Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-03-24
ECLI:NL:RBNNE:2026:1253
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,913 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1253 text/xml public 2026-04-17T12:13:19 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-24 LEE 25/3319 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak NL Groningen Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1253 text/html public 2026-04-17T12:12:43 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1253 Rechtbank Noord-Nederland , 24-03-2026 / LEE 25/3319 Erfbelasting RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/3319 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/kantoor Zwolle , de inspecteur (gemachtigde: mr. [naam 1] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 22 augustus 2025. 1.1. De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2022 een aanslag in de erfbelasting opgelegd van € 11.146. 1.2. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur eiser € 1.103 belastingrente in rekening gebracht. 1.3. De inspecteur heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 1.4. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van inspecteur, bijgestaan door mr. [naam 2] . 1.6. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank 2. Aan eiser is een aanslag erfbelasting opgelegd voor de verkrijging uit een erfenis van [naam 3] (de moeder van eiser). De aanslag is als volgt berekend: De nalatenschap € 133.022 Vrijstelling voor kinderen € 21.559 Te verdelen saldo € 133.022 Totale verkrijging uit de erfenis € 133.022 Belaste verkrijging uit de erfenis € 111.463 Erfbelasting (10%) € 11.146 3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag erfbelasting terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Partnervrijstelling 4. Eiser heeft aangevoerd dat hij samen met zijn moeder leefde als ware hij gelijkwaardig aan een partner, en daarom aanspraak zou moeten kunnen maken op de partnervrijstelling voor de erfbelasting. 5. De wetgever heeft bewust een keuze gemaakt om kinderen die hun ouders verzorgen niet (meer) gelijk te stellen aan een partner. Die keuze kan aan eiser tegengeworpen worden. Zelfs als eiser met zijn moeder heeft samengeleefd zoals partners dat zouden doen, en ondanks dat eiser door de verleende mantelzorg de samenleving mogelijk veel geld bespaard heeft, is dat geen reden om eiser aanspraak te laten maken op die (hogere) partnervrijstelling. Eiser moet het dus met de vrijstelling voor kinderen doen, die in de aanslag ook is toegepast. Verkrijging uit de erfenis 6. Voor wat betreft de verkrijging zelf heeft eiser aangevoerd dat hij nog een vordering had op zijn moeder die in mindering kan worden gebracht op het saldo van de nalatenschap. 7. De bewijslast voor het bestaan en de omvang van die vordering rust op eiser. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij vooral tot eind jaren ’80 geld in de woning heeft gestoken waar hij en zijn moeder samen hebben geleefd (tot aan de verkrijging van twee hypotheken), en dat het om zo’n 50.000 gulden zou gaan. Niet in geschil is dat eiser tot twee keer toe grond heeft gekocht van zijn moeder en dat de koopsommen - van in totaal € 30.000 – zijn ‘weggestreept’ tegen de vordering die eiser op zijn moeder had vanwege de door hem voor de woning gemaakte (verbouw)kosten. De rechtbank concludeert daarom dat eiser (grotendeels) is terugbetaald door zijn moeder voor de kosten die hij gemaakt heeft, zelfs als er met de inflatie rekening zou worden gehouden. Als er al niet terugbetaalde kosten (en daarmee dus een vordering op moeder) overblijven, dan heeft eiser de omvang daarvan niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank begrijpt dat eiser, mede gelet op het tijdsverloop, geen bonnetjes en bankafschriften meer heeft, maar dat is een risico dat voor eiser als procespartij in deze procedure komt. 8. Gelet op al het voorgaande is de aanslag juist vastgesteld en daarmee ook de beschikking belastingrente. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag en beschikking belastingrente in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. 10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr.A.A. van der Terp, griffier. griffier rechter Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1253 text/xml public 2026-04-17T12:13:19 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-24 LEE 25/3319 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak NL Groningen Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1253 text/html public 2026-04-17T12:12:43 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1253 Rechtbank Noord-Nederland , 24-03-2026 / LEE 25/3319 Erfbelasting RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 25/3319 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/kantoor Zwolle , de inspecteur (gemachtigde: mr. [naam 1] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 22 augustus 2025. 1.1. De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2022 een aanslag in de erfbelasting opgelegd van € 11.146. 1.2. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur eiser € 1.103 belastingrente in rekening gebracht. 1.3. De inspecteur heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 1.4. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van inspecteur, bijgestaan door mr. [naam 2] . 1.6. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank 2. Aan eiser is een aanslag erfbelasting opgelegd voor de verkrijging uit een erfenis van [naam 3] (de moeder van eiser). De aanslag is als volgt berekend: De nalatenschap € 133.022 Vrijstelling voor kinderen € 21.559 Te verdelen saldo € 133.022 Totale verkrijging uit de erfenis € 133.022 Belaste verkrijging uit de erfenis € 111.463 Erfbelasting (10%) € 11.146 3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag erfbelasting terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Partnervrijstelling 4. Eiser heeft aangevoerd dat hij samen met zijn moeder leefde als ware hij gelijkwaardig aan een partner, en daarom aanspraak zou moeten kunnen maken op de partnervrijstelling voor de erfbelasting. 5. De wetgever heeft bewust een keuze gemaakt om kinderen die hun ouders verzorgen niet (meer) gelijk te stellen aan een partner. Die keuze kan aan eiser tegengeworpen worden. Zelfs als eiser met zijn moeder heeft samengeleefd zoals partners dat zouden doen, en ondanks dat eiser door de verleende mantelzorg de samenleving mogelijk veel geld bespaard heeft, is dat geen reden om eiser aanspraak te laten maken op die (hogere) partnervrijstelling. Eiser moet het dus met de vrijstelling voor kinderen doen, die in de aanslag ook is toegepast. Verkrijging uit de erfenis 6. Voor wat betreft de verkrijging zelf heeft eiser aangevoerd dat hij nog een vordering had op zijn moeder die in mindering kan worden gebracht op het saldo van de nalatenschap. 7. De bewijslast voor het bestaan en de omvang van die vordering rust op eiser. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij vooral tot eind jaren ’80 geld in de woning heeft gestoken waar hij en zijn moeder samen hebben geleefd (tot aan de verkrijging van twee hypotheken), en dat het om zo’n 50.000 gulden zou gaan. Niet in geschil is dat eiser tot twee keer toe grond heeft gekocht van zijn moeder en dat de koopsommen - van in totaal € 30.000 – zijn ‘weggestreept’ tegen de vordering die eiser op zijn moeder had vanwege de door hem voor de woning gemaakte (verbouw)kosten. De rechtbank concludeert daarom dat eiser (grotendeels) is terugbetaald door zijn moeder voor de kosten die hij gemaakt heeft, zelfs als er met de inflatie rekening zou worden gehouden. Als er al niet terugbetaalde kosten (en daarmee dus een vordering op moeder) overblijven, dan heeft eiser de omvang daarvan niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank begrijpt dat eiser, mede gelet op het tijdsverloop, geen bonnetjes en bankafschriften meer heeft, maar dat is een risico dat voor eiser als procespartij in deze procedure komt. 8. Gelet op al het voorgaande is de aanslag juist vastgesteld en daarmee ook de beschikking belastingrente. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag en beschikking belastingrente in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. 10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr.A.A. van der Terp, griffier. griffier rechter Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.