Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-12-13
ECLI:NL:RBNNE:2024:5363
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,462 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaak-/rekestnummer: C/17/189204 / FA RK 23-847
beschikking van de enkelvoudige kamer van 13 december 2024
in de zaak van
[naam] ,
wonende te [plaats] ,
hierna ook te noemen de vrouw,
en
[naam] ,
wonende te [plaats] ,
hierna ook te noemen de stiefvader,
beiden bijgestaan door advocaat mr. T. Bijlsma, kantoorhoudende te Heerenveen,
tegen
[naam] ,
wonende te [plaats] ( [land] ),
hierna ook te noemen de man,
advocaat mr. F. Hofstra, kantoorhoudende te Leeuwarden.
1. Het verdere procesverloop
1.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 29 mei 2024 heeft de rechtbank het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: het IJI) tot deskundige benoemd en een deskundigenonderzoek gelast naar (kort gezegd) de vraag of de man naar Noors recht gezag heeft over [de minderjarige] . Iedere verdere beslissing is aangehouden in afwachting van dit onderzoek en de reacties van partijen op de uitkomsten hiervan.
1.2.
Na 29 mei 2024 heeft de rechtbank kennisgenomen van de volgende stukken:
- het rapport van het IJI, ontvangen op 13 september 2024;
- de reactie van de man op het rapport van het IJI, ontvangen op 3 oktober 2024;
- de reactie van de vrouw en de stiefvader op het rapport van het IJI, ontvangen op 4 oktober 2024;
- het bericht van de vrouw en de stiefvader, ontvangen op 11 oktober 2024.
1.3.
De zaak is vervolgens pro forma behandeld.
2. Nadere stukken, nadere standpunten en de beoordeling daarvan
2.1.
Tussen partijen is in geschil of de man naar Noors recht van rechtswege het gezag over [de minderjarige] uitoefent. De rechtbank heeft in de beschikking van 29 mei 2024 overwogen dat zij zich onvoldoende geïnformeerd achtte om (aan de hand van het Noorse recht) te beoordelen of er gezamenlijk gezag ontstaat in situaties waarin de vader het kind tijdens de geboorte heeft erkend en de ouders op dat moment ook duurzaam samenwoonden als ware zij gehuwd, maar zij op dat moment niet stonden ingeschreven op hetzelfde adres in het Noorse Rijksregister en zij geen (samenwoon)verklaring als bedoeld in § 39, tweede volzin van de Noorse "Lov om barn og foreldre (barnelova)" hebben afgegeven. De rechtbank heeft in haar beschikking van 29 mei 2024 daarom ambtshalve het IJI benoemd tot deskundige om de rechtbank hier duidelijkheid over te verschaffen.
2.2.
Uit het rapport van het IJI - dat aan deze beschikking is gehecht - blijkt kort samengevat dat de vraag of de man van rechtswege met het gezag over [de minderjarige] is belast in beginsel moet worden beoordeeld naar Nederlands recht. Op grond van het Nederlandse recht is er tijdens de geboorte van [de minderjarige] niet van rechtswege gezamenlijk gezag ontstaan. Op 1 mei 2011 is vervolgens het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 in werking getreden. Sinds die datum wordt het van rechtswege ontstaan van het ouderlijk gezag van een persoon die dit gezag niet al heeft door dit nieuwe verdrag beheerst. Op grond van artikel 16, eerste lid van dat verdrag, geldt bij die beoordeling het recht van de gewone verblijfplaats van het kind. Aangezien [de minderjarige] op 1 mei 2011 zijn gewone verblijfplaats in Noorwegen had, moet aan de hand van Noors recht worden beoordeeld of de man van rechtswege met het gezag over [de minderjarige] is belast. Aan de hand van het Noorse recht krijgen samenwonende ouders alleen samen het gezag over hun kind als zij op hetzelfde adres staan ingeschreven in het Noorse Rijksregister. Als de ouders op verschillende adressen geregistreerd staan, maar zij wel feitelijk samenwonen, kunnen zij bij de erkenning van hun kind door middel van het invullen van een 'samenwoonverklaring' aangeven dat zij als samenwonende ouders in de zin van de wet aangemerkt willen worden. In deze samenwoonverklaring kunnen ouders ook aangeven of zij gezamenlijk het gezag over hun kind willen uitoefenen. Dit wordt vervolgens in het Rijksregister geregistreerd. Ouderlijk gezag kan niet ontstaan of ophouden zonder dat dit wordt geregistreerd in het Rijksregister. Aangezien uit het Noorse Rijksregister blijkt dat alleen de vrouw het gezag over [de minderjarige] uitoefent, heeft de man naar Noors recht niet van rechtswege het gezamenlijke gezag over [de minderjarige] verkregen. Op grond van artikel 16, derde en vierde lid van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is er ook na de verhuizing van [de minderjarige] naar Nederland geen gezamenlijk gezag ontstaan.
2.3.
Beide partijen hebben in reactie op het rapport van het IJI aangegeven dat het IJI gedegen onderzoek heeft verricht en dat zij zich kunnen vinden in de conclusies van het rapport. Ook de rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het rapport van het IJI en deelt de daaruit volgende conclusies. De rechtbank zal daarom uitgaan van de situatie dat de vrouw eenhoofdig het gezag over [de minderjarige] uitoefent. De voorliggende verzoeken zullen aan de hand van die situatie worden beoordeeld.
Verklaring voor recht
2.4.
De man heeft aanvankelijk verzocht om hem samen met de vrouw met het gezag over [de minderjarige] te belasten. Op 12 december 2023 heeft de man dit verzoek gewijzigd en heeft hij de rechtbank verzocht om een verklaring voor recht te geven dat de man samen met de vrouw met het gezag over [de minderjarige] is belast.
2.5.
Nu uit het rapport van het IJI is gebleken dat de man zowel naar Nederlands recht als naar Noors recht niet van rechtswege met het gezag over [de minderjarige] is belast, zal de rechtbank het gewijzigde verzoek van de man afwijzen. Aangezien de man zijn oorspronkelijke verzoek om hem samen met de vrouw met het gezag over [de minderjarige] te belasten heeft gewijzigd, hoeft de rechtbank op dat verzoek niet meer te beslissen.
Adoptie
2.6.
De vrouw en de stiefvader hebben primair verzocht om de adoptie van de stiefvader over [de minderjarige] uit te spreken. De man is het niet eens met dit verzoek en heeft verzocht om afwijzing daarvan.
Juridisch kader
2.7.
De rechtbank wil allereerst opmerken dat (stiefouder)adoptie een ingrijpende beslissing is. Door de adoptie van een kind, ontstaat er een familierechtelijke betrekking tussen het kind en de adoptieouder en wordt de familieband met de biologische ouder doorbroken. Doordat adoptie zo'n ingrijpende beslissing is, stelt de wet strenge eisen aan het verzoek van de vrouw en de stiefvader om [de minderjarige] door de stiefvader te laten adopteren. Deze eisen zijn omschreven in artikel 1:227 en artikel 1:228 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.8.
Op grond van artikel 1:227, tweede en derde lid BW is de adoptie van [de minderjarige] door de stiefvader alleen mogelijk als:
- de stiefvader en de moeder tenminste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voor de indiening van het verzoek met elkaar hebben samengeleefd;
- de adoptie kennelijk in het belang van [de minderjarige] is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat [de minderjarige] niets meer
van zijn biologische vader (in dit geval: de man) in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 1:228 BW, is voldaan.
Beoordeling
2.10.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw en de stiefvader ten aanzien van de adoptie afwijzen. De rechtbank is namelijk van oordeel dat er niet aan de voorwaarden van artikel 1:227, derde lid, BW is voldaan, omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat de adoptie kennelijk in het belang van [de minderjarige] is en dat [de minderjarige] nu of in de toekomst niets meer van zijn vader in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.
2.11.
Vaststaat dat [de minderjarige] toen hij ongeveer anderhalf jaar oud was vanuit Noorwegen met de vrouw naar Nederland is verhuisd. De man is in Noorwegen blijven wonen. Sinds [jaar] is de stiefvader betrokken in het leven van [de minderjarige] De stiefvader draagt sindsdien samen met de vrouw zorg voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Tussen [de minderjarige] en de man is al jaren geen contact. De ouders van [de minderjarige] hebben een geheel eigen visie op de vraag hoe en waarom de contactbreuk tussen [de minderjarige] en de man is ontstaan en in stand is gehouden, maar voor de rechtbank staat voorop dat de gecreëerde situatie niet in het belang van [de minderjarige] is geweest. Ook is de rechtbank met de Raad van oordeel dat zowel de man als de vrouw hier een aandeel in hebben gehad. Zij hebben beiden niet altijd de verantwoordelijkheid genomen om de rol van de andere ouder te erkennen. De man heeft dit ook gedeeltelijk erkend en daarbij aangegeven dat hij de afgelopen jaren meer had kunnen doen om te proberen om toch een rol in het leven van [de minderjarige] te vervullen. Dit heeft hij door omstandigheden tot nu toe nagelaten.
2.12.
Hoewel de man de afgelopen jaren nauwelijks betrokken is geweest in het leven van [de minderjarige] , betekent dit naar het oordeel van de rechtbank niet dat [de minderjarige] niks meer van de man als vader te verwachten heeft. [de minderjarige] heeft tijdens zijn gesprek met de rechter verteld dat hij op dit moment geen behoefte heeft aan contact met zijn vader. De man heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij deze wens van [de minderjarige] respecteert, maar dat hij ook de hoop heeft dat dit in de toekomst verandert. Ook heeft de man onlangs nog geprobeerd om [de minderjarige] een (voorzichtige) ingang voor contactherstel te bieden, door zijn social-mediagegevens met [de minderjarige] te delen. Naar het oordeel van de rechtbank is het in deze situatie begrijpelijk dat de man [de minderjarige] niet in het contact wil pushen. Dat zou ook niet in het belang van [de minderjarige] zijn. Dat de man tot nu toe nauwelijks een rol in het leven van [de minderjarige] heeft vervuld, betekent echter nog niet dat hij die rol ook in die toekomst nooit zal vervullen. Naar het oordeel van de rechtbank is het nog te vroeg om die conclusie nu al te trekken, vooral nu [de minderjarige] zijn vader nooit goed heeft leren kennen en die kans tot nu toe door toedoen van zowel de man als de vrouw ook nooit goed heeft gekregen.
2.13.
[de minderjarige] heeft tijdens zijn gesprek met de rechter heel duidelijk verteld dat hij zijn stiefvader ziet als zijn vader en dat hij daarom wil dat die band ook in rechte vast komt te staan. Alle betrokken partijen - ook de man - erkennen ook dat de stiefvader al jaren de vaderrol in het leven van [de minderjarige] vervult en dat de stiefvader samen met de vrouw de belangrijkste persoon vormt in het leven van [de minderjarige] . Dit neemt echter niet weg dat de man de biologische en de juridische vader van [de minderjarige] is. Juist nu [de minderjarige] nog jong is, acht de rechtbank het niet in zijn belang om die familieband nu al definitief door te snijden. Dat gebeurt wel als de rechtbank nu zou bepalen dat de stiefvader [de minderjarige] mag adopteren. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw en de stiefvader ten aanzien van de adoptie daarom afwijzen.
2.14.
De rechter wil richting [de minderjarige] nog benadrukken dat de afwijzing van het adoptieverzoek puur een juridische beslissing is. Die beslissing doet niets af aan de hechte band tussen [de minderjarige] en zijn stiefvader. Gelet op wat [de minderjarige] tijdens zijn gesprek met de rechter heeft verteld, heeft de rechter er ook vertrouwen in dat deze band ook zonder de adoptie zal blijven bestaan.
Gezamenlijk gezag door de vrouw en de stiefvader
2.15.
Nu de rechtbank het primaire verzoek van de vrouw en de stiefvader zal afwijzen, komt zij toe aan het subsidiaire verzoek van de vrouw en de stiefvader om hen samen met het gezag over [de minderjarige] te belasten.
2.16.
Op grond van artikel 1:253t, eerste lid, BW kan de rechter de ouder die alleen het gezag heeft samen met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat met het gezag over dat kind belasten. Aangezien [de minderjarige] in deze situatie ook nog in familierechtelijke betrekking staat tot de man, kan de rechter het verzoek van de vrouw en de stiefvader om hen samen met het gezag over [de minderjarige] te belasten op grond van het tweede lid van artikel 1:253t BW alleen toewijzen als de vrouw en de stiefvader op de dag van het verzoek gedurende ten minste één aaneengesloten jaar onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek samen de zorg voor [de minderjarige] hebben gehad en de vrouw ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag over [de minderjarige] belast is geweest. Aan deze beide voorwaarden is voldaan.
2.17.
Op grond van het derde lid van artikel 1:253t BW moet het verzoek van de vrouw en de stiefvader om hen samen met het gezag over [de minderjarige] te belasten worden afgewezen als er (mede in het licht van de belangen van een andere ouder) gegronde vrees bestaat dat de belangen van [de minderjarige] bij toewijzing van dat verzoek zouden worden verwaarloosd. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in deze situatie geen sprake. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, erkennen alle betrokken partijen dat de stiefvader al jaren samen met de vrouw zorg draagt voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Ook nemen de vrouw en de stiefvader in de praktijk samen alle belangrijke beslissingen over [de minderjarige] . De stiefvader kent [de minderjarige] goed en weet wat er speel in zijn leven. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er dan ook geen risico dat de belangen van [de minderjarige] bij toewijzing van het verzoek worden verwaarloosd. Daar komt bij dat de man in reactie op het raadsadvies bij de Raad heeft aangegeven dat hij instemt met het verzoek van de stiefvader en de vrouw om hen samen met het gezag over [de minderjarige] te belasten als blijkt dat hij niet van rechtswege met het gezag over [de minderjarige] is belast. De rechtbank zal daarom bepalen dat de stiefvader voortaan samen met de vrouw het gezag over [de minderjarige] uitoefent.
Contact/omgangsregeling
2.18.
De man heeft zelfstandig verzocht om een contact/omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] te bepalen. Tijdens de zitting heeft de man toegelicht dat hij met dit verzoek voornamelijk aan [de minderjarige] wil laten weten dat hij [de minderjarige] graag wil leren kennen en dat [de minderjarige] altijd contact met hem mag opnemen. Tegelijkertijd wil de man zich voegen naar de wensen en het tempo van [de minderjarige] . De man heeft daarom aangegeven dat hij zich voor wat betreft de omgang tussen hem en [de minderjarige] - ondanks zijn verzoek - refereert aan het oordeel van de rechtbank.
2.19.
De rechtbank zal op dit moment geen omgangsregeling bepalen tussen [de minderjarige] en de man. [de minderjarige] heeft tijdens zijn gesprek met de rechter duidelijk aangegeven dat hij op dit moment niet openstaat voor contact met de man.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
bepaalt dat de vrouw en de stiefvader voortaan samen zijn belast met het gezag over [de minderjarige] , geboren op [datum] ;
3.2.
bepaalt - conform de overeenstemming tussen de man en de vrouw - dat de vrouw de man éénmaal per kwartaal per e-mail over [de minderjarige] zal informeren en een foto van [de minderjarige] aan de man zal sturen;
3.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Oude Lohuis, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. I.Y. Demes, griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2024.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld door een advocaat bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
- door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.