Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-02-23
ECLI:NL:RBNNE:2026:1179
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,540 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1179 text/xml public 2026-04-15T14:02:49 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-02-23 C/18/250741 / FT RK 25/1363 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Leeuwarden Civiel recht; Insolventierecht Faillissementswet 287a Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1179 text/html public 2026-04-15T14:02:30 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1179 Rechtbank Noord-Nederland , 23-02-2026 / C/18/250741 / FT RK 25/1363 Toewijzing dwangakkoord, verweer schuldeiser ziet op tijdelijke bewoning huur woning door zoon tijdens afwezigheid en speelt marginale rol toetsingskader. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie: Leeuwarden zaaknummer: C/18/250741 / FT RK 25/1363 vonnis van 23 februari 2026 in de zaak van: [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna te noemen [verzoeker] , tegen [verweerder] , vertegenwoordigd door Deurwaarderskantoor Bleeker, correspondentieadres [adres] , hierna te noemen [verweerder] . PROCESGANG Op 9 december 2025 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw.) Het verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van 28 januari 2026. Hierbij zijn verschenen de heer [schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener van Kredietbank Nederland en mevrouw [beschemingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder bij Kredietbank Nederland. Mevrouw [verzoeker] was, met kennisgeving, niet aanwezig. [verweerder] is, ondanks naar behoren opgeroepen niet ter zitting verschenen en heeft geen verweer gevoerd. RECHTSOVERWEGINGEN Verzoekster heeft op of omstreeks 8 april 2024 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers. Dit akkoord houdt – samengevat – in: betaling ineens van 8.88% op de vorderingen van preferente schuldeisers en 4,44% op de vorderingen van de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting voor het restant. Hiertoe wordt door Kredietbank Nederland een saneringskrediet van netto € 2.368,16 ter beschikking gesteld. De schuldregeling is door alle schuldeisers behalve [verweerder] aanvaard. [verweerder] heeft als reden voor het onthouden van zijn instemming opgegeven dat het huurcontract op naam van [verzoeker] staat, maar dat zij niet zelf het pand bewoont, maar dat deze door haar zoon wordt bewoond (onderhuur). De rechtbank stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrijstaat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling – waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand moet doen van zijn recht op voldoening – te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking de onevenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Bij de beoordeling van de vraag of verweerder in redelijkheid niet tot weigering kon komen zal allereerst moeten worden gekeken naar de inhoud van het akkoord, vergeleken met de situatie waarin verzoeker toegelaten zou worden tot de WSNP, zoals subsidiair verzocht. Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat wanneer verzoekster zou worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, gebaseerd op het huidige inkomen en na aftrek van de kosten, geen uitdeling zal kunnen worden gedaan aan de schuldeisers. De verwachting is dat dit niet veranderd binnen de looptijd van de schuldregeling. Verzoekster ontvangt een WIA uitkering en verblijft met toestemming van het UWV in de wintermaanden bij familie in haar geboorteland in verband met haar gezondheid. Bij de start van het minnelijk traject woonde haar zoon nog bij haar in, waardoor haar draagkracht is berekend op € 141,75 per maand. Haar zoon is vanaf juli 2025 niet meer bij haar woonachtig waardoor er thans geen draagkracht meer is. Vanwege het ontbreken van voldoende toekomstperspectief valt [verzoeker] onder het Project Schuldenvrij van de gemeente Leeuwarden, waarbij het saneringskrediet wordt afgelost door de gemeente. Zou een WSNP worden doorlopen, dan is de prognose dat er niet voor de schuldeisers zal kunnen worden gespaard. Bovendien zullen de kosten van een WSNP (bestaande uit het bewindvoerderssalaris en griffierecht voor het deponeren van een uitdelingslijst) circa € 4.757,00 bedragen er zal er naar verwachting geen uitkering aan de schuldeisers kunnen plaatsvinden. Nu de vooruitzichten voor [verweerder] bij aanvaarding van het akkoord gunstiger zijn dan bij verwerping daarvan, is het uitgangspunt dat hij op grond van de inhoud van de aangeboden schuldregeling in redelijkheid niet tot weigering van instemming met deze schuldregeling heeft kunnen komen. Immers moet er op grond van deze vooruitzichten van uit worden gegaan dat [verweerder] geen belang heeft bij de weigering van de instemming, terwijl de overige schuldeisers wel belang hebben bij aanvaarding van de schuldregeling. Het belang van de overige schuldeisers is, evenals het belang van [verweerder] , gelegen in de betere vooruitzichten bij de aanvaarding van de aangeboden schuldregeling dan bij verwerping daarvan en het belang van verzoekster is gelegen in het feit dat zij buiten het wettelijk traject haar schulden kan regelen, hetgeen in overeenstemming is met hetgeen de wetgever met de gedwongen schuldregeling heeft beoogd. De rechtbank neemt bij haar beslissing voorts in aanmerking dat uit de door verzoekster overgelegde stukken blijkt dat een grote meerderheid van de schuldeisers (samen 87,66 % van het gehele schuldenbedrag vertegenwoordigend) heeft verklaard in te willen stemmen met het aangeboden akkoord. Ook voor het overige is de rechtbank niet gebleken van feiten en omstandigheden die, ondanks de voordelige inhoud van het akkoord, tot afwijzing van het verzoek zouden moeten leiden. Op grond van het vorenstaande zal het verzoek dan ook worden toegewezen. Aangezien het primaire verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal worden toegewezen, kan behandeling van het subsidiaire verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling achterwege blijven. De rechtbank beschouwt dit verzoek tot toelating WSNP als zijnde ingetrokken. BESLISSING De rechtbank - beveelt [verweerder] in te stemmen met de hierboven genoemde schuldregeling; Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga, en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1179 text/xml public 2026-04-15T14:02:49 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-02-23 C/18/250741 / FT RK 25/1363 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Leeuwarden Civiel recht; Insolventierecht Faillissementswet 287a Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1179 text/html public 2026-04-15T14:02:30 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1179 Rechtbank Noord-Nederland , 23-02-2026 / C/18/250741 / FT RK 25/1363 Toewijzing dwangakkoord, verweer schuldeiser ziet op tijdelijke bewoning huur woning door zoon tijdens afwezigheid en speelt marginale rol toetsingskader. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie: Leeuwarden zaaknummer: C/18/250741 / FT RK 25/1363 vonnis van 23 februari 2026 in de zaak van: [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna te noemen [verzoeker] , tegen [verweerder] , vertegenwoordigd door Deurwaarderskantoor Bleeker, correspondentieadres [adres] , hierna te noemen [verweerder] . PROCESGANG Op 9 december 2025 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw.) Het verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van 28 januari 2026. Hierbij zijn verschenen de heer [schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener van Kredietbank Nederland en mevrouw [beschemingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder bij Kredietbank Nederland. Mevrouw [verzoeker] was, met kennisgeving, niet aanwezig. [verweerder] is, ondanks naar behoren opgeroepen niet ter zitting verschenen en heeft geen verweer gevoerd. RECHTSOVERWEGINGEN Verzoekster heeft op of omstreeks 8 april 2024 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers. Dit akkoord houdt – samengevat – in: betaling ineens van 8.88% op de vorderingen van preferente schuldeisers en 4,44% op de vorderingen van de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting voor het restant. Hiertoe wordt door Kredietbank Nederland een saneringskrediet van netto € 2.368,16 ter beschikking gesteld. De schuldregeling is door alle schuldeisers behalve [verweerder] aanvaard. [verweerder] heeft als reden voor het onthouden van zijn instemming opgegeven dat het huurcontract op naam van [verzoeker] staat, maar dat zij niet zelf het pand bewoont, maar dat deze door haar zoon wordt bewoond (onderhuur). De rechtbank stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrijstaat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling – waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand moet doen van zijn recht op voldoening – te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking de onevenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Bij de beoordeling van de vraag of verweerder in redelijkheid niet tot weigering kon komen zal allereerst moeten worden gekeken naar de inhoud van het akkoord, vergeleken met de situatie waarin verzoeker toegelaten zou worden tot de WSNP, zoals subsidiair verzocht. Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat wanneer verzoekster zou worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, gebaseerd op het huidige inkomen en na aftrek van de kosten, geen uitdeling zal kunnen worden gedaan aan de schuldeisers. De verwachting is dat dit niet veranderd binnen de looptijd van de schuldregeling. Verzoekster ontvangt een WIA uitkering en verblijft met toestemming van het UWV in de wintermaanden bij familie in haar geboorteland in verband met haar gezondheid. Bij de start van het minnelijk traject woonde haar zoon nog bij haar in, waardoor haar draagkracht is berekend op € 141,75 per maand. Haar zoon is vanaf juli 2025 niet meer bij haar woonachtig waardoor er thans geen draagkracht meer is. Vanwege het ontbreken van voldoende toekomstperspectief valt [verzoeker] onder het Project Schuldenvrij van de gemeente Leeuwarden, waarbij het saneringskrediet wordt afgelost door de gemeente. Zou een WSNP worden doorlopen, dan is de prognose dat er niet voor de schuldeisers zal kunnen worden gespaard. Bovendien zullen de kosten van een WSNP (bestaande uit het bewindvoerderssalaris en griffierecht voor het deponeren van een uitdelingslijst) circa € 4.757,00 bedragen er zal er naar verwachting geen uitkering aan de schuldeisers kunnen plaatsvinden. Nu de vooruitzichten voor [verweerder] bij aanvaarding van het akkoord gunstiger zijn dan bij verwerping daarvan, is het uitgangspunt dat hij op grond van de inhoud van de aangeboden schuldregeling in redelijkheid niet tot weigering van instemming met deze schuldregeling heeft kunnen komen. Immers moet er op grond van deze vooruitzichten van uit worden gegaan dat [verweerder] geen belang heeft bij de weigering van de instemming, terwijl de overige schuldeisers wel belang hebben bij aanvaarding van de schuldregeling. Het belang van de overige schuldeisers is, evenals het belang van [verweerder] , gelegen in de betere vooruitzichten bij de aanvaarding van de aangeboden schuldregeling dan bij verwerping daarvan en het belang van verzoekster is gelegen in het feit dat zij buiten het wettelijk traject haar schulden kan regelen, hetgeen in overeenstemming is met hetgeen de wetgever met de gedwongen schuldregeling heeft beoogd. De rechtbank neemt bij haar beslissing voorts in aanmerking dat uit de door verzoekster overgelegde stukken blijkt dat een grote meerderheid van de schuldeisers (samen 87,66 % van het gehele schuldenbedrag vertegenwoordigend) heeft verklaard in te willen stemmen met het aangeboden akkoord. Ook voor het overige is de rechtbank niet gebleken van feiten en omstandigheden die, ondanks de voordelige inhoud van het akkoord, tot afwijzing van het verzoek zouden moeten leiden. Op grond van het vorenstaande zal het verzoek dan ook worden toegewezen. Aangezien het primaire verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal worden toegewezen, kan behandeling van het subsidiaire verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling achterwege blijven. De rechtbank beschouwt dit verzoek tot toelating WSNP als zijnde ingetrokken. BESLISSING De rechtbank - beveelt [verweerder] in te stemmen met de hierboven genoemde schuldregeling; Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga, en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.