt onder de intentie van artikel 24 van het RVV 1990. De eigenares van de inrit kwam aanrijden terwijl het voertuig van betrokkene geparkeerd stond, en zij kon zonder problemen gebruik maken van haar inrit. Desondanks heeft de eigenares later wel de verbalisant ingelicht. 4. Ook voert betrokkene aan dat op de desbetreffende locatie geen borden, lijnen of andere aanduidingen zijn aangebracht die duidelijk maken dat er een specifieke afstand van de inrit moet worden vrijgehouden. Hij stelt dat zonder deze aanduidingen van weggebruikers niet kan worden verwacht dat zij een specifieke afstand tot de inrit in acht nemen. 5. Tot slot voert betrokkene aan dat de boete een flinke financiële last voor hem is omdat hij een student is. 6. Van de officier van justitie is over deze zaak geen standpunt bekend. Beslissing 7. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet. Overwegingen 8. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel. 9. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “ik zag dat het voertuig stond geparkeerd voor een inrit en uitrit. Het betrof een in- en uitrit van/naar: overdekte parkeerplaats van een woning. De doorgang naar de inrit en van de uitrit werd hierdoor gehinderd. Deze hinder bleek uit: bovengenoemde voertuig staat zo geparkeerd dat als je wil en en of uitrijden via de stoep de in en uitrit moet gebruiken. Bij het constateren van het feit werd vastgesteld dat er gedurende een tijd van ongeveer 10 minuten geen activiteit met betrekking tot het voertuig plaats vond.” 10. Het dossier bevat ook vier foto’s van de gedraging waarop het voertuig van betrokkene is te zien. 11. Allereest oordeelt de kantonrechter dat de juiste pleeglocatie is vermeld in het zaakoverzicht. Niet aannemelijk is geworden dat betrokkene over onvoldoende informatie beschikt om zich te kunnen verdedigen tegen de onderhavige gedraging. De kantonrechter verwerpt daarom het verweer over de onjuiste locatievermelding. 12. Verder kan de verkeersovertreding worden vastgesteld. De BOA heeft de situatie beoordeeld en die zag hinder. Ook de foto’s laten zien dat er hinder mogelijk was. Verder is het verbod om te parkeren voor een inrit of uitrit absoluut. Daarom maakt het geen verschil of concreet hinder is veroorzaakt of niet; het parkeren voor de inrit of uitrit is voldoende voor oplegging van de boete. Ten slotte is niet van belang dat specifieke bebording of markering ontbreekt, aangezien de situatie ter plaatse duidelijk een inrit of uitrit vormt. 13. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de boete te matigen of te vernietigen. Hij zal het beroep ongegrond verklaren. Conclusie De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond. Waarvan proces-verbaal, mr. A.G.Z. Lagerweij, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als: a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld. Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2999, r.o. 8. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1860, r.o. 6.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1305 text/xml public 2026-05-19T08:51:40 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-27 11785922 BU VERZ 25-1490 Uitspraak Mondelinge uitspraak NL Groningen Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1305 text/html public 2026-05-19T08:50:55 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1305 Rechtbank Noord-Nederland , 27-03-2026 / 11785922 BU VERZ 25-1490 Wahv. Het verbod om te parkeren voor een inrit of uitrit is absoluut. Daarom maakt het geen verschil of er concreet hinder is veroorzaakt. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht beschikkingsnummer: 270069717 zaaknummer: 11785922 BU VERZ 25-1490 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 27 maart 2026 in de zaak van [betrokkene] (de betrokkene), die woont in [woonplaats] . Inleiding 1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘een voertuig parkeren voor een inrit of uitrit’, verricht op 19 oktober 2024, om 15:31 uur, op de [adres] in Groningen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten). 1.1. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. 1.2. De kantonrechter heeft het beroep op 27 maart 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was betrokkene aanwezig. De officier van justitie heeft zich niet laten vertegenwoordigen. 1.3. Na afloop van de behandeling heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de kantonrechter Standpunten 2. Betrokkene stelt dat de boete onterecht is opgelegd. Allereerst voert hij aan dat de verkeerde pleeglocatie op de boete stond. Betrokkene is op het moment van de vermeende overtreding niet in de aangegeven straat geweest en zijn auto heeft daar nooit gestaan. 3. Ten tweede stelt betrokkene dat zijn voertuig niet direct voor de in- en uitrit stond geparkeerd. De auto stond zodanig geparkeerd dat de toegang tot de in- en uitrit vrij bleef, waardoor de eigenares niet werd gehinderd. Daarom is het aannemelijk dat deze situatie niet valt onder de intentie van artikel 24 van het RVV 1990. De eigenares van de inrit kwam aanrijden terwijl het voertuig van betrokkene geparkeerd stond, en zij kon zonder problemen gebruik maken van haar inrit. Desondanks heeft de eigenares later wel de verbalisant ingelicht. 4. Ook voert betrokkene aan dat op de desbetreffende locatie geen borden, lijnen of andere aanduidingen zijn aangebracht die duidelijk maken dat er een specifieke afstand van de inrit moet worden vrijgehouden. Hij stelt dat zonder deze aanduidingen van weggebruikers niet kan worden verwacht dat zij een specifieke afstand tot de inrit in acht nemen. 5. Tot slot voert betrokkene aan dat de boete een flinke financiële last voor hem is omdat hij een student is. 6. Van de officier van justitie is over deze zaak geen standpunt bekend. Beslissing 7. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet. Overwegingen 8. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel. 9. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “ik zag dat het voertuig stond geparkeerd voor een inrit en uitrit. Het betrof een in- en uitrit van/naar: overdekte parkeerplaats van een woning. De doorgang naar de inrit en van de uitrit werd hierdoor gehinderd. Deze hinder bleek uit: bovengenoemde voertuig staat zo geparkeerd dat als je wil en en of uitrijden via de stoep de in en uitrit moet gebruiken. Bij het constateren van het feit werd vastgesteld dat er gedurende een tijd van ongeveer 10 minuten geen activiteit met betrekking tot het voertuig plaats vond.” 10. Het dossier bevat ook vier foto’s van de gedraging waarop het voertuig van betrokkene is te zien. 11. Allereest oordeelt de kantonrechter dat de juiste pleeglocatie is vermeld in het zaakoverzicht. Niet aannemelijk is geworden dat betrokkene over onvoldoende informatie beschikt om zich te kunnen verdedigen tegen de onderhavige gedraging. De kantonrechter verwerpt daarom het verweer over de onjuiste locatievermelding. 12. Verder kan de verkeersovertreding worden vastgesteld. De BOA heeft de situatie beoordeeld en die zag hinder. Ook de foto’s laten zien dat er hinder mogelijk was. Verder is het verbod om te parkeren voor een inrit of uitrit absoluut. Daarom maakt het geen verschil of concreet hinder is veroorzaakt of niet; het parkeren voor de inrit of uitrit is voldoende voor oplegging van de boete. Ten slotte is niet van belang dat specifieke bebording of markering ontbreekt, aangezien de situatie ter plaatse duidelijk een inrit of uitrit vormt. 13. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de boete te matigen of te vernietigen. Hij zal het beroep ongegrond verklaren. Conclusie De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond. Waarvan proces-verbaal, mr. A.G.Z. Lagerweij, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als: a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld. Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2999, r.o. 8. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1860, r.o. 6.