Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-05-06
ECLI:NL:RBNNE:2024:5362
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,892 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaak-/rekestnummer: C/17/189204 / FA RK 23-847
beschikking van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2024
inzake
[naam]
,
wonende te [plaats] ,
hierna ook te noemen de vrouw,
en
[naam]
,
wonende te [plaats] ,
hierna ook te noemen de stiefvader,
beiden bijgestaan door advocaat mr. T. Bijlsma, kantoorhoudende te Heerenveen,
tegen
[naam]
,
wonende te [plaats] ([land]),
hierna ook te noemen de man,
advocaat mr. F. Hofstra, kantoorhoudende te Leeuwarden.
Procesverloop
1.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 31 januari 2024, welke hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, heeft de rechtbank de beslissing op alle voorliggende verzoeken aangehouden in afwachting van nadere gegevens van partijen.
1.2.
Na 31 januari 2024 heeft de rechtbank nog kennisgenomen van:
- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), ingekomen bij de rechtbank op 14 maart 2024;
- het F9-formulier met bijlage van de vrouw en de stiefvader, ingekomen bij de rechtbank op 11 april 2024.
1.3.
De zaak is mondeling behandeld ter zitting met gesloten deuren van 11 april 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord partijen, bijgestaan door hun advocaten, en mevrouw [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
1.4.
Mr. Bijlsma heeft tijdens de zitting een beëdigde vertaling van een uittreksel uit het Noorse gezagsregister overgelegd. De rechtbank heeft deze vertaling in het dossier gevoegd.
1.5.
De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting met [de minderjarige] gesproken over de verzoeken.
2. Nadere stukken
2.1.
De rechtbank heeft de beslissing over het verzoek van de vrouw ten aanzien van de stiefouderadoptie en het gezag en de (gewijzigde) verzoeken van de man ten aanzien van het gezag en de zorg/contact/informatieregeling bij beschikking van 31 januari 2024 aangehouden. De reden van deze aanhouding was dat het onderzoek door de Raad naar de adoptie, het gezag en de omgang op dat moment nog niet was afgerond.
2.2.
Het onderzoek van de Raad heeft geresulteerd in het raadsrapport van [datum] . In dit rapport is de Raad er in eerste instantie van uitgegaan dat enkel de vrouw met het gezag over [de minderjarige] is belast, nu dit ook de opdracht was van de rechtbank. In het rapport adviseert de Raad om:
het verzoek van de vrouw en de stiefvader om de adoptie van de stiefvader over [de minderjarige] uit te spreken af te wijzen;
het verzoek van de vrouw en de stiefvader om de stiefvader samen met de vrouw met het gezag over [de minderjarige] te belasten toe te wijzen en het verzoek van de man om hem samen met de vrouw met het gezag over [de minderjarige] te belasten af te wijzen;
momenteel geen omgangsregeling vast te stellen tussen [de minderjarige] en de man, maar wel een informatieregeling te bepalen waarbij de vrouw de man eens per kwartaal over [de minderjarige] informeert.
2.3.
De Raad heeft in het advies (samengevat) aangegeven dat er al jaren sprake is van een situatie waarin de man nauwelijks betrokken is in het leven van [de minderjarige] en waar [de minderjarige] voornamelijk wordt opgevoed door de vrouw en de stiefvader. De vrouw en de stiefvader weten daardoor het beste wat er in het leven van [de minderjarige] speelt en zij nemen al jaren samen alle beslissingen over hem. De Raad is daarom van mening dat niet de man, maar de stiefvader samen met de vrouw met het gezag over [de minderjarige] moet worden belast. Aangezien er al jaren geen contact is tussen [de minderjarige] en de man en [de minderjarige] hier op dit moment ook geen behoefte aan heeft, vindt de Raad het niet realistisch om nu een omgangsgregeling met de man vast te stellen. Het is volgens de Raad wel belangrijk dat de man op de hoogte wordt gehouden over het leven van [de minderjarige] , voor het geval [de minderjarige] in de toekomst wel contact wil met de man. Adoptie van [de minderjarige] door de stiefvader vindt de Raad op dit moment een brug te ver, nu er volgens de Raad op dit moment geen sprake is van een situatie waarin [de minderjarige] niets meer van de man te verwachten heeft. De Raad acht het voor de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] wenselijk dat [de minderjarige] de kans krijgt om een eigen beeld van de man te vormen en eventueel contact met hem te zoeken als hij hier behoefte aan heeft. Door de adoptie van [de minderjarige] door de stiefvader ontstaat het risico dat de man nog meer uit het leven van [de minderjarige] verdwijnt. Dit acht de Raad niet wenselijk.
3. De verdere beoordeling
Gezag
3.1.
Voor alle verzoeken waarover de rechtbank nog een beslissing moet nemen, is het van belang om te weten wie er met het gezag over [de minderjarige] is belast. De rechtbank zal daarom éérst ingaan op de verzoeken ten aanzien van het gezag, voordat zij ingaat op de overige verzoeken.
3.2.
Tijdens de start van de procedure zijn alle betrokken partijen er vanuit gegaan dat enkel de vrouw het gezag over [de minderjarige] uitoefende. Dit bleek ook uit het uittreksel uit het Noorse gezagsregister, dat door de vrouw en de stiefvader is overgelegd bij de indiening van hun verzoekschrift. In de loop van de procedure heeft de man zijn standpunt over het gezag gewijzigd en heeft hij gesteld dat partijen bij de geboorte/de erkenning van [de minderjarige] van rechtswege samen het gezag over [de minderjarige] zijn belast. De man is van mening dat dit moet worden afgeleid uit Noorse wetgeving, in het bijzonder uit § 35 van de Noorse "Lov om barn og foreldre (barnelova)" (hierna: de Noorse Kinderwet), zoals die gold ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] . Volgens de man blijkt uit dit artikel dat ouders die op het moment van de erkenning van hun gezamenlijke kind samenwoonden, van rechtswege samen het gezag over dit kind uitoefenen. De vrouw en de stiefvader hebben deze stelling van de man betwist. Volgens hen blijkt uit § 39 van de Noorse Kinderwet dat er alleen sprake kan zijn van gezamenlijk gezag als dit is geregistreerd in het Noors gezagsregister. Dit is niet het geval. Bovendien zouden samenwonende ouders alleen van rechtswege gezamenlijk gezag krijgen als zij op het moment van de erkenning van het kind op hetzelfde adres stonden ingeschreven in het Noorse Rijksregister. Ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] was dit niet het geval, aangezien de man (naar later bleek) op een foutief adres geregistreerd stond. Hierdoor is er volgens de vrouw en de stiefvader geen gezamenlijk ouderlijk gezag ontstaan.
3.3.
Op grond van artikel 10:2 BW moet de rechtbank ambtshalve het door de regels van internationaal privaatrecht aangewezen buitenlandse recht toepassen. Partijen zijn het er over eens dat er naar Noors recht beoordeeld moet worden wie er (van rechtswege) met het gezag over [de minderjarige] is belast. De rechtbank acht zich op dit moment echter onvoldoende geïnformeerd om aan de hand van het Noorse recht te beoordelen of er gezamenlijk gezag ontstaat in situaties waarin de vader het kind tijdens de geboorte heeft erkend en de ouders op dat moment ook duurzaam samenwoonden als ware zij gehuwd, maar zij op dat moment niet stonden ingeschreven op hetzelfde adres in het Folkesregister en zij géén (samenwoon)verklaring als bedoeld in § 39, tweede volzin hebben afgegeven.
Dictum
4.1.
stelt (de advocaten van) partijen in de gelegenheid om uiterlijk 20 mei 2024 schriftelijk te reageren op de door de rechtbank voorgestelde vraagstelling zoals hiervoor in overweging 3.3 is vermeld;
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Oude Lohuis, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. I.Y. Demes, griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend ter griffie van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaak-/rekestnummer: C/17/189204 / FA RK 23-847
beschikking van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2024
inzake
[naam]
,
wonende te [plaats] ,
hierna ook te noemen de vrouw,
en
[naam]
,
wonende te [plaats] ,
hierna ook te noemen de stiefvader,
beiden bijgestaan door advocaat mr. T. Bijlsma, kantoorhoudende te Heerenveen,
tegen
[naam]
,
wonende te [plaats] ([land]),
hierna ook te noemen de man,
advocaat mr. F. Hofstra, kantoorhoudende te Leeuwarden.
Procesverloop
1.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 31 januari 2024, welke hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, heeft de rechtbank de beslissing op alle voorliggende verzoeken aangehouden in afwachting van nadere gegevens van partijen.
1.2.
Na 31 januari 2024 heeft de rechtbank nog kennisgenomen van:
- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), ingekomen bij de rechtbank op 14 maart 2024;
- het F9-formulier met bijlage van de vrouw en de stiefvader, ingekomen bij de rechtbank op 11 april 2024.
1.3.
De zaak is mondeling behandeld ter zitting met gesloten deuren van 11 april 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord partijen, bijgestaan door hun advocaten, en mevrouw [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
1.4.
Mr. Bijlsma heeft tijdens de zitting een beëdigde vertaling van een uittreksel uit het Noorse gezagsregister overgelegd. De rechtbank heeft deze vertaling in het dossier gevoegd.
1.5.
De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting met [de minderjarige] gesproken over de verzoeken.
2. Nadere stukken
2.1.
De rechtbank heeft de beslissing over het verzoek van de vrouw ten aanzien van de stiefouderadoptie en het gezag en de (gewijzigde) verzoeken van de man ten aanzien van het gezag en de zorg/contact/informatieregeling bij beschikking van 31 januari 2024 aangehouden. De reden van deze aanhouding was dat het onderzoek door de Raad naar de adoptie, het gezag en de omgang op dat moment nog niet was afgerond.
2.2.
Het onderzoek van de Raad heeft geresulteerd in het raadsrapport van [datum] . In dit rapport is de Raad er in eerste instantie van uitgegaan dat enkel de vrouw met het gezag over [de minderjarige] is belast, nu dit ook de opdracht was van de rechtbank. In het rapport adviseert de Raad om:
het verzoek van de vrouw en de stiefvader om de adoptie van de stiefvader over [de minderjarige] uit te spreken af te wijzen;
het verzoek van de vrouw en de stiefvader om de stiefvader samen met de vrouw met het gezag over [de minderjarige] te belasten toe te wijzen en het verzoek van de man om hem samen met de vrouw met het gezag over [de minderjarige] te belasten af te wijzen;
momenteel geen omgangsregeling vast te stellen tussen [de minderjarige] en de man, maar wel een informatieregeling te bepalen waarbij de vrouw de man eens per kwartaal over [de minderjarige] informeert.
2.3.
De Raad heeft in het advies (samengevat) aangegeven dat er al jaren sprake is van een situatie waarin de man nauwelijks betrokken is in het leven van [de minderjarige] en waar [de minderjarige] voornamelijk wordt opgevoed door de vrouw en de stiefvader. De vrouw en de stiefvader weten daardoor het beste wat er in het leven van [de minderjarige] speelt en zij nemen al jaren samen alle beslissingen over hem. De Raad is daarom van mening dat niet de man, maar de stiefvader samen met de vrouw met het gezag over [de minderjarige] moet worden belast. Aangezien er al jaren geen contact is tussen [de minderjarige] en de man en [de minderjarige] hier op dit moment ook geen behoefte aan heeft, vindt de Raad het niet realistisch om nu een omgangsgregeling met de man vast te stellen. Het is volgens de Raad wel belangrijk dat de man op de hoogte wordt gehouden over het leven van [de minderjarige] , voor het geval [de minderjarige] in de toekomst wel contact wil met de man. Adoptie van [de minderjarige] door de stiefvader vindt de Raad op dit moment een brug te ver, nu er volgens de Raad op dit moment geen sprake is van een situatie waarin [de minderjarige] niets meer van de man te verwachten heeft. De Raad acht het voor de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] wenselijk dat [de minderjarige] de kans krijgt om een eigen beeld van de man te vormen en eventueel contact met hem te zoeken als hij hier behoefte aan heeft. Door de adoptie van [de minderjarige] door de stiefvader ontstaat het risico dat de man nog meer uit het leven van [de minderjarige] verdwijnt. Dit acht de Raad niet wenselijk.
3. De verdere beoordeling
Gezag
3.1.
Voor alle verzoeken waarover de rechtbank nog een beslissing moet nemen, is het van belang om te weten wie er met het gezag over [de minderjarige] is belast. De rechtbank zal daarom éérst ingaan op de verzoeken ten aanzien van het gezag, voordat zij ingaat op de overige verzoeken.
3.2.
Tijdens de start van de procedure zijn alle betrokken partijen er vanuit gegaan dat enkel de vrouw het gezag over [de minderjarige] uitoefende. Dit bleek ook uit het uittreksel uit het Noorse gezagsregister, dat door de vrouw en de stiefvader is overgelegd bij de indiening van hun verzoekschrift. In de loop van de procedure heeft de man zijn standpunt over het gezag gewijzigd en heeft hij gesteld dat partijen bij de geboorte/de erkenning van [de minderjarige] van rechtswege samen het gezag over [de minderjarige] zijn belast. De man is van mening dat dit moet worden afgeleid uit Noorse wetgeving, in het bijzonder uit § 35 van de Noorse "Lov om barn og foreldre (barnelova)" (hierna: de Noorse Kinderwet), zoals die gold ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] . Volgens de man blijkt uit dit artikel dat ouders die op het moment van de erkenning van hun gezamenlijke kind samenwoonden, van rechtswege samen het gezag over dit kind uitoefenen. De vrouw en de stiefvader hebben deze stelling van de man betwist. Volgens hen blijkt uit § 39 van de Noorse Kinderwet dat er alleen sprake kan zijn van gezamenlijk gezag als dit is geregistreerd in het Noors gezagsregister. Dit is niet het geval. Bovendien zouden samenwonende ouders alleen van rechtswege gezamenlijk gezag krijgen als zij op het moment van de erkenning van het kind op hetzelfde adres stonden ingeschreven in het Noorse Rijksregister. Ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] was dit niet het geval, aangezien de man (naar later bleek) op een foutief adres geregistreerd stond. Hierdoor is er volgens de vrouw en de stiefvader geen gezamenlijk ouderlijk gezag ontstaan.
3.3.
Op grond van artikel 10:2 BW moet de rechtbank ambtshalve het door de regels van internationaal privaatrecht aangewezen buitenlandse recht toepassen. Partijen zijn het er over eens dat er naar Noors recht beoordeeld moet worden wie er (van rechtswege) met het gezag over [de minderjarige] is belast. De rechtbank acht zich op dit moment echter onvoldoende geïnformeerd om aan de hand van het Noorse recht te beoordelen of er gezamenlijk gezag ontstaat in situaties waarin de vader het kind tijdens de geboorte heeft erkend en de ouders op dat moment ook duurzaam samenwoonden als ware zij gehuwd, maar zij op dat moment niet stonden ingeschreven op hetzelfde adres in het Folkesregister en zij géén (samenwoon)verklaring als bedoeld in § 39, tweede volzin hebben afgegeven.
Dictum
4.1.
stelt (de advocaten van) partijen in de gelegenheid om uiterlijk 20 mei 2024 schriftelijk te reageren op de door de rechtbank voorgestelde vraagstelling zoals hiervoor in overweging 3.3 is vermeld;
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Oude Lohuis, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. I.Y. Demes, griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend ter griffie van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden