Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-12-02
ECLI:NL:RBNNE:2025:4959
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,021 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2025:4959 text/xml public 2026-03-19T16:04:31 2025-12-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2025-12-02 25/1413 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026031906 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:4959 text/html public 2026-03-19T10:47:41 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2025:4959 Rechtbank Noord-Nederland , 02-12-2025 / 25/1413 In geschil is de afkoop van een alimentatieverplichting RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 25/1413 en 25/1446 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 december 2025 in de zaken tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Amsterdam, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 4 maart 2025. 1.1. Met dagtekening 17 februari 2023 heeft de inspecteur aan eiser een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2020 opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 69.784. Bij beschikking heeft de inspecteur tevens een bedrag van € 1.763 aan belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking 2020). ( LEE 25/1446 ) 1.2. Met dagtekening 28 november 2023 heeft de inspecteur aan eiser een aanslag IB/PVV over het jaar 2021 opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.474. Bij beschikking heeft de inspecteur tevens een bedrag van € 126 aan belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking 2021). ( LEE 25/1413 ) 1.3. De inspecteur heeft de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslagen en de belastingrentebeschikkingen gehandhaafd. 1.4. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift en eiser heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. 1.5. De rechtbank heeft de beroepen op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens de inspecteur: [gemachtigde] . Feiten 2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. 2.1. Eiser is geboren op [datum] 1971. 2.2. Eiser is op [datum] 1996 in gemeenschap van goederen gehuwd met [ex-echtgenote] (ex-echtgenote). Tot de huwelijksgemeenschap behoorde een woning gelegen aan [adres] (de echtelijke woning). 2.3. Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van [datum] 2020 is de echtscheiding tussen eiser en zijn ex-echtgenote uitgesproken. Onderdeel van de beschikking is een tussen eiser en zijn ex-echtgenote gesloten echtscheidingsconvenant. 2.4. In het onder 2.3. vermelde echtscheidingsconvenant is onder meer opgenomen: “Artikel 2Partneralimentatie 2.1 Nihilbeding Op basis van ieders draagkracht en gezien de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap komen partijen overeen, dat zij na ontbinding van hun huwelijk tegenover elkaar niet tot betaling van alimentatie gehouden zullen zijn. 2.2 Niet wijzigingsbeding Het in art. 2.1 bepaalde kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens in het geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de partij die de wijziging verzoekt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in art. 1:159 lid 3 BW is bepaald. (…) Artikel 4Verdeling overige vermogensbestanddelen in de huwelijksgemeenschap (…) 4.5. Door bovenstaande verdeling wordt de man overbedeeld. Partijen verschillen echter met elkaar van mening over de hoogte van het bedrag aan overbedeling, (…) Ter beëindiging van de onzekerheid c.q. geschillen omtrent het bedrag aan overbedeling stellen partijen dit vast op een bedrag van € 50.000,--. ” 2.5. In de bezwaarfase heeft eiser een bericht van hem aan zijn ex-echtgenote overgelegd, waarin onder meer is opgenomen: “ Met die positieve blik wil ik je hierbij een all-in bod doen van 50.000 euro van mij aan jou, waarmee we spoedig een gezamenlijk verzoek bij de rechter kunnen doen met het oog op de scheiding en waarna we - bij acceptatie - volledig van elkaar gescheiden zullen zijn. We hebben de contouren besproken op 13 november 2019. Ik doe het aanbod sans prejudice en onder de volgende voorwaarden: (…) Alimentatie Eventuele alimentatie is in dit bod verwerkt. (…) Termijn Indien dit aanbod niet is geaccepteerd op 1 december 2019, dan komt dit te vervallen. ” 2.6. In de e-mail van 20 december 2019 van [scheidingsfiscalist] (scheidingsfiscalist) aan de ex-echtgenote inzake het echtscheidingsconvenant is onder meer het volgende opgenomen: “ art. 2.1.: waarom staat hier ‘gezien de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap’? Dit sugg (…) dat er sprake is van afkoop partneralimentatie. Althans dat zou de fiscus hier in kunnen lezen met als (…) dat jij dan wel [eiser] dit verplicht moet aangeven in de aangifte inkomstenbelasting. Laat dus om fisc (…) risicomijdende redenen ajb deze zinssnede ‘gezien de wijze van verdeling van de huwelijksgemeensc (…) uit. Het geeft onnodig fiscaal risico (voor jou) en voegt niets toe gezien de gemaakte afspraken. De volgende tekst kan voldoen (…) Partijen stellen vast dat zij ieder zelf voldoende in het eigen levensonderhoud kunnen voorzien en dat (…) derhalve geen aanspraak doen op een bijdrage in het levensonderhoud (partneralimentatie). ” 2.7. In de nota van afrekening van 8 september 2020 van Notariaat [notariaat] inzake de echtelijke woning is onder meer opgenomen dat de waarde van de woning € 360.000 bedraagt en dat eiser “wegens overbedeling” € 50.000 dient te betalen. 2.8. Eiser heeft op 10 mei 2021 een aangifte IB/PVV 2020 ingediend en daarin als volgt een nihil inkomen aangegeven: Eiser heeft € 76.338 aan belastbaar loon aangegeven. Eiser heeft per saldo € 6.554 negatief aan inkomsten en aftrekposten eigen woning aangegeven. Eiser heeft € 79.993 aan uitgaven voor onderhoudsverplichtingen afgetrokken. 2.9. Bij brief van 20 januari 2023 heeft de inspecteur eiser medegedeeld af te wijken van zijn aangifte op het punt van de aftrekbare uitgaven voor onderhoudsverplichtingen van € 79.993 en deze aftrek niet toe te staan. 2.10. Eiser heeft op 21 september 2022 een aangifte IB/PVV 2021 ingediend en daarin als volgt uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.147 aangegeven: Eiser heeft € 60.000 aan belastbaar loon aangegeven Eiser heeft per saldo € 3.526 negatief aan inkomsten en aftrekposten eigen woning aangegeven. Eiser heeft € 54.327 aan restant persoonsgebonden aftrek (PGA) vanwege eerder gedane uitgaven voor onderhoudsverplichtingen, afgetrokken. 2.11. Bij brief van 18 april 2023 heeft de inspecteur eiser medegedeeld af te wijken van zijn aangifte op het punt van de aftrek van het restant PGA van € 54.327 en deze aftrek niet toe te staan. De inspecteur concludeert tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.474. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt de uitspraken van de inspecteur van 4 maart 2025 die zien op het niet in aftrek toestaan van een bedrag aan uitgaven voor onderhoudsverplichtingen van € 79.993 in 2020, leidend tot een restant PGA van nihil en op het dientengevolge niet toestaan van de aftrek van een restant PGA in 2021. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Eiser is van mening dat hij ten tijde van de echtscheiding door overname van een schuld van € 43.000 en betaling van € 50.000 de alimentatieverplichting aan zijn ex-echtgenote heeft afgekocht. Dit leidt volgens eiser tot een nihil inkomen in 2020 en een beschikking restant PGA, die tot aftrek leidt in 2021. 4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de aanslag IB/PVV 2020, de daarbij horende beschikking PGA (van nihil) en de aanslag IB/PVV 2021 tot de juiste bedragen heeft vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2025:4959 text/xml public 2026-04-09T10:05:05 2025-12-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2025-12-02 25/1413 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026031906 V-N Vandaag 2026/508 FutD 2026-0495 V-N 2026/16.2.1 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:4959 text/html public 2026-03-19T10:47:41 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2025:4959 Rechtbank Noord-Nederland , 02-12-2025 / 25/1413 In geschil is de afkoop van een alimentatieverplichting RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 25/1413 en 25/1446 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 december 2025 in de zaken tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Amsterdam, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 4 maart 2025. 1.1. Met dagtekening 17 februari 2023 heeft de inspecteur aan eiser een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2020 opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 69.784. Bij beschikking heeft de inspecteur tevens een bedrag van € 1.763 aan belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking 2020). ( LEE 25/1446 ) 1.2. Met dagtekening 28 november 2023 heeft de inspecteur aan eiser een aanslag IB/PVV over het jaar 2021 opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.474. Bij beschikking heeft de inspecteur tevens een bedrag van € 126 aan belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking 2021). ( LEE 25/1413 ) 1.3. De inspecteur heeft de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslagen en de belastingrentebeschikkingen gehandhaafd. 1.4. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift en eiser heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. 1.5. De rechtbank heeft de beroepen op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens de inspecteur: [gemachtigde] . Feiten 2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. 2.1. Eiser is geboren op [datum] 1971. 2.2. Eiser is op [datum] 1996 in gemeenschap van goederen gehuwd met [ex-echtgenote] (ex-echtgenote). Tot de huwelijksgemeenschap behoorde een woning gelegen aan [adres] (de echtelijke woning). 2.3. Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van [datum] 2020 is de echtscheiding tussen eiser en zijn ex-echtgenote uitgesproken. Onderdeel van de beschikking is een tussen eiser en zijn ex-echtgenote gesloten echtscheidingsconvenant. 2.4. In het onder 2.3. vermelde echtscheidingsconvenant is onder meer opgenomen: “Artikel 2Partneralimentatie 2.1 Nihilbeding Op basis van ieders draagkracht en gezien de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap komen partijen overeen, dat zij na ontbinding van hun huwelijk tegenover elkaar niet tot betaling van alimentatie gehouden zullen zijn. 2.2 Niet wijzigingsbeding Het in art. 2.1 bepaalde kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens in het geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de partij die de wijziging verzoekt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in art. 1:159 lid 3 BW is bepaald. (…) Artikel 4Verdeling overige vermogensbestanddelen in de huwelijksgemeenschap (…) 4.5. Door bovenstaande verdeling wordt de man overbedeeld. Partijen verschillen echter met elkaar van mening over de hoogte van het bedrag aan overbedeling, (…) Ter beëindiging van de onzekerheid c.q. geschillen omtrent het bedrag aan overbedeling stellen partijen dit vast op een bedrag van € 50.000,--. ” 2.5. In de bezwaarfase heeft eiser een bericht van hem aan zijn ex-echtgenote overgelegd, waarin onder meer is opgenomen: “ Met die positieve blik wil ik je hierbij een all-in bod doen van 50.000 euro van mij aan jou, waarmee we spoedig een gezamenlijk verzoek bij de rechter kunnen doen met het oog op de scheiding en waarna we - bij acceptatie - volledig van elkaar gescheiden zullen zijn. We hebben de contouren besproken op 13 november 2019. Ik doe het aanbod sans prejudice en onder de volgende voorwaarden: (…) Alimentatie Eventuele alimentatie is in dit bod verwerkt. (…) Termijn Indien dit aanbod niet is geaccepteerd op 1 december 2019, dan komt dit te vervallen. ” 2.6. In de e-mail van 20 december 2019 van [scheidingsfiscalist] (scheidingsfiscalist) aan de ex-echtgenote inzake het echtscheidingsconvenant is onder meer het volgende opgenomen: “ art. 2.1.: waarom staat hier ‘gezien de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap’? Dit sugg (…) dat er sprake is van afkoop partneralimentatie. Althans dat zou de fiscus hier in kunnen lezen met als (…) dat jij dan wel [eiser] dit verplicht moet aangeven in de aangifte inkomstenbelasting. Laat dus om fisc (…) risicomijdende redenen ajb deze zinssnede ‘gezien de wijze van verdeling van de huwelijksgemeensc (…) uit. Het geeft onnodig fiscaal risico (voor jou) en voegt niets toe gezien de gemaakte afspraken. De volgende tekst kan voldoen (…) Partijen stellen vast dat zij ieder zelf voldoende in het eigen levensonderhoud kunnen voorzien en dat (…) derhalve geen aanspraak doen op een bijdrage in het levensonderhoud (partneralimentatie). ” 2.7. In de nota van afrekening van 8 september 2020 van Notariaat [notariaat] inzake de echtelijke woning is onder meer opgenomen dat de waarde van de woning € 360.000 bedraagt en dat eiser “wegens overbedeling” € 50.000 dient te betalen. 2.8. Eiser heeft op 10 mei 2021 een aangifte IB/PVV 2020 ingediend en daarin als volgt een nihil inkomen aangegeven: Eiser heeft € 76.338 aan belastbaar loon aangegeven. Eiser heeft per saldo € 6.554 negatief aan inkomsten en aftrekposten eigen woning aangegeven. Eiser heeft € 79.993 aan uitgaven voor onderhoudsverplichtingen afgetrokken. 2.9. Bij brief van 20 januari 2023 heeft de inspecteur eiser medegedeeld af te wijken van zijn aangifte op het punt van de aftrekbare uitgaven voor onderhoudsverplichtingen van € 79.993 en deze aftrek niet toe te staan. 2.10. Eiser heeft op 21 september 2022 een aangifte IB/PVV 2021 ingediend en daarin als volgt uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.147 aangegeven: Eiser heeft € 60.000 aan belastbaar loon aangegeven Eiser heeft per saldo € 3.526 negatief aan inkomsten en aftrekposten eigen woning aangegeven. Eiser heeft € 54.327 aan restant persoonsgebonden aftrek (PGA) vanwege eerder gedane uitgaven voor onderhoudsverplichtingen, afgetrokken. 2.11. Bij brief van 18 april 2023 heeft de inspecteur eiser medegedeeld af te wijken van zijn aangifte op het punt van de aftrek van het restant PGA van € 54.327 en deze aftrek niet toe te staan. De inspecteur concludeert tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.474. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt de uitspraken van de inspecteur van 4 maart 2025 die zien op het niet in aftrek toestaan van een bedrag aan uitgaven voor onderhoudsverplichtingen van € 79.993 in 2020, leidend tot een restant PGA van nihil en op het dientengevolge niet toestaan van de aftrek van een restant PGA in 2021. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Eiser is van mening dat hij ten tijde van de echtscheiding door overname van een schuld van € 43.000 en betaling van € 50.000 de alimentatieverplichting aan zijn ex-echtgenote heeft afgekocht. Dit leidt volgens eiser tot een nihil inkomen in 2020 en een beschikking restant PGA, die tot aftrek leidt in 2021. 4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de aanslag IB/PVV 2020, de daarbij horende beschikking PGA (van nihil) en de aanslag IB/PVV 2021 tot de juiste bedragen heeft vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1.
Volledig
Artikel 6.3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 bepaalt dat afkoopsommen van periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting als onderhoudsverplichtingen kwalificeren. Van zodanige uitkeringen of verstrekking is sprake wanneer rechtstreeks uit het familierecht een wettelijke verplichting tot het doen van die uitkeringen of verstrekkingen (partner-alimentatieverplichting) volgt, hetgeen kan blijken uit een rechterlijke uitspraak waarbij een uitkering tot levensonderhoud is toegekend, of uit een overeenkomst tussen partijen waarbij is bepaald dat de één tegenover de ander tot een uitkering tot diens levensonderhoud zal zijn gehouden. Om van een afkoopsom te kunnen spreken is vereist dat de gewezen echtgenoot, in dit geval de ex-echtgenote, een aanspraak op zodanige uitkeringen of verstrekkingen had, die aanspraak heeft prijsgegeven en daartegenover recht heeft gekregen op een door belanghebbende te verrichten vervangende betaling of andere kapitaalsuitgave. Onder een afkoopsom wordt mede begrepen een overbedeling die is verkregen tegenover het (deels) prijsgeven van een aanspraak op een alimentatie-uitkering. 5.2. De rechtbank overweegt dat op eiser, die de aftrekpost bepleit, de bewijslast rust eerst aannemelijk te maken dat er sprake is van een wettelijke verplichting, een rechterlijke uitspraak of een onderling overeengekomen afspraak waaruit betaling van partneralimentatie voortvloeit. Indien eiser hierin slaagt, dient hij aannemelijk te maken dat die alimentatieverplichting is afgekocht. Daarbij is van belang dat de betaling van een afkoopsom aannemelijk wordt gemaakt en zo ja, dat een causaal verband bestaat tussen de betalingen en het afzien van partneralimentatie. 5.3. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt aangevoerd dat uit het geheel van afspraken (2.3. tot en met 2.7.) moet worden afgeleid dat hij de alimentatieverplichting aan zijn ex-echtgenote heeft afgekocht. De inspecteur heeft aangevoerd dat uit het echtscheidingsconvenant (2.4.) volgt dat de ex-echtgenote geen recht op alimentatie-uitkeringen van eiser heeft en er dus ook geen sprake kan zijn van afkoop. 5.4. De rechtbank is van oordeel dat eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn ex-echtgenote een aanspraak had op partneralimentatie. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in het echtscheidingsconvenant (2.4.) inzake de partneralimentatie op basis van ieders draagkracht een nihilbeding is overeengekomen. Voor zover eiser verwijst naar het in de bezwaarfase overgelegde stuk (2.5.) overweegt de rechtbank dat onbekend is in welke fase van de echtscheiding dit stuk is opgemaakt en dat hierin wordt gesproken van een eventuele alimentatie. Daar staat tegenover dat de scheidingsfiscalist in haar e-mail van 20 december 2019 aan de ex-echtgenote (2.6.) spreekt van een, naar de rechtbank begrijpt onbedoelde suggestie van afkoop. Uit haar tekstvoorstel leidt de rechtbank af dat de ex-echtgenote heeft bedoeld om geen aanspraak te maken op partneralimentatie. 5.5. Overigens heeft eiser, naar het oordeel van de rechtbank, evenmin aannemelijk gemaakt dat de beweerdelijke partneralimentatie is afgekocht. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. Eiser is van mening dat hij de afkoopsom heeft betaald door schulden ten bedrage van € 43.000 over te nemen en door nabetaling van € 50.000. 5.6. Inzake de overname van schulden ten bedrage van € 43.000 overweegt de rechtbank dat eiser gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen deze betaling en het afzien van partneralimentatie. Wat betreft de betaling van € 50.000 verwijst eiser naar de onder 2.7. vermelde afrekening. De rechtbank overweegt dat daaruit weliswaar een betaling blijkt, maar dat gelet op de omschrijving “wegens overbedeling”, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen deze betaling en het afzien van partneralimentatie. Het betreft in dit geval immers geen overbedeling van zijn ex-echtgenote maar van eiser, zoals ook in het echtscheidingsconvenant is vermeld (2.4.). 5.7. Eiser heeft in dit kader nog gesteld dat in tegenstelling tot wat in de stukken is vermeld (2.4. en 2.7.) er sprake is van een overbedeling van de ex-echtgenote omdat de echtelijke woning ten tijde van de verdeling minder waard was dan op de afrekening van de notaris staat vermeld. Hij heeft hiertoe enkele foto’s van de woning en een verklaring van 28 oktober 2025 van [medewerker] , werkzaam bij een makelaar in [woonplaats] , overgelegd, waarin staat vermeld dat de woning destijds niet voor € 385.000 verkocht kon worden. De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van een overbedeling, laat staan hoe hoog die is geweest. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de enkele verklaring van eiser, de ongedateerde foto’s en de verklaring van [medewerker] bijna vijf jaar na dato, daartoe onvoldoende zijn. Ter zitting heeft eiser bovendien verklaard dat de door de notaris op de afrekening (2.7.) vermelde waarde van de woning aansloot bij de WOZ-waarde. 5.8. Voor zover eiser ter zitting heeft gesteld dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel dan wel het verbod op discriminatie omdat de inspecteur heeft nagelaten bij de ex-echtgenote over de gestelde afkoop van alimentatie inkomstenbelasting te heffen, gaat de rechtbank hieraan voorbij. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser dit onvoldoende heeft gesubstantieerd. 5.9. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser de in de aangifte IB/PVV 2020 opgenomen aftrekpost van € 79.993 vanwege de afkoop van partneralimentatie niet aannemelijk heeft gemaakt. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2020 tot het juiste bedrag opgelegd en terecht geen beschikking restant PGA gegeven. Vanwege het ontbreken van die beschikking restant PGA heeft de inspecteur ook de aanslag IB/PVV 2021 tot het juiste bedrag opgelegd. 6. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen. Conclusie en gevolgen 7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen IB/PVV over de jaren 2020 en 2021 alsmede de bijhorende belastingrentebeschikkingen 2020 en 2021 in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier. w.g. griffier w.g. rechter Uitgesproken op 2 december 2025. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 6.3, eerste lid, onder a, van de Wet IB 2001. Hoge Raad 16 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2134). Hoge Raad 3 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2874). Hoge Raad 19 september 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AK8291).
Volledig
Artikel 6.3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 bepaalt dat afkoopsommen van periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting als onderhoudsverplichtingen kwalificeren. Van zodanige uitkeringen of verstrekking is sprake wanneer rechtstreeks uit het familierecht een wettelijke verplichting tot het doen van die uitkeringen of verstrekkingen (partner-alimentatieverplichting) volgt, hetgeen kan blijken uit een rechterlijke uitspraak waarbij een uitkering tot levensonderhoud is toegekend, of uit een overeenkomst tussen partijen waarbij is bepaald dat de één tegenover de ander tot een uitkering tot diens levensonderhoud zal zijn gehouden. Om van een afkoopsom te kunnen spreken is vereist dat de gewezen echtgenoot, in dit geval de ex-echtgenote, een aanspraak op zodanige uitkeringen of verstrekkingen had, die aanspraak heeft prijsgegeven en daartegenover recht heeft gekregen op een door belanghebbende te verrichten vervangende betaling of andere kapitaalsuitgave. Onder een afkoopsom wordt mede begrepen een overbedeling die is verkregen tegenover het (deels) prijsgeven van een aanspraak op een alimentatie-uitkering. 5.2. De rechtbank overweegt dat op eiser, die de aftrekpost bepleit, de bewijslast rust eerst aannemelijk te maken dat er sprake is van een wettelijke verplichting, een rechterlijke uitspraak of een onderling overeengekomen afspraak waaruit betaling van partneralimentatie voortvloeit. Indien eiser hierin slaagt, dient hij aannemelijk te maken dat die alimentatieverplichting is afgekocht. Daarbij is van belang dat de betaling van een afkoopsom aannemelijk wordt gemaakt en zo ja, dat een causaal verband bestaat tussen de betalingen en het afzien van partneralimentatie. 5.3. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt aangevoerd dat uit het geheel van afspraken (2.3. tot en met 2.7.) moet worden afgeleid dat hij de alimentatieverplichting aan zijn ex-echtgenote heeft afgekocht. De inspecteur heeft aangevoerd dat uit het echtscheidingsconvenant (2.4.) volgt dat de ex-echtgenote geen recht op alimentatie-uitkeringen van eiser heeft en er dus ook geen sprake kan zijn van afkoop. 5.4. De rechtbank is van oordeel dat eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn ex-echtgenote een aanspraak had op partneralimentatie. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in het echtscheidingsconvenant (2.4.) inzake de partneralimentatie op basis van ieders draagkracht een nihilbeding is overeengekomen. Voor zover eiser verwijst naar het in de bezwaarfase overgelegde stuk (2.5.) overweegt de rechtbank dat onbekend is in welke fase van de echtscheiding dit stuk is opgemaakt en dat hierin wordt gesproken van een eventuele alimentatie. Daar staat tegenover dat de scheidingsfiscalist in haar e-mail van 20 december 2019 aan de ex-echtgenote (2.6.) spreekt van een, naar de rechtbank begrijpt onbedoelde suggestie van afkoop. Uit haar tekstvoorstel leidt de rechtbank af dat de ex-echtgenote heeft bedoeld om geen aanspraak te maken op partneralimentatie. 5.5. Overigens heeft eiser, naar het oordeel van de rechtbank, evenmin aannemelijk gemaakt dat de beweerdelijke partneralimentatie is afgekocht. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. Eiser is van mening dat hij de afkoopsom heeft betaald door schulden ten bedrage van € 43.000 over te nemen en door nabetaling van € 50.000. 5.6. Inzake de overname van schulden ten bedrage van € 43.000 overweegt de rechtbank dat eiser gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen deze betaling en het afzien van partneralimentatie. Wat betreft de betaling van € 50.000 verwijst eiser naar de onder 2.7. vermelde afrekening. De rechtbank overweegt dat daaruit weliswaar een betaling blijkt, maar dat gelet op de omschrijving “wegens overbedeling”, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen deze betaling en het afzien van partneralimentatie. Het betreft in dit geval immers geen overbedeling van zijn ex-echtgenote maar van eiser, zoals ook in het echtscheidingsconvenant is vermeld (2.4.). 5.7. Eiser heeft in dit kader nog gesteld dat in tegenstelling tot wat in de stukken is vermeld (2.4. en 2.7.) er sprake is van een overbedeling van de ex-echtgenote omdat de echtelijke woning ten tijde van de verdeling minder waard was dan op de afrekening van de notaris staat vermeld. Hij heeft hiertoe enkele foto’s van de woning en een verklaring van 28 oktober 2025 van [medewerker] , werkzaam bij een makelaar in [woonplaats] , overgelegd, waarin staat vermeld dat de woning destijds niet voor € 385.000 verkocht kon worden. De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van een overbedeling, laat staan hoe hoog die is geweest. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de enkele verklaring van eiser, de ongedateerde foto’s en de verklaring van [medewerker] bijna vijf jaar na dato, daartoe onvoldoende zijn. Ter zitting heeft eiser bovendien verklaard dat de door de notaris op de afrekening (2.7.) vermelde waarde van de woning aansloot bij de WOZ-waarde. 5.8. Voor zover eiser ter zitting heeft gesteld dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel dan wel het verbod op discriminatie omdat de inspecteur heeft nagelaten bij de ex-echtgenote over de gestelde afkoop van alimentatie inkomstenbelasting te heffen, gaat de rechtbank hieraan voorbij. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser dit onvoldoende heeft gesubstantieerd. 5.9. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser de in de aangifte IB/PVV 2020 opgenomen aftrekpost van € 79.993 vanwege de afkoop van partneralimentatie niet aannemelijk heeft gemaakt. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2020 tot het juiste bedrag opgelegd en terecht geen beschikking restant PGA gegeven. Vanwege het ontbreken van die beschikking restant PGA heeft de inspecteur ook de aanslag IB/PVV 2021 tot het juiste bedrag opgelegd. 6. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen. Conclusie en gevolgen 7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen IB/PVV over de jaren 2020 en 2021 alsmede de bijhorende belastingrentebeschikkingen 2020 en 2021 in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier. w.g. griffier w.g. rechter Uitgesproken op 2 december 2025. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 6.3, eerste lid, onder a, van de Wet IB 2001. Hoge Raad 16 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2134). Hoge Raad 3 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2874). Hoge Raad 19 september 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AK8291).