Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-06-24
ECLI:NL:RBNNE:2025:3738
Civiel recht
Op tegenspraak
1,432 tokens
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Assen
Zaaknummer: 11598494 \ CV EXPL 25-1064
Vonnis van 24 juni 2025
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. C.J. Diks,
tegen
1 [gedaagde 1] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
gemachtigde: mr. A.A.R. van Eijsden,2. [gedaagde 2],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
gemachtigde: mr. J.C. Siebert.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 februari 2025,- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] op de rol van 13 mei 2025,
de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] op de rol van 13 mei 2025, tevens houdende de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring,- de conclusie van antwoord in het incident van [eiser] op de rol van 27 mei 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
2.1.
[eiser] vordert in de hoofdzaak, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 25.000,00, vermeerderd met rente en kosten.
Geschil
3.1.
[gedaagde 1] vordert in het incident dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen en de zaak door te verwijzen naar een andere kamer van de rechtbank. Zij voert daartoe aan dat de kantonrechter niet op grond van het bepaalde in artikel 93 onder a Rv bevoegd is om de zaak te behandelen en hierop te beslissen omdat de rechtstitel, die door [gedaagde 1] wordt betwist, het belang van € 25.000,00 te boven gaat. [eiser] heeft haar vordering weliswaar beperkt tot een bedrag van € 25.000,00, maar zij heeft niet expliciet afstand gedaan van het meerdere. [gedaagde 1] stelt dat de kantonrechter in dat geval onbevoegd is.
3.2.
[eiser] concludeert dat de kantonrechter bevoegd is. Zij voert hiertoe aan dat de bevoegdheidsgrens van 93 onder a Rv is gebaseerd op de ingediende vordering en niet perse op de werkelijke omvang van de vordering. De latere vaststelling over de werkelijke vordering is hierbij volgens [eiser] niet van belang.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter behandelt en beslist in zaken waarin het om een vordering van maximaal € 25.000,00 gaat, tenzij de rechtstitel die € 25.000,00 te boven gaat en die rechtstitel wordt betwist, aldus artikel 93 aanhef en onder a Rv.
4.2.
De rechtstitel waar [eiser] zich op beroept gaat het bedrag van€ 25.000,00 te boven (€ 25.456,09). [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten in hun conclusie van antwoord de rechtstitel waarop [eiser] zich beroept. Dit betekent dat de kantonrechter niet bevoegd is kennis te nemen van de vordering van [eiser] .
4.3.
Het voorgaande was anders geweest als [eiser] bij het beperken van haar vordering tot € 25.000,00 uitdrukkelijk afstand had gedaan van haar (eventuele) recht op het meerdere, zie ECLI:NL:HR:1950:183. Dat heeft zij echter niet gedaan.
4.4.
Ingevolge het eerste lid van artikel 71 Rv zal de kantonrechter de zaak dan ook, in de stand waarin deze zich thans bevindt, verwijzen naar het team handelsrecht.
4.5.
Partijen kunnen aldaar niet in persoon verder procederen. Zij dienen zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat.
4.6.
[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident veroordeeld. Die proceskosten worden tot aan deze uitspraak begroot op € 543,00 (één punt) aan salaris voor de advocaat van [gedaagde 1] .
Dictum
De kantonrechter
in het incident
5.1.
wijst de vordering tot verwijzing naar de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, afdeling privaatrecht, team handel toe;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde 1] tot op heden begroot op € 543,00;
in de hoofdzaak
5.3.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de handelskamer van deze rechtbank, locatie Assen, op woensdag 9 juli 2025 om
10.00
uur;
5.4.
wijst partijen erop dat zij aldaar en alsdan advocaat dienen te stellen, hetgeen betekent dat partijen voor wat betreft het vervolg van de procedure niet meer zelf, maar slechts door tussenkomst van een advocaat proceshandelingen kunnen verrichten;
5.5.
wijst [eiser] erop dat na verwijzing een verhoogd griffierecht is verschuldigd - namelijk € 2.995,00, dat de verhoging derhalve € 1.534,00 bedraagt en dat deze verhoging binnen vier weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie moet zijn gestort;
5.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.R. de Locht en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2025.