Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-01-13
ECLI:NL:RBNNE:2025:282
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,184 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4975
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 januari 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker, wettelijk vertegenwoordigd door [ouder]
(gemachtigde: L.R.J. Folkers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam, het college.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling
3. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. De voorzieningenrechter is gehouden ambtshalve na te gaan of formele connexiteit aanwezig is. Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. In het onderhavige geval houdt formele connexiteit in dat het door verzoeker ingediende verzoek betrekking moet hebben op een aan hem gericht besluit van het college, waartegen hij bij het college bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld.
5. Verzoeker heeft in het verzoekschrift en in het latere schrijven van 29 december 2024 aangegeven dat de voorlopige voorziening is gekoppeld aan de brief van het college van 18 december 2024. Deze brief dient, aldus verzoeker, te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
6. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de brief van 18 december 2024 niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
6.1.
In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder een besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, dat wil zeggen een handeling gericht op rechtsgevolg.
6.2.
Het college heeft in de brief van 18 december 2024 aangegeven dat het, voordat zij kunnen beslissen op de aanvraag van verzoeker, noodzakelijk is om een onderzoek uit te voeren. Naar aanleiding van dit onderzoek zal een advies worden uitgebracht en zal worden bekeken en besproken hoe verder gehandeld dient te worden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan een dergelijke mededeling niet worden aangemerkt als het verrichten van een rechtshandeling, omdat hiermee geen rechtsgevolg in het leven wordt geroepen. Pas wanneer daadwerkelijk wordt beslist op de aanvraag van verzoeker is sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen rechtsmiddelen openstaan.
7. Gelet op het bovenstaande voldoet het verzoekschrift naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan het connexiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, aangezien het verzoekschrift niet is gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
Conclusie
8. De voorzieningenrechter zal gelet op het bovenstaande het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
13 januari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.