Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-01-31
ECLI:NL:RBNNE:2025:629
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,418 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/4171
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
Belastingdienst/Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: mrs. N. de Weijer en E. Raatjes).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het termijnbedrag van de betalingsregeling dat verweerder heeft vastgesteld.
1.1.
Met het bestreden besluit van 16 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op zitting behandeld op 21 oktober 2024. Eiser is toen niet verschenen. Na de zitting is gebleken dat de uitnodiging aan eiser niet naar het juiste adres is gestuurd.
1.4.
De rechtbank heeft daarom het onderzoek heropend en op 11 november 2024 het beroep opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verweerder. Eiser was niet aanwezig. Voor deze zitting is hij deugdelijk uitgenodigd.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de evenredigheid van het termijnbedrag van de betalingsregeling. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank vindt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft voor eiser.
Is het vastgestelde termijnbedrag van de betalingsregeling onevenredig voor eiser?
4.1.
Eiser voert aan dat het termijnbedrag voor hem te hoog is. Hij moet nu € 207,- per maand betalen. Eiser stelt dat hij dit bedrag niet kan missen, naast de vaste lasten die hij al heeft. Eiser en zijn vrouw krijgen geen zorg- of huurtoeslag. Eiser begrijpt daarom niet dat verweerder vindt dat hij het maandelijkse termijnbedrag wel kan betalen. Eiser voegt hier aan toe dat hij nachtmerries heeft en paniekaanvallen, wanneer er weer een brief van verweerder op de mat ligt. Eiser durft de post eigenlijk niet meer open te maken.
4.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij bij het nemen van het bestreden besluit rekening heeft gehouden met de persoonlijke situatie van eiser. Verweerder wijst erop dat de vaste lasten zijn verdisconteerd in de berekening, onder de post ‘bestaansnorm’. Daarbij is geen rekening gehouden met zorg- en huurtoeslag die eisers mogelijk zouden ontvangen. Volgens verweerder blijkt voldoende uit de berekening dat het maandelijkse termijnbedrag voor eiser niet te hoog is vastgesteld. Het verschil tussen de berekende betalingscapaciteit en het maandelijkse termijnbedrag is namelijk aanzienlijk, aldus verweerder.
4.3.
De rechtbank oordeelt als volgt. Vast staat dat de berekening die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit niet wordt betwist door eiser. De rechtbank leest in de argumenten van eiser een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Dit houdt in dat de rechtbank in hele bijzondere gevallen kan oordelen dat de nadelige gevolgen van het bestreden besluit niet in verhouding staan met het doel ervan.
4.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft namelijk geen stukken of documenten overgelegd waar dit uit blijkt. Bovendien blijkt uit de stukken dat eiser een berekende betalingscapaciteit heeft van € 1.486,- per maand. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen aanleiding om vast te stellen dat het bestreden besluit onevenredig is. De rechtbank kan zich voorstellen dat eiser en zijn vrouw deze situatie moeilijk vinden. Maar op basis van de stukken is er voor de rechtbank geen reden om anders te oordelen dan verweerder heeft gedaan. Het bestreden besluit is niet onevenredig.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond.
5.1.
Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van
K.D. Bosklopper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
31 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.