Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-11-11
ECLI:NL:RBNNE:2025:5898
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,529 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2025:5898 text/xml public 2026-03-20T12:06:48 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2025-11-11 11604073 \ CV EXPL 25-1378 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:5898 text/html public 2026-03-20T12:06:35 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2025:5898 Rechtbank Noord-Nederland , 11-11-2025 / 11604073 \ CV EXPL 25-1378 Onrechtmatige daad. De gedaagde partij heeft schade toegebracht aan eigendommen van de eisende partij. De gedaagde partij moet de door de eisende partij gevorderde schadevergoeding betalen. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Groningen Zaaknummer: 11604073 \ CV EXPL 25-1378 Vonnis van 11 november 2025 in de zaak van GEMEENTE GRONINGEN , te Groningen, eisende partij, hierna te noemen: de gemeente, gemachtigde: AGIN Pranger Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - de conclusie van antwoord; - de uitspraak van de wrakingskamer van 7 juli 2025; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek; - de uitspraak van de wrakingskamer van 8 oktober 2025. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Op 5 januari 2024 heeft [gedaagde] kitvoegen uit een natuurstenen plantenbak rondom de plataan op de Grote Markt te Groningen verwijderd. Daarnaast heeft [gedaagde] op diverse plekken (bouwschutting, muren en boomspiegels) rondom de Grote Markt met stoepkrijt teksten aangebracht. 2.2. Bij brief van 23 juli 2024 heeft de gemeente [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade aan de eigendommen van de gemeente en vergoeding van haar schade van € 1.101,00 gevraagd. 2.3. [gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen de gevorderde schadevergoeding. De gemeente heeft het bezwaar bij brief van 8 augustus 2024 niet-ontvankelijk verklaard, nu de brief van 23 juli 2024 geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. 2.4. [gedaagde] heeft begin september 2024 contact opgenomen met het klant contact centrum van de gemeente en om uitleg c.q. onderbouwing van de schadevergoeding gevraagd. 2.5. De gemeente heeft bij brief van 11 september 2024 gereageerd en - onder meer - het volgende geschreven: “ U heeft onder andere gevraagd hoeveel tijd er is besteed aan het repareren, hoeveel personen er aan gewerkt hebben, wat de reiskosten zijn en wat de kosten van de werknemers per uur zijn. De facturen die u bij onze brief heeft ontvangen betreffen de kosten die de gemeente heeft betaald om de schade te herstellen. (…) U kunt hierop zien dat de bedrijven een totaalprijs hebben berekend. Uw specifieke vragen kan ik daarom niet beantwoorden. U geeft aan dat u € 125,00 aan administratiekosten een heel hoog bedrag vindt (…) Bijlage 3 geeft u uitleg over de kosten die in rekening gebracht zijn. (…)” 2.6. Ondanks diverse aanmaningen van de gemeente en haar gemachtigde heeft [gedaagde] de schadevergoeding niet betaald. 3 Het geschil 3.1. De gemeente vordert - samengevat - dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 1.101,00, te vermeerderen met rente en (proces)kosten. 3.2. De gemeente legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld door de kitvoegen te verwijderen en op diverse plekken met stoepkrijt teksten aan te brengen. Zij moet de schade van de gemeente daarom vergoeden. 3.3. [gedaagde] voert verweer. Zij is het niet eens met de vorderingen van de gemeente en voert - samengevat - het volgende aan. De plataan op de Grote Markt zit na de herinrichting in de bak en is volledig omringd door bestrating, dat is slecht voor de worteling. In januari 2024 zag [gedaagde] water in de bak staan. Omdat het erg koud was, heeft [gedaagde] - om de boom te beschermen - een deel van de kitranden verwijderd, zodat het water weg kon lopen en niet zou bevriezen. [gedaagde] betwist dat de kitranden hersteld zijn. Met betrekking tot de teksten van stoepkrijt voert [gedaagde] aan dat zij dit uit protest heeft aangebracht, omdat er geen vergunning was verleend voor het ophangen van de kerstdecoratie. Omdat stoepkrijt heel makkelijk te verwijderen is, is de factuur die de gemeente hiervoor gestuurd heeft veel te hoog. Bovendien weigert de gemeente haar specificaties van de facturen te sturen. Omdat [gedaagde] maximaal 1 keer per week met de gemeente mag bellen, zag zij geen andere mogelijkheden om deze misstanden bij de gemeente onder de aandacht te brengen. Ten slotte zijn de in rekening gebrachte administratiekosten onredelijk, aldus [gedaagde] . 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De vraag die in deze zaak beantwoord moet worden is of [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade van de gemeente. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend en zal hieronder uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen. 4.2. Uit artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade te vergoeden die daarvan het gevolg is. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijke verkeer betaamt, een en ander behoudens rechtvaardigingsgronden. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvatting voor zijn rekening komt. 4.3. [gedaagde] heeft niet betwist dat zij een deel van de kitranden van de plantenbak heeft verwijderd en met stoepkrijt op diverse plekken protestteksten heeft aangebracht. Dit levert een onrechtmatige daad op die te wijten is aan de schuld van [gedaagde] , omdat daarmee een inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht van de gemeente. De kantonrechter leidt uit de stellingen van [gedaagde] af dat zij een bijzondere band met de boom op de Grote Markt heeft, zij duidt de boom zelf aan als de ‘ [gedaagde] plataan’. Alhoewel het mogelijk mede aan de langdurige inspanningen van [gedaagde] te danken is dat de boom er nog staat, wil dat naar het oordeel van de kantonrechter niet zeggen dat [gedaagde] gerechtigd was om een deel van de kitranden van de plantenbak te verwijderen. 4.4. De kantonrechter komt op basis van het voorgaande tot de conclusie dat [gedaagde] door haar handelen schade heeft veroorzaakt aan eigendommen van de gemeente. Zij moet deze schade in beginsel dan ook aan de gemeente vergoeden. 4.5. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij - vanwege de contactbeperkingen die de gemeente haar heeft opgelegd - geen andere mogelijkheden zag dan te handelen zoals zij heeft gedaan. De kantonrechter begrijpt dit als een beroep op overmacht. Een geslaagd beroep op overmacht heeft tot gevolg dat de onrechtmatigheid alsnog ontbreekt aan de daad. Voor een geslaagd beroep op overmacht is nodig dat [gedaagde] voldoende stelt om de kantonrechter ervan te overtuigen dat haar geen enkel verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het beschadigen van de eigendommen van de gemeente. Daarin is zij naar het oordeel van de kantonrechter niet geslaagd. [gedaagde] heeft daarbij ten eerste in het geheel niet onderbouwd dat er sprake was van een acute noodsituatie voor de boom. Gelet op de betwisting van de gemeente dat er water in de plantenbak stond en dat er gevaar voor bevriezing bestond, had het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van [gedaagde] gelegen om haar stellingen in dit opzicht te onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan. Daarnaast is de kantonrechter er niet van overtuigd dat [gedaagde] vanwege de contactbeperkingen met de gemeente geen andere keuze had dan het verwijderen van een deel van de kitranden van de plantenbak en het aanbrengen van protestteksten met stoepkrijt. De kantonrechter leidt uit de correspondentie van de gemeente aan [gedaagde] af dat er een contactpersoon bij de gemeente is.
Volledig
[gedaagde] heeft zowel een telefoonnummer als een e-mailadres beschikbaar, zodat zij haar klachten daar had kunnen en moeten achterlaten. 4.6. De conclusie is dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld. [gedaagde] moet daarom de schade vergoeden die de gemeente daardoor heeft geleden. 4.7. De door de gemeente gevorderde schade bestaat uit de volgende posten: € 726,00 aan herstelkosten van de kitranden van de plantenbak, € 250,00 voor het schoonmaken van de bekladde oppervlaktes en € 125,00 aan administratiekosten. De gemeente heeft de eerste twee posten met facturen onderbouwd. [gedaagde] heeft met betrekking tot de kosten van de plantenbak aangevoerd dat het zou gaan om een spookrekening, omdat de kitranden helemaal niet hersteld zijn. Zij verwijst daarbij ook naar de door de gemeente als productie 12 bij de dagvaarding in het geding gebrachte foto van de plantenbak. Ten aanzien van de kosten van het verwijderen van het stoepkrijt stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat deze kosten onredelijk hoog zijn, nu stoepkrijt heel makkelijk te verwijderen is. Ook de in rekening gebrachte administratiekosten zijn naar de mening van [gedaagde] onredelijk hoog. 4.8. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de kosten voor het herstellen van de plantenbak en het schoonmaken van de bekladde oppervlaktes aan de gemeente moet betalen. De gemeente heeft gesteld en met bewijsstukken onderbouwd dat zij herstelkosten heeft moeten maken om de door [gedaagde] toegebrachte schade te herstellen. [gedaagde] heeft volstaan met een kale ontkenning dat de plantenbak hersteld is. Dat is onvoldoende. De verwijzing naar de door de gemeente in het geding gebrachte foto helpt haar in dit kader niet, nu de gemeente deze foto als onderbouwing van de schade heeft overgelegd en dus niets zegt over de huidige toestand van de plantenbak. De factuur van [bedrijf] is voor het overige voldoende gespecificeerd, zodat de vergoeding van deze schadepost kan worden toegewezen. Ten aanzien van de schoonmaakkosten is de kantonrechter eveneens van oordeel dat [gedaagde] die moet betalen. Uit de door de gemeente bij dagvaarding overgelegde foto’s (productie 4) blijkt dat [gedaagde] de protestteksten grotendeels op verticale oppervlaktes heeft aangebracht. Dat betekent dat de teksten niet zomaar na een regenbui verdwenen zijn. De gemeente heeft haar eigen milieudienst ingeschakeld om de stoepkrijt te verwijderen en met stukken onderbouwd dat het in rekening gebrachte tarief marktconform is. [gedaagde] heeft niet betwist dat de bekladde oppervlaktes plusminus 20 m2 belopen. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat het in rekening gebrachte bedrag niet onredelijk hoog is. 4.9. Voor wat betreft de door de gemeente gevorderde administratiekosten van € 125,00 overweegt de kantonrechter dat de gemeente aanspraak maakt op deze kosten wegens het moeten inzetten en regelen van eigen medewerkers en het inschakelen van derden, waardoor deze medewerkers niet andere taken hebben kunnen uitvoeren. De kantonrechter vat dit op als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW. In het arrest AMEV/Staat uit 1998 (ECLI:NL:HR:1998:ZC2740) heeft de Hoge Raad bepaald dat administratiekosten voor vergoeding in aanmerking komen voor zover zij redelijk zijn en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs noodzakelijk. Gelet op de hiervoor weergegeven onderbouwing van deze vordering is de kantonrechter van oordeel dat de administratiekosten voor toewijzing in aanmerking komen. 4.10. Gelet op het bovenstaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat [gedaagde] een bedrag van in totaal € 1.101,00 aan de gemeente moet vergoeden. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 september 2024, nu [gedaagde] niet heeft betwist dat zij vanaf die datum in verzuim is geraakt. 4.11. De gemeente vordert ter zake van buitengerechtelijke incassokosten een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Nu in deze sprake is van een verbintenis tot schadevergoeding die is gebaseerd op onrechtmatige daad, is het Besluit niet van toepassing. De kantonrechter zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de norm van artikel 6:96 lid 2 sub c BW. De gemeente heeft in dit kader niet gesteld dat er buitengerechtelijke werkzaamheden hebben plaatsgevonden, zodat vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen. De kantonrechter overweegt hierbij dat zij op basis van de stellingen van de gemeente niet kan vaststellen dat de vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten op andere werkzaamheden ziet dan die waarvoor de administratiekosten in rekening zijn gebracht. 4.12. [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 119,97 - griffierecht € 340,00 - salaris gemachtigde € 408,00 (2 punten × € 204,00) - nakosten € 67,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 935,47 5 De beslissing De kantonrechter: 5.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de gemeente van een schadevergoeding van € 1.101,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 2 september 2024 tot de dag van volledige betaling; 5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 935,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R. Bootsma en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025. 317