Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-12-18
ECLI:NL:RBNNE:2024:5361
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,853 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaak-/rekestnummer: C/17/196738 / FA RK 24-1996
beschikking van de enkelvoudige kamer van 18 december 2024
inzake
[naam]
,
wonende te [plaats] ,
hierna: verzoekster,
advocaat mr. E.P.J. Appelman, kantoorhoudende te Alkmaar,
tegen
[naam]
,
wonende te Leeuwarden,
hierna: de moeder van [de jongmeerderjarige] ,
advocaat mr. F. Stoelinga, kantoorhoudende te Leeuwarden.
strekkende tot de adoptie van:
[naam]
,
wonende te [plaats]
hierna: [de jongmeerderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[naam]
,
wonende te [plaats] ,
hierna: de vader.
1Het procesverloop
1.1.
Verzoekster heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend, dat door de rechtbank is ontvangen op 24 september 2024.
1.2.
Op 22 november 2024 heeft de rechtbank een verweerschrift met bijlagen ontvangen van de moeder van [de jongmeerderjarige] .
1.3.
Op 27 november 2024 heeft de rechtbank een bericht met bijlagen van verzoekster ontvangen.
1.4.
De zaak is mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren van 28 november 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord:
- verzoekster, bijgestaan door haar advocaat;
- de moeder van [de jongmeerderjarige] , bijgestaan door haar advocaat;
- de vader.
1.5.
Tijdens de indiening van het verzoek was [de jongmeerderjarige] nog minderjarig. De rechter heeft daarom voorafgaand aan de zitting met [de jongmeerderjarige] gesproken over het verzoek.
Feiten
2.1.
De ouders van [de jongmeerderjarige] hebben in de periode tussen [jaar] en [jaar] een geregistreerd partnerschap gehad. Op [datum] zijn zij ouders geworden van [de jongmeerderjarige] . In [jaar] hebben zij nog een dochter gekregen, genaamd [naam] .
2.2.
Na de relatiebreuk tussen de ouders verbleef [de jongmeerderjarige] in eerste instantie doordeweeks bij haar moeder en in het weekend bij haar vader. Later werd dit gewijzigd en verbleef [de jongmeerderjarige] doordeweeks bij haar vader en in het weekend bij haar moeder. [het zusje van de jongmeerderjarige] bleef bij de moeder wonen. Toen [de jongmeerderjarige] ongeveer twaalf jaar oud was is zij volledig bij de vader gaan wonen en bracht zij af en toe een weekend bij haar moeder door. Op dit moment is er geen contact tussen [de jongmeerderjarige] en haar moeder.
2.3.
De vader heeft in 2021 een relatie gekregen met verzoekster. Sinds halverwege 2022 wonen verzoekster, de vader en [de jongmeerderjarige] in gezinsverband samen.
2.4.
[de jongmeerderjarige] is op [datum] 2024 meerderjarig geworden.
3Het verzoek, de standpunten en de beoordeling daarvan
3.1.
Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om de adoptie van [de jongmeerderjarige] uit te spreken. De moeder van [de jongmeerderjarige] heeft verweer gevoerd tegen het verzoek. Zij wil dat het verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard of wordt afgewezen.
3.2.
Verzoekster stelt dat zij sinds 2022 in gezinsverband samenleeft met [de jongmeerderjarige] en de vader van [de jongmeerderjarige] . [de jongmeerderjarige] en verzoekster hebben een hechte band en verzoekster vervult sinds zij met de vader samenwoont de moederrol in het leven van [de jongmeerderjarige] . Volgens verzoekster bestaat er niet de verwachting dat [de jongmeerderjarige] nog iets van haar biologische moeder te verwachten heeft. De moeder van [de jongmeerderjarige] biedt haar al jaren niet meer de verzorging en opvoeding die zij nodig heeft. Door heftige incidenten in het verleden wil [de jongmeerderjarige] sinds zij vijftien jaar oud is al geen omgang meer met de moeder en is er al langdurig geen contact meer tussen hen. Er is de afgelopen jaren geprobeerd om het contact tussen [de jongmeerderjarige] en de moeder te herstellen, maar de moeder nam hierin weinig tot geen initiatief. Inmiddels staat [de jongmeerderjarige] niet meer open voor contactherstel. Aangezien verzoekster sinds 2021 feitelijk de moederrol in het leven van [de jongmeerderjarige] vervult, is verzoekster van mening dat het in het belang van [de jongmeerderjarige] is dat zij ook juridisch in familierechtelijke betrekking tot [de jongmeerderjarige] komt te staan.
3.3.
De moeder van [de jongmeerderjarige] heeft gesteld dat verzoekster en de vader nog maar twee jaar samenwonen, zodat er niet aan de wettelijke vereisten voor adoptie is voldaan. Ook aan de overige eisen voor adoptie is volgens de moeder niet voldaan, onder meer omdat de moeder het verzoek tegenspreekt. De moeder heeft de afgelopen jaren wel degelijk contact gehad met [de jongmeerderjarige] . [de jongmeerderjarige] kwam tot voor kort zelfs regelmatig bij de moeder langs als zij had afgesproken met haar zusje [naam] . Pas halverwege 2024 heeft [de jongmeerderjarige] het contact met de moeder verbroken. Volgens de moeder kan niet worden vastgesteld dat [de jongmeerderjarige] niets meer van haar als ouder te verwachten heeft. Daarnaast is het niet in het belang van [de jongmeerderjarige] dat de familierechtelijke band tussen [de jongmeerderjarige] en (de familie van) de moeder, maar ook tussen [de jongmeerderjarige] en [het zusje van de jongmeerderjarige] wordt doorgesneden. De moeder vindt het zorgelijk dat dit verzoek is gedaan en hoopt dat [de jongmeerderjarige] er voor openstaat om het contact (in de toekomst) te herstellen.
3.4.
De rechtbank moet eerst beoordelen of verzoekster kan worden ontvangen in haar verzoek tot adoptie van [de jongmeerderjarige] . Dit is mogelijk als zij voldoet aan de gronden en voorwaarden zoals genoemd in artikel 1:227, tweede en derde lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Op grond van dat artikel kan verzoekster alleen een verzoek tot adoptie doen als zij de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder is. Aan dat vereiste is voldaan, aangezien verzoekster sinds [datum] 2022 een geregistreerd partnerschap heeft met de vader van [de jongmeerderjarige] . Daarnaast moet verzoekster op grond van artikel 1:227, tweede lid BW tenminste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van haar verzoek met de vader van [de jongmeerderjarige] hebben samengeleefd. De reden dat deze termijn in de wet is gesteld, is dat (stiefouder)adoptie een ingrijpende maatregel is. De wetgever heeft daarom een zekere waarborg willen scheppen voor de duurzaamheid en bestendigheid van zowel de opvoedingssituatie van het adoptiekind als van relatie tussen de adoptant en de ouder van het kind.
3.5.
Uit de basisregistratie personen blijkt dat verzoekster sinds [datum] 2022 staat ingeschreven op hetzelfde adres als de vader (en [de jongmeerderjarige] ). Verzoekster heeft tijdens de zitting bevestigd dat zij sindsdien met de vader samenwoont. Het verzoek is ingediend in september 2024. Op dat moment woonden verzoekster en de vader (iets meer dan) twee jaar samen op hetzelfde adres. Daarmee is niet aan de termijn van samenleving zoals omschreven in artikel 1:227, tweede lid BW voldaan. Ook hebben verzoekster en de vader niet op andere wijze gesteld of aangetoond dat er sprake is van bestendigheid van hun relatie. Verzoekster heeft weliswaar aangegeven dat zij in de praktijk al langer een rol vervult in het leven van [de jongmeerderjarige] , maar die stelling ziet op de verzorgingstermijn van het kind als bedoeld in artikel 1:228 lid 1 onder f BW. Dat is een andere termijn dan de termijn die gesteld wordt in 1:227, tweede lid BW, waarin het gaat om de bestendigheid van de relatie en de opvoedsituatie voor [de jongmeerderjarige] . De rechtbank begrijpt de stelling van verzoekster dat zij niet kon wachten tot zij wel drie jaar met de vader had samengewoond, omdat [de jongmeerderjarige] dan al meerderjarig zou zijn. Ook dit maakt echter niet dat de bestendigheid van de relatie tussen verzoekster en de vader voor de rechtbank voldoende vast is komen te staan. De rechtbank ziet dan ook geen redenen om voorbij te gaan aan de wettelijke samenlevingstermijn van artikel 1:227, tweede lid BW. De rechtbank zal verzoekster daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.
3.6.
Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op. Tijdens de zitting van 28 november 2024 heeft de advocaat van de moeder van [de jongmeerderjarige] verzocht om eerst een beslissing te nemen over de ontvankelijkheid van het verzoek, voordat er werd ingegaan op de inhoud daarvan. Alle overige betrokkenen hebben daar mee ingestemd. Om die reden is er tijdens de zitting van 28 november 2024 niet verder gesproken over de inhoud van het verzoek. De rechtbank wil opmerken dat zij begrijpt dat het verzoek nog voor de meerderjarigheid van [de jongmeerderjarige] is ingediend, omdat de wet geen mogelijkheid biedt voor de adoptie van een meerderjarige. Dit neemt niet weg dat het verzoek wel aan de overige wettelijke eisen van artikel 1:227 en 1:228 BW moet voldoen. Zelfs als verzoekster wel ontvankelijk was geweest in haar verzoek, had de rechtbank aan die overige (strenge) eisen moeten toetsen. Het belang van [de jongmeerderjarige] bij de adoptie is één van die toetsingsonderdelen, maar dit belang is niet doorslaggevend.
3.7.
De rechtbank merkt ten slotte op dat het voor haar vaststaat dat het verzoek voor alle betrokkenen heel ingrijpend is geweest.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Oude Lohuis, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. I.Y. Demes als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld door een advocaat bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
- door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.