Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-12-02
ECLI:NL:RBNNE:2024:4870
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
10,423 tokens
Inleiding
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-161425-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 december 2024 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedadtum] 2003 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 november 2024.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L. Klewer, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P. van der Vliet.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 17 oktober 2023 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op of aan de openbare weg(en) de [adres] en/of [adres] , een tas (merk Louis Vuitton), inhoudende (onder meer) een telefoon (merk Iphone 13 Pro) en/of (huis)sleutel(s) en/of een scootersleutel en/of een rijbewijs en/of een identiteitskaart en/of air pods en/of powerbank en/of contant geld (ongeveer 350 euro), in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of
om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of (een) van verdachtes mededader(s)
zich, na een gemaakte afspraak, voor de koop van een telefoon, merk Iphone 13 Pro naar de [adres] / [adres] , aldaar, heeft/hebben begeven en/of
een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gelijkend voorwerp, heeft doorgeladen en/of
achter die [slachtoffer] is aangerend en/of die [slachtoffer] tegen een aldaar geparkeerd voertuig heeft geduwd/gedrukt en/of
( vanaf korte afstand van die [slachtoffer] ,) met dat doorgeladen vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de richting van het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft geschoten;
2.
hij op of omstreeks 17 oktober 2023 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet (vanaf korte afstand) met een vuurwapen in de richting van het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op of omstreeks 17 oktober 2023 te Leeuwarden, een wapen van categorie III, onder 1 en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten:
- een semi-automatisch centraalvuur pistool, van het merk Colt, Land VS, kaliber .45 en/of (bijbehorende) munitie, te weten 2 centraalvuur kogelpatronen, merk Remington (R-P), kaliber .45, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie voorhanden heeft gehad.
Beoordeling
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde feiten. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit de aangifte, de getuigenverklaringen, de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] en het aangetroffen DNA van verdachte op het wapen blijkt dat verdachte samen met
medeverdachte [medeverdachte] aangever met geweld heeft beroofd van zijn tas met inhoud. Verdachte is daarbij degene geweest die een wapen voorhanden heeft gehad en met dat wapen richting het hoofd van aangever heeft geschoten. De officier van justitie acht niet bewezen dat poging tot doodslag in vereniging is gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het dossier geen objectief bewijs bevat waaruit blijkt dat verdachte zich op de plaats delict bevond. De verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] bevatten innerlijke tegenstrijdigheden en zijn daarmee ongeloofwaardig en onbetrouwbaar, waardoor die verklaringen niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat de verklaringen van getuige [naam] en getuige [naam] eveneens ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zijn en daarom ook niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden. Ook heeft de raadsman de bewijswaarde van het DNA-resultaat betwist. Bovendien past verdachte niet in het door aangever beschreven signalement van de schutter.
Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat verdachte van feit 2 dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op de dood van aangever. Ten aanzien van feit 1 en feit 3 heeft de raadsman zich subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het onderdeel van de tenlastelegging bij feit 1 dat betrekking heeft op het schieten.
Oordeel van de rechtbank
Betrouwbaarheid verklaring medeverdachte [medeverdachte]
Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] betrouwbaar en geloofwaardig zijn. Zijn verklaringen komen overeen met en vinden derhalve steun in de beschrijving van de camerabeelden waarop twee personen zijn te zien die achter aangever aanrennen. Daarnaast heeft de medeverdachte zichzelf herkend op de beelden van het parkeerterrein “ [adres] ”. Op die beelden is te zien dat de tas van aangever, waarin het vuurwapen later is aangetroffen, wordt weggelegd door een andere man dan de medeverdachte. Bovendien heeft medeverdachte [medeverdachte] niet alleen belastend over verdachte verklaard, maar belast hij met zijn verklaring ook zichzelf. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid van de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] en zal deze verklaring daarom voor het bewijs gebruiken.
Het verweer van de raadsman dat de verklaringen van getuige [naam] en getuige [naam] onbetrouwbaar en ongeloofwaardig zijn, behoeft geen bespreking, omdat de rechtbank deze verklaringen niet voor het bewijs zal gebruiken.
Bewijsmiddelen
Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 oktober 2023, opgenomen op pagina 36 e.v. van het dossier van Districtsrecherche Fryslân, Eenheid Noord-Nederland met nummer 2023279401/2023279818/2023280106 d.d. 19 juni 2024, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Damian wilde een iPhone 13 kopen. Op 17 oktober 2023 in Leeuwarden hadden we afgesproken. Eenmaal daar aangekomen ben ik beschoten en beroofd van mijn goederen. Eentje begon een pistool te laden. Ik ben gaan rennen. Ik ben tegen een auto gedrukt. Ze hebben tijdens het duwen en trekken aan mijn tas een schot gelost. Ik was geraakt. In de tas zaten sleutels van mijn huis, een scootersleutel, een rijbewijs en identiteitskaart, airpods, een powerbank en 350,00 contant geld.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 18 oktober 2023, opgenomen op pagina 64 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam] :
Ik woon in de [adres] te Leeuwarden. Ik hoorde vanuit de richting van [adres] en [adres] geschreeuw. De beide mannen waren ter hoogte van mijn woning en nummer [adres] . Ik zag en hoorde dat de achterste man schoot op de voorste man. Ik zag dat hij schoot in de richting van het hoofd van de voorste man.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 november 2023, opgenomen op pagina 344 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :
V: Over 17 oktober 2023 vertel je dat jij met het idee kwam om met [naam] af te spreken in Leeuwarden. Klopt dat?
A: Ja.
V: Je vertelde dat je de telefoon te zien kreeg en dat je ermee wegliep naar de [adres] . Klopt dat? A: Ja.
V: Je vertelde dat jouw kennis op dat moment in de [adres] stond. Klopt dat? A: Ja.
V: Je vertelde dat [naam] achter jou aan liep de [adres] in. Dat jullie naar jouw kennis toe liepen. Dat [naam] begon te rennen. Dat er paniek was. Dat je een knal hoorde. Klopt dat?
A: Ja.
V: Op de camerabeelden zien wij twee personen lopen. Een lijkt een lichte capuchon op te hebben en ze hebben kennelijk een tas bij hen. Wat kun je hierover vertellen?
A: Ik ben de achterste. Die kennis loopt naar de auto en legt de tas onder de auto. Die kennis had een nektasje en heeft dat wapen in het tasje gedaan.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 maart 2024, opgenomen op pagina 356 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :
A: Ik wist dat het pistool er was. We zouden hem alleen maar laten zien zodat hij dingen zou geven. Maar zo ging het niet.
A: De persoon waarmee alles gebeurde, is [verdachte] .
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 mei 2024, opgenomen op pagina 183 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [naam] en [naam] :
In het bedrijfsprocessensysteem BVH van de politie is een mutatie aangetroffen waarin naar vorenkomt dat verdachte [verdachte] door anderen ook wel [verdachte] wordt genoemd.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 mei 2024, opgenomen op pagina 187 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [naam] :
Op de inbeslaggenomen Apple iPhone X van [verdachte] is een groeps-chat aangetroffen. In deze chat wordt [naam] (owner) door [naam] “ [verdachte] genoemd. Op de telefoon is een sms aangetroffen. De persoon, die als AL in de telefoon opgeslagen staat, noemt de gebruiker van de Apple iPhone X
" [verdachte] . Op de telefoon is een tweede sms aangetroffen. De persoon, die als AL in de telefoon opgeslagen staat, noemt de gebruiker van de Apple iPhone X “ [verdachte] . Op de telefoon is een email aangetroffen. De schrijver van deze mail schrijft in zijn aanhef: Beste [verdachte] .
7. Een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 17 oktober 2023, opgenomen op pagina 291 e.v.
Conclusie
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie. De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten dan ook wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de poging tot doodslag samen met een ander heeft gepleegd en zal verdachte daarvan vrijspreken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij op 17 oktober 2023 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander op de openbare weg, een tas (merk Louis Vuitton), inhoudende onder meer huissleutels en een scootersleutel en een rijbewijs en een identiteitskaart en air pods en een powerbank en contant geld (ongeveer 350 euro), die aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte en verdachtes mededader
zich, na een gemaakte afspraak, voor de koop van een telefoon, merk iPhone 13 Pro naar de [adres] / [adres] hebben begeven en
een vuurwapen heeft gepakt en dat vuurwapen heeft doorgeladen en
achter [slachtoffer] is aangerend en [slachtoffer] tegen een geparkeerd voertuig heeft geduwd/gedrukt en
vanaf korte afstand van [slachtoffer] , met dat doorgeladen vuurwapen in de richting van het hoofd van [slachtoffer] heeft geschoten;
2.
hij op 17 oktober 2023 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet vanaf korte afstand met een vuurwapen in de richting van het hoofd van [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op 17 oktober 2023 te Leeuwarden, een wapen van categorie III, onder 1 en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten:
- een semi-automatisch centraalvuur pistool, van het merk Colt, Land VS, kaliber .45 en bijbehorende munitie, te weten 2 centraalvuur kogelpatronen, merk Remington (R-P), kaliber .45, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en munitie voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1 en feit 2:
de eendaadse samenloop van
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
en
poging tot doodslag.
Feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht gevorderd, inhoudende een contactverbod met aangever.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte reeds zes maanden in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Hij heeft een roerige tijd achter de rug. Verdachte wil iets van zijn leven maken.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 17 oktober 2023 schuldig gemaakt aan het medeplegen van een diefstal met geweld, een poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie. Medeverdachte [medeverdachte] heeft het plan gemaakt om aangever te beroven van zijn telefoon. Dit plan heeft hij samen met verdachte uitgevoerd. Medeverdachte [medeverdachte] heeft een afspraak met aangever gemaakt waar verdachte mee naartoe is gegaan. Verdachte heeft naar deze afspraak een
vuurwapen meegenomen. Nadat aangever zijn telefoon aan medeverdachte [medeverdachte] heeft gegeven, heeft de medeverdachte [medeverdachte] aangever mee gelokt naar de steeg waar verdachte aangever stond op te wachten met het vuurwapen. Toen verdachte het vuurwapen doorlaadde, rende aangever weg. Verdachte en medeverdachte zijn vervolgens achter hem aangerend. Aangever is tegen een auto geduwd en verdachte heeft een schot in de richting van het hoofd van aangever gelost en de tas van aangever afgepakt. Vervolgens zijn beide verdachten weggerend met de tas. Dat het incident geen dodelijke afloop heeft gekend, is een geluk en niet te danken aan verdachte. Met zijn handelen heeft verdachte een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Dat deze beroving en de beschieting grote gevolgen voor het slachtoffer heeft gehad blijkt ook wel uit de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring. De rechtbank rekent dit verdachte aan. De rechtbank neemt het verdachte daarnaast kwalijk dat hij een vuurwapen bij zich had in de openbare ruimte en dat hij dat vuurwapen daadwerkelijk heeft gebruikt. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en heeft een grote maatschappelijke impact. Het voorhanden hebben van vuurwapen leidt namelijk gemakkelijk tot het gebruik daarvan, dat blijkt wel uit deze zaak, met alle gevolgen van dien. Door feiten als de onderhavige worden gevoelens van onveiligheid in de samenleving vergroot.
Persoon van de verdachte
Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit de justitiële documentatie van 7 november 2024 blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens geweldsfeiten en verboden wapenbezit. De eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw soortgelijke feiten te plegen.
Beoordeling
van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:
Plaats inbeslagneming: [adres] te Leeuwarden Datum inbeslagneming: 17 oktober 2023 Goednummer: PL0100-2023279401-1652357
Object: vuurwapen (pistool) Merk/type: Colt M1911 Land: Verenigde Staten
Spoor identificatienummer: AAQQ5875NL Kaliber: .45acp
Goednummer: PL0100-2023279401-1652371
Object: vuurwapen (ond. vuurwapen) Merk/type: Colt Patroonmagazijn
Bijzonderheden: Geladen met deformerende munitie .45acp
Goednummer: PL0100-2023279401-1652378
Object: Munitie (Mund Huls)
Spoor identificatienummer: AAQQ5878NL Kaliber: .45acp
8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek wapen d.d. 5 februari 2024, opgenomen op pagina 262 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [naam] :
Goednummer: PL0100-2023279401-1652357
Object: vuurwapen/pistool Merk/type: Colt, M1911
Land: Verenigde Staten Kaliber: .45 ACP
Het inbeslaggenomen voorwerp is een semi-automatisch centraalvuur pistool. Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.
Goednummer: PL0100-2023279401-1652371
Object: Vuurwapen (Ond. Vuurwapen) Merk/type: Colt, 1911
Kaliber: .45 ACP
Bijzonderheden: Patroonmagazijn + 2x kogelpatronen, Remington .45 ACP HP
Het betreft twee (2) stuks centraalvuur kogelpatronen van het merk Remington (R-P) in het
kaliber .45 ACP. Dit is munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie II onder 4 van de Wet wapens en munitie.
9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 oktober 2023, opgenomen op pagina 103 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [naam] :
In de [adres] , ter hoogte van [adres] , werd een huls aangetroffen. De huls was van het kaliber .45.
10. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2023.11.03.069, d.d. 2 januari 2024, opgenomen op pagina 254 e.v. van voornoemd dossier, opgemaakt door W. Kerkhoff, voor zover inhoudend als zijn of haar bevindingen:
Voor de huls AAQQ5878NL, kaliber .45 ACP, en vuurwapen AAQQ5875NL zijn de volgende hypothesen beschouwd:
Hypothese 1: De huls is verschoten met het vuurwapen.
Hypothese 2: De huls is verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het vuurwapen.
De resultaten van het vergelijkend huisonderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.
11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van vooronderzoek lab d.d. 24 oktober 2023, opgenomen op pagina 215 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [naam] :
Sporendragers:
Goednummer : PL0100-2023279401-1652357 SIN : AAQQ5875NL
Object : Vuurwapen (Pistool)
Veiliggestelde sporen:
SIN: AAQW4274NL
Relatie met SIN: AAQQ5875NL Plaats veiligstellen: Binnenzijde loop
12. Een deskundigenrapport afkomstig van The Maastricht Forensic Institute d.d. 10 november 2023, opgenomen op pagina 244 e.v. van voornoemd dossier, opgemaakt door dr. M. Hidding, voor zover inhoudend als zijn of haar bevindingen:
Resultaat van het DNA-onderzoek:
Bemonstering
DNA-profiel
Mogelijke donor van
celmateriaal
Binnenzijde loop: AAQW4274NL
DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal twee donoren, van wie zeker één man.
Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De frequentie van het DNA- hoofdprofiel is kleiner dan één
op één miljard.
[naam] . [verdachte] (DNA- hoofdprofiel)
Nadere bewijsoverwegingen
De rechtbank verwerpt de tot vrijspraak strekkende verweren en overweegt daartoe als volgt.
Betrokkenheid verdachte
Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontkennende verklaring van verdachte weersproken door de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen. Uit die bewijsmiddelen blijkt dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] aangever met geweld heeft bestolen van zijn tas met inhoud, zoals ten laste is gelegd onder feit 1, met uitzondering van de iPhone. Dit geweld bestond onder meer uit het duwen van aangever en het met een wapen in de richting van het hoofd van aangever schieten. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte degene is geweest die heeft geschoten. Bij dat oordeel heeft de rechtbank gelet op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] onder meer inhoudende dat verdachte een vuurwapen bij zich had en hoorde dat er werd geschoten en dat hij daarna met verdachte is weggerend en dat hij heeft gezien dat verdachte vlakbij de plek waar is geschoten een tasje met daarin het gebruikte wapen onder een auto heeft gelegd. Op het vuurwapen is bovendien DNA van verdachte aangetroffen. Dit stelt de rechtbank vast op grond van het DNA onderzoek op het wapen.
Op basis van de frequentie van het DNA-hoofdprofiel (kleiner dan een op een miljard) concludeert de rechtbank dat het DNA van verdachte is aangetroffen in de binnenzijde van de loop. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op het vuurwapen.
Uit het vorenstaande in onderling verband volgt dat de rechtbank verdachte aanmerkt als de schutter. Daarmee is de rechtbank eveneens van oordeel dat verdachte het vuurwapen en de bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad. Gelet op voorgaande verwerpt de rechtbank dan ook het verweer dat het DNA- materiaal van verdachte op het vuurwapen terecht is gekomen, doordat hij het wapen eerder zou hebben vastgehouden.
Poging tot doodslag
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of verdachte zich met schieten met een wapen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag, zoals ten laste is gelegd onder feit 2. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte vol opzet (opzet als bedoeling) heeft gehad op de dood van aangever, zodat zij dient te beoordelen of er dan sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg zoals hier het overlijden van aangever aanwezig is indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat verdachte de wetenschap heeft van de
aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Conclusie
De forse justitiële documentatie van verdachte, zijn jonge leeftijd en de toename in ernst van de gepleegde strafbare feiten, acht de rechtbank bijzonder zorgelijk.
De rechtbank heeft daarnaast gelet op het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 23 juli 2024. Uit het rapport volgt dat verdachte in 2015 met zijn familie vanuit [geboorteplaats] naar Nederland is gekomen. Verdachte kent een belaste voorgeschiedenis doordat hij is opgegroeid in een oorlogsgebied en slachtoffer is geworden van een bomaanslag. Daarnaast was er sprake van een instabiele thuissituatie. Als gevolg daarvan is verdachte in 2017 onder toezicht gesteld. In 2018 is verdachte gediagnostiseerd met een ander gespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis en acculturatieproblematiek.
Volgens de reclassering is er gelet op de justitiële documentatie sprake van een zorgelijke toename in ernst van de strafbare feiten. Eerdere reclasseringsinterventies verliepen aanvankelijk goed, maar na verloop van tijd verliepen zij moeizaam vanwege het ontbreken van gedragsverandering bij verdachte. Dat heeft ertoe geleid dat het reclasseringstoezicht vroegtijdig is beëindigd. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. Verdachte wil niet meewerken aan begeleiding en interventies. Volgens de reclassering zijn de mogelijkheden om met inzet van justitiële interventies tot gedragsverandering te komen uitgeput. De reclassering adviseert daarom bij veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Op te leggen straf
Naar het oordeel van de rechtbank is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende straf, omdat de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten door een lichtere straf miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden, acht de rechtbank niet aanwezig. Het gemak waarmee verdachte een vuurwapen heeft gebruikt, baart de rechtbank zorgen, mede gelet op de forse documentatie van verdachte en de toename in ernst van de strafbare feiten. Het hoge recidiverisico en de omstandigheid dat er geen justitiële interventies mogelijk zijn die tot gedragsverandering zouden kunnen leiden, maken dat de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor lange duur zal opleggen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van vijf jaren passend en geboden is. Anders dan door de officier van justitie is gevorderd, ziet de rechtbank geen aanleiding om daarnaast de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 2.598,98 ter vergoeding van materiële schade en 17.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor hoofdelijke toewijzing in aanmerking komt, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft afwijzing gevorderd van de reiskosten naar het kantoor van de raadsvrouw van de benadeelde partij. Zij heeft onder verwijzing naar jurisprudentie aangevoerd dat deze kosten niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich, gelet op de door hem bepleite vrijspraak, primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de schadeposten betreffende de handschoenen, het paspoort, het scooterslot, de jas en de schoenen niet kunnen worden toegewezen, gelet op het ontbreken van een causaal verband tussen de schade en de ten laste gelegde feiten. De reiskosten en de parkeerkosten kunnen eveneens niet worden toegewezen, aangezien deze posten niet als rechtstreekse schade zijn aan te merken. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het bedrag, conform de letsellijst, gematigd dient te worden tot 1.000,00. De door de raadsvrouw van de benadeelde partij aangehaalde uitspraak is niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat schadeposten betreffende de iPhone en de ambulancekosten dienen te worden toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten. De hoogte van deze schadeposten is niet door de verdediging betwist en de schadeposten zullen daarom volledig worden toegewezen.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de schadeposten betreffende de handschoenen, het paspoort en het scooterslot eveneens voor toewijzing in aanmerking komen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er een voldoende causaal verband tussen de schade en de bewezenverklaarde feiten. Door het
schietincident zijn de goederen inbeslaggenomen door de politie. Dat de benadeelde partij vervolgens de goederen niet of te laat van de politie heeft ontvangen, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het bestaan van een causaal verband.
Met betrekking tot de reis- en parkeerkosten voor de bezoeken aan het kantoor van de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat deze kosten niet zijn aan te merken als rechtstreekse schade. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van dit deel afwijzen. De rechtbank zal de overige gevorderde reis- en parkeerkosten toewijzen, omdat deze schade is aan te merken als rechtstreekse schade.
De rechtbank zal de benadeelde partij ter zake van de schadepost betreffende de reiskosten voor een eventuele vervolgprocedure, conform het verzoek van de raadsvrouw van de benadeelde partij, niet- ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de schadeposten betreffende de jas en de schoenen onvoldoende zijn onderbouwd. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit gedeelte van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft daarnaast 17.000,00 aan immateriële schade gevorderd wegens emotionele schade. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten. Uit de slachtofferverklaring die ter zitting namens de benadeelde partij naar voren is gebracht, blijkt dat de benadeelde partij tot op de dag van vandaag fysieke, psychische en sociale gevolgen ervaart van de ten laste gelegde feiten. Zo heeft hij onder andere last van herbelevingen en nachtmerries.
Conclusie
Gelet op de bedragen die in verglijkbare zaken worden toegewezen, zal de rechtbank het gevorderde bedrag matigen. De door de raadsvrouw van de benadeelde partij aangehaalde zaak is anders dan de onderhavige zaak.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de immateriële schade vast op 10.000,00. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slecht bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte het geweld samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
Veroordeling in de kosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de toegewezen schadebedragen toewijzen vanaf de datum van het ontstaan van de schade, te weten 17 oktober 2023. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 55, 57, 63, 287, 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van vijf ( 5 ) jaren.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Benadeelde partij
Ten aanzien van feiten 1 en 2
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer] te betalen:
het bedrag van 11.503,71 (zegge: elfduizend vijfhonderddrie euro en eenenzeventig eurocent);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 oktober 2023 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] ten aanzien van de materiële schadeposten betreffende de jas ( 630,00), de schoenen ( 224,95) en de kilometervergoeding voor een eventuele vervolgprocedure
( 150,00) en ten aanzien van de overige immateriële schade
( 7.000,00) niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wijst de vordering van [slachtoffer] ten aanzien van de materiële schadeposten betreffende de kilometervergoeding naar het kantoor van de raadsvrouw ( 87,65) en de parkeerkosten bij het kantoor van de raadsvrouw ( 2,67) af.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 11.503,71 (zegge: elfduizend vijfhonderddrie euro en eenenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2023 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 1.503,71 aan materiële schade en 10.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 92 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Dijkstra, voorzitter, mr. S.T. Kooistra en A. Dantuma - Hieronymus, rechters, bijgestaan door mr. R.D. Ensel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 december 2024.
Mr. A. Dantuma - Hieronymus is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.