Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-02-13
ECLI:NL:RBNNE:2025:1846
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,514 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/1429
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. A. Kwint),
en
Instituut Mijnbouwschade Groningen, het IMG
(gemachtigden: mrs. R.A.M.H.W. Wierenga en A.G. Sol).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het toegekende bedrag, voor vergoeding voor schade aan de woning van eiser, veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten.
1.1.
Het IMG heeft met het besluit van 9 september 2021 een bedrag van in totaal € 11.380,25 toegekend aan eiser. Met het bestreden besluit van 16 februari 2023 op het bezwaar van eiser is het IMG bij deze toekenning gebleven.
1.2.
Tegen dit besluit is door eiser beroep ingesteld. Op 24 april 2023 zijn de gronden van beroep ingediend. Op 16 mei 2023 zijn de gronden van beroep aangevuld, bestaande uit een contra-expertise door H. Plattje van A2 Experts bv.
1.3.
Het IMG heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift, voorzien van een deskundigenbericht van deskundige R. Wiersum van DOG.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2024 op zitting behandeld. Eiser, zijn dochter, zijn gemachtigde en de deskundige van eiser, Plattje, waren bij de zitting aanwezig. Namens het IMG hebben zijn gemachtigden en deskundige Wiersum aan de zitting deelgenomen.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser is sinds 1997 eigenaar van de in 1995 gebouwde woning aan de [adres] te [woonplaats].
2.1.
Eiser ontdekte in 2020, zowel aan de binnen- als de buitenzijde van een muur van de woning roetvlekken. Dit betreft de (buiten)muur waarlangs de schoorsteen van de open haard loopt. Hierop heeft hij deze schade gemeld bij zijn opstalverzekeraar, waarna de verzekeraar ’t Stokertje Kachelparadijs bv onderzoek heeft laten doen naar de schoorsteen. Vervolgens heeft ’t Stokertje een rapport opgesteld. Omdat er volgens ‘t Stokertje sprake zou kunnen zijn van lekkage in de rookgasafvoer, aldus als gevolg van scheurvorming, heeft eiser op 29 januari 2021 een melding gedaan van schade bij het IMG.
2.2.
Op 15 april 2021 heeft DOG een schadeopname uitgevoerd. In het adviesrapport van 19 mei 2021 heeft deskundige C. Muller van DOG 41 schades beoordeeld en geadviseerd tot een schadevergoeding van € 10.652,75. Over eventuele lekkage van het rookkanaal is het volgende in het adviesrapport opgenomen:
‘De bewoner geeft met betrekking tot de schades 1 en 4 aan dat er wellicht sprake is van een lekkage in de rookgasafvoer. Op het moment van de opname is er vlekvorming aangetroffen en geen verdere schade. Ons advies is om eventuele schade aan de rookgasafvoer te laten onderzoeken door een gecertificeerde deskundige.’
2.3.
Op 23 mei 2021 heeft eiser een zienswijze op het adviesrapport ingediend. Naar aanleiding van de zienswijze is op 15 juli 2021 een herzien adviesrapport opgesteld door Muller, waarin 43 schades beoordeeld worden. Muller is tot de conclusie gekomen dat er inderdaad sprake is van lekkage van het rookkanaal en heeft deze schade beoordeeld onder schadenummer 42. Volgens Muller wordt de lekkage van het rookkanaal veroorzaakt doordat de lijm tussen de blokken, waaruit de schoorsteen is opgebouwd, zijn werking heeft verloren. Dit is het gevolg van langdurige blootstelling aan onder meer hoge temperaturen. Muller is bij zijn eerder geadviseerde schadevergoeding gebleven.
2.4.
Met het besluit van 9 september 2021 heeft het IMG aan eiser een schadevergoeding van € 11.380,25 toegekend. Dit bedrag is inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente.
2.5.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 september 2021. Ter onderbouwing heeft eiser een reactie van ’t Stokertje, een reactie en een offerte van aannemer Brands Bouw en een contra-expertise E.K. Veenstra van Tandem Schade-expertise & Advies bv meegestuurd.
2.6.
Het IMG heeft de Bezwaaradviescommissie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (de bezwaaradviescommissie) om advies gevraagd. De bezwaaradviescommissie heeft een hoorzitting gehouden, waarbij aan deskundige Y. Haitsma van DOG is gevraagd om een reactie te geven op hetgeen door eiser naar voren is gebracht in de bezwaarprocedure. Volgens Haitsma is er geen sprake van lekkage van het rookkanaal. De roetvorming is volgens hem het gevolg van vuil dat wordt opgewarmd en naar buiten wordt geperst langs de openingen aan de bovenzijde van het rookkanaal, bij de aansluiting met het dakoverstek.
2.7.
De bezwaaradviescommissie volgt in haar advies van 7 november 2022 de beoordeling door Haitsma; er is geen sprake van lekkage van het rookkanaal. Omdat er geen fysieke schade is waargenomen, kon een beoordeling van het rookkanaal terecht achterwege worden gelaten.
2.8.
Met het bestreden besluit van 16 februari 2023 heeft het IMG het bezwaar, in overeenstemming met het advies van de bezwaaradviescommissie, ongegrond verklaard.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of het IMG terecht geen nader onderzoek heeft laten uitvoeren naar mogelijke fysieke schade aan het rookkanaal.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is er sprake van fysieke schade?
5. Tijdens de zitting heeft eiser het beroep toegespitst op de mogelijke lekkage van het rookkanaal, schade 42. De overige schades zijn niet meer in geschil. Eiser stelt zich op het standpunt dat er sprake is van lekkage van het rookkanaal, die is veroorzaakt door scheurvorming. Daarom is het bewijsvermoeden van toepassing. Bij de eerste schadeopname heeft eiser de schadeopnemer van DOG gewezen op de mogelijkheid van scheurvorming in het rookkanaal en het rapport van ’t Stokertje beschikbaar gesteld. De deskundige van het IMG, Muller, heeft het IMG in zijn eerste adviesrapport bovendien geadviseerd om een nader onderzoek te doen naar het rookkanaal. Eiser is van mening dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat de schade bestaat en dat dit aanleiding had moeten zijn voor het IMG om hier nader onderzoek naar te doen. Bijvoorbeeld met een infraroodcamera.
5.1.
Het IMG stelt zich op het standpunt dat van fysieke schade aan het rookkanaal niet is gebleken. Het is aan eiser te bewijzen en te onderbouwen dat er sprake is van fysieke schade. De onderzoeksplicht ligt bij hem. Eiser heeft hier niet aan voldaan. Het ontbreken van fysieke schade zorgt ervoor dat het bewijsvermoeden niet van toepassing is. Desondanks heeft het IMG aan deskundige Wiersum gevraagd om een nadere toelichting. Wiersum concludeert ook dat niet is gebleken van scheurvorming in het rookkanaal. Hij heeft wel een nadere toelichting gegeven over het ontstaan van schades 1 en 4 (de roetvlekken). Volgens Wiersum is er sprake van een bouwkundig gebrek. Het bovenste element van het rookkanaal is niet volledig afgesloten. Hierdoor zakken de rookgassen als het ware weer terug in het rookkanaal. Het gehele rookkanaal wordt tijdens het stoken van de haard heter dan bedoeld, waardoor meer thermische spanning op de lijmverbinding tussen de elementen komt en scheurvorming op de verbinding sneller kan optreden. De rookgaslekkage wordt zichtbaar doordat de naar buiten gelekte rookgassen vervolgens door het niet/onvoldoende gesloten metselwerk van het binnen-spouwblad naar buiten kunnen treden en hier schades 1 en 4 veroorzaakt.
5.2.
De door eiser ingeschakelde deskundige, Plattje, heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij de door Wiersum genoemde oorzaak onwaarschijnlijk acht, omdat warme lucht opstijgt en niet terug kan zakken naar beneden.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 6:177a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek volgt dat, om het bewijsvermoeden van toepassing te laten zijn, er sprake moet zijn van fysieke schade. De rechtbank is van oordeel dat niet met voldoende zekerheid kan worden uitgesloten dat er sprake is van fysieke schade aan het rookkanaal. Het lag op de weg van het IMG om hier nader onderzoek naar te doen, hiertoe had hij ook aanleiding moeten zien. Dit gelet op de roetvlekken, de opmerking van Muller over nader onderzoek in zijn eerste adviesrapport en het rapport van ’t Stokertje, waarin wordt opgemerkt dat lekkage niet uitgesloten kan worden. Zo is er door ’t Stokertje op gewezen dat hun onderzoek is uitgevoerd terwijl het rookkanaal koud was, waardoor eventuele scheuren niet zichtbaar waren tijdens de inwendige camera-inspectie. In warme toestand zouden de eventuele scheuren door uitzetting meer open kunnen gaan staan, met rookgaslekkage als mogelijk gevolg. Dat in het rapport van ’t Stokertje ook andere mogelijke oorzaken genoemd worden, maakt niet dat het IMG daarmee werd ontslagen van zijn onderzoeksplicht. De rechtbank weegt daarnaast mee dat de verschillende door het IMG ingeschakelde deskundigen, allen (in meerdere of mindere mate) wisselende oorzaken hebben genoemd. Dit is voor de weerlegging van het bewijsvermoeden niet voldoende.
5.3.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het IMG een nader onderzoek naar het rookkanaal ten onrechte niet heeft laten uitvoeren. De Praktische uitwerking Tijdelijke wet Groningen voor deskundigen biedt hier ook voldoende mogelijkheden voor. Dit betekent dat het IMG in deze procedure niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat het IMG opnieuw moet beslissen over het al dan niet aanwezig zijn van fysieke schade aan het rookkanaal. Tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase is door verweerders deskundige Haitsma naar voren gebracht dat het middels een infraroodmeting als het rookkanaal in gebruik is, vrij eenvoudig te beoordelen is of er, en zo ja waar, een lekkage in het rookkanaal zit. De rechtbank draagt het IMG op alsnog adequaat onderzoek te laten uitvoeren. Indien uit het nader onderzoek blijkt dat er sprake is van fysieke schade aan het rookkanaal, kan vervolgens beoordeeld worden of dit wel of niet veroorzaakt is door mijnbouwactiviteiten vanuit het Groningenveld. Nader onderzoek kan dus mogelijk leiden tot het alsnog weerleggen van het bewijsvermoeden.
5.5.
Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding om in te gaan op het overige dat door partijen naar voren is gebracht ten aanzien van het rookkanaal.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit, in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet tot stand is gekomen met de vereiste zorgvuldigheid. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarin is beslist over schade 42.
6.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het IMG een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het IMG het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
6.2.1.
De vergoeding voor de rechtsbijstand door een gemachtigde bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
6.2.2.
Daarnaast heeft eiser de kosten van het inroepen van deskundigenbureau A2 Experts als proceskosten opgegeven. Deze kosten, voor een bedrag van € 574,75, komen in dit geval voor vergoeding in aanmerking.
6.2.3.
De totale vergoeding van de proceskosten dient te worden gesteld op een bedrag van € 2.388,75 (€ 1.814,- + € 574,75).
6.2.4.
De vergoeding voor het griffierecht bedraagt € 184,-.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 16 februari 2023 voor zover daarin is beslist over schade 42;
- draagt het IMG op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het IMG het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het IMG tot betaling van € 2.388,75 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R. Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Huizenga-Bergsma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.