Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-05-15
ECLI:NL:RBNNE:2025:1834
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,147 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1519
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 mei 2025 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] ,
(gemachtigde: mr. J. van Groningen), verzoekster
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Vooijs).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster tegen een besluit over openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de verzoeken kennelijk gegrond zijn.
1.2.
Verweerder heeft met een besluit van 10 april 2025 beslist over openbaarmaking. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling
2. Op 6 september 2024 heeft de Stichting Animal Rights bij verweerder een verzoek op grond van de Woo ingediend. In dit verzoek wordt gevraagd om openbaarmaking van documenten over de periode 1 augustus 2023 tot en met 6 september 2024 die, kort gezegd, gaan over het aanbieden van niet dode dieren aan het destructiebedrijf Rendac Son B.V.
2.1.
In het bestreden besluit heeft verweerder besloten een deel van de gevraagde informatie openbaar te maken, voor zover deze is aangetroffen. Verweerder heeft gezien de uitzonderingsgronden ‘eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer’ en ‘het voorkomen van onevenredige benadeling’ tot beperkingen in de openbaarmaking besloten. Verweerder heeft de documenten nog niet feitelijk geopenbaard om belanghebbenden de gelegenheid te geven bezwaar te maken en te vragen om het treffen van een voorlopige voorziening.
2.2.
Bij schrijven van 10 april 2025 heeft verweerder aan verzoekster onder meer bericht dat zij twee weken de tijd krijgt om de openbaarmaking tegen te houden door bezwaar te maken en door te vragen om het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekster is hiertoe overgegaan.
2.3.
Verweerder heeft de rechtbank desgevraagd bericht de openbaarmaking niet op te schorten hangende de bezwaarprocedure.
3. De rechtbank overweegt dat afwijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zou betekenen dat de openbaarmaking reeds zal plaatsvinden voordat verweerder op grondslag van het bezwaar het bestreden besluit volledig heroverweegt. De bezwaarprocedure zou daarmee zinledig worden.
Conclusie
4. Het verzoek is daarom kennelijk gegrond. De voorzieningenrechter treft de voorziening dat geen openbaarmaking zal plaatsvinden tot twee weken na het te nemen besluit op bezwaar.
5. Gezien de toewijzing van het verzoek ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Omdat elke proceshandeling een waarde heeft van € 907,-, bedraagt de vergoeding in totaal € 907,-.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- bepaalt dat openbaarmaking wordt opgeschort tot twee weken nadat op het bezwaar beslist zal zijn;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.