Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-02-13
ECLI:NL:RBNNE:2025:504
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,658 tokens
Inleiding
ECLI:NL:RBNNE:2025:504
Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 13-02-2025
Datum publicatie 13-02-2025
Zaaknummer 25/230
Rechtsgebieden Strafrecht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie Veroordeling wegens het dealen van hennep en cocaïne en het medeplegen van gewoontewitwassen. De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gedeeltelijk toe.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/136198-22
Dictum
in de zaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboorte datum] 1992 te [geboorte plaats] , wonende te [adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde.
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 27 december 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 99.136,94 ter ontneming van het uit het in de
zaak met parketnummer 18/136198-22 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 30 januari 2025. Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, anders dan in de schriftelijke vordering, het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op 94.566,94. De officier van justitie heeft dat bedrag gebaseerd op de inhoud van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 17 november 2022. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is in dat rapport berekend op 104.287,94.
Volgens de officier van justitie moeten daar de kosten gemaakt voor het levensonderhoud van veroordeelde nog van worden afgetrokken.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel lager moet worden vastgesteld. Veroordeelde heeft aangegeven dat hij vanaf 2020 heeft gehandeld in drugs en dat hij daarmee 300,00 per week verdiende. In totaal heeft veroordeelde zich ongeveer twee jaar schuldig gemaakt aan de drugshandel. Het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op 104 weken vermenigvuldigd met 300,00 = 31.200,00. De raadsman merkt daarnaast op dat de officier van justitie in haar berekening het bedrag dat medeverdachte [medeverdachte] op haar bankrekening aan tikkies heeft ontvangen, volledig meeneemt in de berekening van veroordeelde. Het is onvoldoende duidelijk waarom ervoor is gekozen om het bedrag voor rekening te laten komen van veroordeelde en waarom het niet is meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van [medeverdachte] .
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het volgende bewijsmiddel:
- het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 13 februari 2025 in de onderliggende strafzaak en de daarin opgenomen bewijsmiddelen.
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 13 februari 2025 in de zaak met parketnummer 18/136198-22 veroordeeld ter zake van de handel in hennep en cocaïne en ter zake van gewoontewitwassen.
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting voldoende aannemelijk geworden dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van de door hem gepleegde strafbare feiten.
De rechtbank neemt het proces-verbaal witwassen als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat.
Uit de berekening in het proces-verbaal witwassen blijkt dat veroordeelde in totaal
99.136,94 wederrechtelijk aan voordeel heeft genoten. Dit bedrag betreft onverklaarbaar contant en giraal vermogen. In dit bedrag zijn echter ook de tikkies meegenomen die medeverdachte [medeverdachte] op haar bankrekening heeft ontvangen. Het gaat hierbij om bedragen afkomstig uit de drugshandel van veroordeelde, maar het geld kwam binnen op de rekening van [medeverdachte] en niet is gebleken dat [medeverdachte] dit bedrag vervolgens weer aan veroordeelde heeft uitgekeerd. Het gaat om een totaal bedrag van 50.661,32. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat dit bedrag, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde kan worden meegenomen. De rechtbank zal het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom vaststellen op 99.136,94 - 50.661,32 = 48.475,62. De rechtbank zal de betalingsverplichting op hetzelfde bedrag vaststellen.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
Wijst de vordering van de officier van justitie gedeeltelijk toe.
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 48.475,62.
Legt [verdachte] , voornoemd, de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 48.475,62 (zegge: achtenveertigduizend vierhonderdvijfenzeventig euro en tweeënzestig cent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 969 dagen.
Wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, mr. R. Baluah en
mr. S. Zwarts, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 februari 2025.
Mr. R. Baluah is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.