Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-03-13
ECLI:NL:RBNNE:2024:824
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,226 tokens
Inleiding
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18/158918-21
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 maart 2024 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 februari 2024.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.L.A.M. Pluijmakers, advocaat te Almere. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
zij op of omstreeks 12 november 2019 te [plaats] , in elk geval in de gemeente Weststellingwerf, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, meerdere wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een revolver, van het merk Charter Arms Corp. (type Undercover . 38 SPL) kaliber
.38 special) en/of
- een pistool (van het merk FN, type Baby Browning), kaliber 6.35 mm(.25 ACP),
zijnde (elk) een vuurwapen in de vorm van (respectievelijk) een pistool en/of een revolver en/of een pistool en/of
- een of meer onderdelen van vuurwapens, te weten patroonmagazijnen, van een of meer van die voornoemde (vuur)wapens, voorhanden heeft gehad;
2.
zij op of omstreeks 12 november 2019 te [plaats] , in elk geval in de gemeente Weststellingwerf, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een, alarmpistool van het merk Em-Ge, kaliber 6 mm, voorhanden heeft gehad;
3.
zij op of omstreeks 12 november 2019 te [plaats] , in elk geval gemeente Weststellingwerf, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, munitie van categorie II of III van de Wet wapens en munite, te weten
2 kogelpatronen van het merk CBC (Companhia Brasileira de Cartuchos/.38 Speciel "Wadcutter"), kaliber .38 special en/of
1 kogelpatroon, van het merk Fiocchi/volmantel, kaliber 6.35(.25 ACP) en/of
1 kogelpatroon, kaliber 6.35(.25 ACP, en/of
50 kogelpatronen, van het mer Fiocchi/Volmantel, kaliber 9mm LUGER (9xl9mm) en/of
een grote hoeveelheid, althans meerdere, knalpatronen, van het merk Huck Metaalwarenfabrik (type Oefen,Knal) kaliber 7,62x51, voorhanden heeft gehad;
Beoordeling
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte de feitelijke beschikkingsmacht over de ten laste gelegde wapens en munitie heeft gehad, nu zij in het ziekenhuis verbleef en de sleutel van haar woning aan haar ex-vriend had gegeven.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte aantoonbaar niet in de woning verbleef op 12 november 2019 en in de periode daarvoor en dat zij bovendien niet over een sleutel van de woning beschikte. Verdachte had dan ook geen enkele wetenschap van de aanwezigheid van de in de tenlastelegging opgenomen voorwerpen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het onder 1., 2. en 3. tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt hiertoe dat is gebleken dat verdachte voorafgaand aan en op het moment waarop de wapens en munitie in haar woning zijn aangetroffen in het ziekenhuis verbleef. De rechtbank is -net als de officier van justitie en de verdediging- van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte de tenlastegelegde voorwerpen voorhanden heeft gehad.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1., 2. en 3. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. de Jong, voorzitter, mr. M. Brinksma en mr. L.S. Langius, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 maart 2024.