Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-03-04
ECLI:NL:RBNNE:2026:1150
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste en enige aanleg
2,828 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1150 text/xml public 2026-04-13T16:19:04 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-04 C/18/26/1063 R Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Leeuwarden Civiel recht; Insolventierecht Faillissementswet 349 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1150 text/html public 2026-04-13T16:18:58 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1150 Rechtbank Noord-Nederland , 04-03-2026 / C/18/26/1063 R Toewijzing verzoek toelating tot de WSNP De rechtbank ziet aanleiding om af te wijken van de verzochte eerdere ingangsdatum. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie: Leeuwarden zaaknummer: C/18/26/1063 R vonnis van 4 maart 2026 in de zaak van: [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna te noemen: verzoekster . PROCESGANG Verzoekster heeft op 11 december 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 18 februari 2026. Daarbij is verzoekster verschenen tezamen met de heer [schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener en werkzaam bij Kredietbank Nederland te Leeuwarden RECHTSOVERWEGINGEN De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zijn heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken. De schuldhulpverlener van verzoekster heeft in het verzoekschrift verzocht om de regeling met ingang van 6 februari 2025 in te laten gaan Ter zitting heeft de heer Wiersema aangegeven dat geen verzoek wordt gedaan om verkorting van de looptijd op grond van artikel 349a Fw omdat de gemeente verzoekster niet officieel heeft ontheven van de sollicitatieplicht. Ter zitting heeft verzoekster aangegeven dat zij in juni 2025 haar heup heeft gebroken en dat het herstel daarvan lang duurt en dat zij gebruik moet maken van een rollator. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek om een eerdere ingangsdatum te bepalen, is dat een schuldenaar zich tijdens het minnelijk traject maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. De eventuele omstandigheid dat de verplichtingen die voortvloeien uit het minnelijke voortraject niet geheel gelijk zijn aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wettelijke schuldsaneringsregeling, staat in beginsel niet eraan in de weg de termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling te laten lopen vanaf de dag waarop de eerste aflossing is gedaan. Wel dient in dat geval te worden aangetoond dat de schuldenaar zich tijdens het minnelijke voortraject voldoende heeft ingespannen ten behoeve van zijn schuldeisers, (r.o. 3.5.3. Hoge Raad 20 december 2024, ECLI:HR:HR:2024:1913). De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen. Verzoekster heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum als bedoeld in artikel 349a lid 1 Fw, omdat zij vanaf 6 februari 2025 door middel van beslag op de uitkering heeft afgedragen. De afdrachten zijn met stukken, waaronder berekeningen van het vrij te laten bedrag, onderbouwd. De rechtbank stelt verder vast dat gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject niet is gespaard voor de (gezamenlijke) schuldeisers, omdat door een schuldeiser beslag is gelegd op de inkomsten van verzoeker. Daardoor is er vanaf 6 februari 2025 een deel van de inkomsten alleen betaald aan deze schuldeiser. Naar het oordeel van de rechtbank is het feit dat er gedurende die periode niet is gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers in dit geval niet toe te rekenen aan verzoeker. Daarom telt die periode wel mee bij het bepalen van een eerdere ingangsdatum. Voorts blijkt uit de overgelegde vtlb-berekening dat verzoeker geen afloscapaciteit heeft. De rechtbank ziet aanleiding om af te wijken van de verzochte eerdere ingangsdatum en zal de ingangsdatum bepalen op 29 juni 2025, omdat verzoekster op die datum is geopereerd aan haar heup, hetgeen zij heeft aangetoond door na de zitting haar patiëntenkaart toe te sturen. Aannemelijk is dat zij vanaf die datum niet in staat is om arbeid te verrichten. Daarvoor was er geen officiële arbeidsontheffing vanuit de gemeente en heeft verzoekster geen bewijs geleverd dat zij heeft gesolliciteerd. BESLISSING De rechtbank: - spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van: [verzoekster] , geboren op geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ; - stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf 29 juni 2025, waardoor deze termijn eindigt op 29 december 2026; - benoemt tot rechter-commissaris mr. S. van Gessel, en tot bewindvoerder [bewindvoerder] , gevestigd te [adres] ; - geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen. Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2026:1150 text/xml public 2026-04-13T16:19:04 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-04 C/18/26/1063 R Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Leeuwarden Civiel recht; Insolventierecht Faillissementswet 349 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1150 text/html public 2026-04-13T16:18:58 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1150 Rechtbank Noord-Nederland , 04-03-2026 / C/18/26/1063 R Toewijzing verzoek toelating tot de WSNP De rechtbank ziet aanleiding om af te wijken van de verzochte eerdere ingangsdatum. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie: Leeuwarden zaaknummer: C/18/26/1063 R vonnis van 4 maart 2026 in de zaak van: [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna te noemen: verzoekster . PROCESGANG Verzoekster heeft op 11 december 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 18 februari 2026. Daarbij is verzoekster verschenen tezamen met de heer [schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener en werkzaam bij Kredietbank Nederland te Leeuwarden RECHTSOVERWEGINGEN De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zijn heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken. De schuldhulpverlener van verzoekster heeft in het verzoekschrift verzocht om de regeling met ingang van 6 februari 2025 in te laten gaan Ter zitting heeft de heer Wiersema aangegeven dat geen verzoek wordt gedaan om verkorting van de looptijd op grond van artikel 349a Fw omdat de gemeente verzoekster niet officieel heeft ontheven van de sollicitatieplicht. Ter zitting heeft verzoekster aangegeven dat zij in juni 2025 haar heup heeft gebroken en dat het herstel daarvan lang duurt en dat zij gebruik moet maken van een rollator. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek om een eerdere ingangsdatum te bepalen, is dat een schuldenaar zich tijdens het minnelijk traject maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. De eventuele omstandigheid dat de verplichtingen die voortvloeien uit het minnelijke voortraject niet geheel gelijk zijn aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wettelijke schuldsaneringsregeling, staat in beginsel niet eraan in de weg de termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling te laten lopen vanaf de dag waarop de eerste aflossing is gedaan. Wel dient in dat geval te worden aangetoond dat de schuldenaar zich tijdens het minnelijke voortraject voldoende heeft ingespannen ten behoeve van zijn schuldeisers, (r.o. 3.5.3. Hoge Raad 20 december 2024, ECLI:HR:HR:2024:1913). De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen. Verzoekster heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum als bedoeld in artikel 349a lid 1 Fw, omdat zij vanaf 6 februari 2025 door middel van beslag op de uitkering heeft afgedragen. De afdrachten zijn met stukken, waaronder berekeningen van het vrij te laten bedrag, onderbouwd. De rechtbank stelt verder vast dat gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject niet is gespaard voor de (gezamenlijke) schuldeisers, omdat door een schuldeiser beslag is gelegd op de inkomsten van verzoeker. Daardoor is er vanaf 6 februari 2025 een deel van de inkomsten alleen betaald aan deze schuldeiser. Naar het oordeel van de rechtbank is het feit dat er gedurende die periode niet is gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers in dit geval niet toe te rekenen aan verzoeker. Daarom telt die periode wel mee bij het bepalen van een eerdere ingangsdatum. Voorts blijkt uit de overgelegde vtlb-berekening dat verzoeker geen afloscapaciteit heeft. De rechtbank ziet aanleiding om af te wijken van de verzochte eerdere ingangsdatum en zal de ingangsdatum bepalen op 29 juni 2025, omdat verzoekster op die datum is geopereerd aan haar heup, hetgeen zij heeft aangetoond door na de zitting haar patiëntenkaart toe te sturen. Aannemelijk is dat zij vanaf die datum niet in staat is om arbeid te verrichten. Daarvoor was er geen officiële arbeidsontheffing vanuit de gemeente en heeft verzoekster geen bewijs geleverd dat zij heeft gesolliciteerd. BESLISSING De rechtbank: - spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van: [verzoekster] , geboren op geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ; - stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf 29 juni 2025, waardoor deze termijn eindigt op 29 december 2026; - benoemt tot rechter-commissaris mr. S. van Gessel, en tot bewindvoerder [bewindvoerder] , gevestigd te [adres] ; - geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen. Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.