Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-02-13
ECLI:NL:RBNNE:2025:503
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,271 tokens
Dictum
in de zaak tegen
[veroordeelde]
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde.
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 27 december 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 28.299,00 ter ontneming van het uit het in de
zaak met parketnummer 18/219873-22 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 30 januari 2025. Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. E. van der Meer, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op 28.299,00. De officier van justitie heeft dat bedrag gebaseerd op de inhoud van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 november 2022 en het proces- verbaal witwassen d.d. 12 oktober 2022.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de officier van justitie gevorderde bedrag van 28.299,00 moet worden verminderd met een bedrag van 6.000,00, aangezien veroordeelde ieder jaar 1.000,00 contant aan schenkingen ontving van haar moeder. Dit bedrag is dus niet uit enig misdrijf afkomstig.
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het volgende bewijsmiddel:
- het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 13 februari 2025 in de onderliggende strafzaak en de daarin opgenomen bewijsmiddelen.
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 13 februari 2025 in de zaak met parketnummer 18/219873-22 veroordeeld ter zake het medeplegen van gewoontewitwassen.
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting voldoende aannemelijk geworden dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van het door haar gepleegde strafbare feit.
De rechtbank neemt het proces-verbaal witwassen als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormeld strafbaar feit wordt geschat.
Uit de berekening in het proces-verbaal witwassen blijkt dat veroordeelde in totaal 28.299,00 wederrechtelijk aan voordeel heeft genoten. Dit bedrag betreft onverklaarbaar contant vermogen. (Om voor de rechtbank onverklaarbare redenen zijn de bedragen die veroordeelde per tikkie op haar bankrekening heeft ontvangen, niet meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.) Met betrekking tot het hiervoor weergegeven standpunt van de raadsman ten aanzien van de door veroordeelde ontvangen schenkingen van haar moeder overweegt de rechtbank het volgende. Over
de herkomst van het contante geld heeft veroordeelde wisselend verklaard. Daarnaast is, hoewel daarvoor ruim de tijd en gelegenheid is geweest, door de verdediging niet aannemelijk gemaakt dat er aan veroordeelde schenkingen zijn gedaan door haar moeder. De rechtbank zal het gestelde bedrag van 6.000,00 daarom ook niet in mindering brengen op de vordering.
De rechtbank zal het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststellen op 28.299,00. De rechtbank zal de betalingsverplichting op hetzelfde bedrag vaststellen.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
Wijst de vordering van de officier van justitie toe.
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 28.299,00.
Legt [veroordeelde] , voornoemd, de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 28.299,00 (zegge: achtentwintigduizend tweehonderdnegenennegentig euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 565 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, mr. R. Baluah en
mr. S. Zwarts, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 februari 2025.
Mr. R. Baluah is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.